17 Aug 2010

Le frisson des vampires

 

Borsten, hypnotiserende rock en gothic horror – da’s gewoon goud, toch? Ondanks een veelvoud van eerstgenoemde en de ontegenzeggelijke bekoring van de muziek kan Le frisson des vampires (Shiver of the Vampires) maar matig bekoren. Wellicht door de onterecht hooggespannen verwachtingen, nadat ik reeds zoveel over cultregisseur Rollin had gelezen. Maar goed dat de titel waaronder Le frisson des vampires in Duitsland werd uitgebracht me onbekend was, anders strookten de verwachtingen helemaal niet met de inhoud van de film: Sexual-Terror der entfesselte Vampire.

Nu ik de films van meneer Rollin zomaar in de winkel zag liggen lijkt het ineens bon ton ‘s mans perverse fantasie te consumeren. Le frisson des vampires is dan waarschijnlijk aan de brave kant. Ik noem enkele werken uit het oeuvre van Rollin: Suce moi vampire, Discosex, Pénétrations vicieues, Folies anales. Dat geeft te denken, maar veel verder dan de nog maar eens aan te halen borsten gaat het niet in deze vampierfilm.

Misschien maar goed ook, want het was nu allemaal al curieus genoeg. Lang vergeten godinnen, menselijke offers en authentiek ingerichte kastelen – Rollin trekt heel wat deurtjes open, maar breit alles tergend langzaam en onoverzichtelijk aaneen. Het verhaal lijkt bij tijd en wijle eerder een excuus om er een modeshow met zoveel mogelijk malle pakjes van te maken.

 

Een pasgetrouwd stel besluit nog even geduld te hebben met de huwelijksreis naar Italië. Eerst even op de koffie bij twee vreemde neven die in een kasteel wonen. Het toeval wil dat het tweetal juist verleden week overleden is. Dat weerhoudt de neven er echter niet van het kersverse stel alsnog welkom te heten. Isle voelt zich er meteen thuis; haar man Antoine wat minder.

Dat laatste heeft er mee te maken dat beide op een andere manier kennis hebben gemaakt met de kasteelbewoners. Antoine ziet vampieren die hun tanden in de hals van onschuldige slachtoffers zetten; Isle is zelf allang een vampier geworden en kan niet meer zonder haar overigens erg lelijke zonnebril. En toen was het geld zo te zien op – verwacht dus niet al te veel special effects. Geen goeie film, misschien zelfs niet interessant. Wel curieus.

Score: ★★☆☆☆

17 Jul 2010

Mannen met een missie

We waren niet de enigen die gisteren in zwaar weer verzeild waren geraakt. Na Brabant over de regenboogbrug binnen te zijn gereden – daarmee nu al verder op weg dan gisteren – laveerden we tussen afgezette wegen, omgewaaide bossen en restanten van daken richting Tilburg. De storm was gaan liggen en ook wij waren tot rust gekomen. Nee, de Bierbrommerij verliep heel anders dan we voor ogen hadden gehad, maar dat hoefde ons er nog niet van te weerhouden erg veel bier te drinken. Met de TomTom op scenic moesten we daarvoor nog even geduld hebben. Na drie uur kleine weggetjes zaten we op het terras bij de Schaapskooi, het toevluchtsoord voor de bierdrinkende monniken van La Trappe.

“Zelf dronk ik altijd de Tripel,” biechtte een aardige monnik aan ons op. “Nou ja, altijd, altijd… als ik bier dronk dan. Nu drink ik liever Isid’or.” De Witte Trappist hadden we net al geproefd en voor La Trappe Puur, de eerste biologische Trappist, waren we net een week te vroeg. “Goh, wat leuk!” beoordeelde de monnik onze t-shirts. “Potverdikkie! Wacht even, jongens.” Vergeefs werd er naar een poster gezocht, maar de beste man wilde ons niet laten gaan zonder aandenken. Buiten de net gekochte sixpacks Isid’or, Tripel en de dure fles La Trappe Quadrupel Oak Aged dan. Het werd een opener. “Die levert toch wel een bonuspunt op, hè?” probeerde de monnik ons te corrumperen. Hij wilde achteraf weten welke Trappist we als lekkerste zouden beoordelen. “En dan kunnen jullie met z’n vieren er natuurlijk vier laten winnen,” stelde de man Gods voor om de lieve vrede tussen de kloosters te bewaren. La Trappe legde de lat hoog voor de anderen.

Na een tussenstop bij de ouders van Jaap, compleet met Tour de France etappe en het ongenaakbare en door ons gewaardeerde commentaar van Maarten Ducrot (“Kijk nou… gouden kettingen, balansbandjes, rozenkransen. Straks nemen ze nog het complete houten kruis van Jezus Christus mee. Jeetje mina…. dat is allemaal gewicht man!”), vervolgden we onze inhaalslag. Om de wanbof van gisteren te compenseren tourden we door naar Westmalle – een aanfluiting van een klooster en daarmee achteraf bezien vrij standaard in de door ons bezochte reeks. Het mocht er dan naar bier ruiken, binnen mochten we er niet. Een torentje, drie monniken op een bankje en een hoge muur om de inwonenden tegen ons, Vikinggespuis, te beschermen. We hadden het er snel gezien.

Hier doen we het allemaal voor (JW)

Sneller dan het terras van Café Trappisten, waar we grote glazen Trip-Trap dronken: een cocktail van de Dubbel en de Tripel. Rinkelend met een dienblad vol glazen strompelde onze garçon op leeftijd het terras op. “Hij werkt hier al 35 jaar en drinkt elke dag zes à zeven Trappisten om op gang te komen,” vertrouwden de vaste gasten aan de belendende tafel ons toe. “En dan ’s avonds gewoon in de auto stappen en op huis aan hè!” Zo reden er hier meer, want met een auto die zich vol gas van zijn bodemplaat ontdeed op een vluchtheuvel, grappende brandweerlieden die de olie van het wegdek kwamen spuiten en het eerste deel van een verloren voetbalfinale (klein zeer vergeleken bij de pech van gisteren) zonder geluid op het terras, hoefden wij ons geenszins te vervelen in Westmalle.

Op camping Gerstekot werden de blauw-wit-rode vlaggetjes juist van de muren gehaald. “Tiens, ze hangen dus werkelijk ondersteboven?” Uit deze zatte Belgen kwam niet veel zinnigs meer, al was hun standpunt jegens de Trappisten ook in deze vertroebelde toestand glashelder. “Moet ge zien in wat voor paleis die daar wonen,” kregen we te zien in een foldertje. “In ’t gevang moesten ze ze zetten!” Ja, wanneer zelfs de Roemenen zich een treetje boven de Belgen verheven voelen op de internationale ladder en non-stop obscene grappen over je maken, is het hoog tijd je achter de oren te krabben over al die misstanden in de kerk.

Westvleteren gaat in dezen zeker niet vrijuit. Moesten wij ons daar druk over maken? Op dit moment deden we dat al over de route. “Dit moet wel een heel lelijk stukske Bels zijn als dit de scenic route is,” verwoordde Jaap onze gedachten. Hoe dieper we België binnen drongen, hoe meer haken en ogen we aan ons brommerplan ontdekten. De zeer smalle fietsstrookjes langs de provinciale wegen (zo ze er al waren) wekten niet echt een veilige indruk. Bovendien reden we nu al een halve dag door de stromende regen. In dit deel van Vlaanderen was het industrie tot en met: elk dorp leek op Reetveerdegem uit De helaasheid der dingen. De Sint-Sixtusabdij van Westvleteren paste naadloos in dit landschap, maar wij waren content. In tegenstelling tot de boze vermoedens was het Trappistenbier hier gewoon te koop.

Volgens de website van Westvleteren en iedereen die er iets over denkt te weten is het bier enkel na telefonische afspraak aan de poort van de abdij te koop. Eén krat per kenteken; de monniken bepalen welk bier. Om de telefonische afspraak te maken dien je eerst te bellen, waarna je een ander telefoonnummer plus een tijd waarop je terug moet bellen te horen krijgt. Inderdaad – ons teveel moeite, maar in het winkeltje werden sixpacks van de Westvleteren Special 6 (ook bekend als Westvleteren Badparels) en Westvleteren Extra 8 verkocht. De rekenliefhebbers wisten het al: vier sixpacks maken één krat. Op het terras werd tot onze grote vreugde bovendien de Westvleteren Abt 12 geschonken. Mijn persoonlijke favoriet.

Licht beneveld bereikten we Ieper – een indrukwekkende plaats. De historische ernst van Ieper, bekend uit ’14-’18, drong zelfs in deze staat tot ons door. Hordes Engelsen dromden om de enorme Lakenhalle in het centrum. Eerder al hadden we Flower of Scotland gezongen voor Schotse meisjes op de camping en daarmee een welverdiend applaus geoogst. De bloemen die onlosmakelijk met Ieper verbonden zijn, zijn de klaprozen uit het gedicht van John McCrae. Tijd voor een serieus intermezzo:

In Flanders fields (JW)

In Flanders fields

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

We ontvluchtten de zwaarmoedigheid door Sas Pils te drinken in café Boerenhol. Het was hier dat een lumineus idee in onze hoofden ontsproot. De Bierbrommerij was dan weliswaar minder episch dan wanneer deze per bromfiets zou zijn geschied – dat nam niet weg dat we niet opnieuw Mannen met een Missie konden zijn. We zouden deze week honderd verschillende bieren drinken. Met de woorden van Nathan Explosion: “I need 100 beers. Exactly, exactly 100 beers.” Na drie dagen touren stond de teller op 27. Nog 73 te gaan dus, in vijf dagen. Op de vestingmuren, met de zon langzaam achter de torenspitsen verdwijnend, wijdden we ons vol overgave aan onze nieuwe taak.

“Zijn jullie niet in rouw?” vroeg een vrouw ons de volgende dag. De massagraven van West-Vlaanderen liggen alweer ver achter ons wanneer we in Chimay aan de Speciale Réserve Poteaupré zitten. Het duurde lang voor we begrepen waar ze op doelde. Voetbal. Of we bij een clubje voor lange mannen zaten, voegde ze er nog maar een onnozele vraag aan toe. “En niet teveel drinken hè?” meende haar man aan de conversatie bij te moeten dragen. Een echte conversatie was het niet, net zomin als in de abdij Notre-Dame de Scourmont. De enthousiaste reacties op onze t-shirts waren nu in het Frans en daarmee merendeels onverstaanbaar. Ons Frans beperkt zich immers tot “Bonjour, je m’appelle une croissant” en “Nous habitons ier neffu.” Lang hoefden we de Franse loftuitingen niet aan te horen, want ook het vierde Trappistenklooster was tamelijk saai.

Nee, dan Orval. De brouwers van het smerigste Trappistenbier – al wagen Daan en Jaap het met mij oneens te zijn op dit vlak – huizen in de mooiste abdij. Hier mochten we tegen al onze verwachtingen in zelfs naar binnen – zij het tegen betaling. De stoere uitstraling van de abdijmuren werd binnen voortgezet: bijna duizend jaar oude ruïnes, een wanstaltig grote basiliek en de oppervlakte van het hele complex leek eveneens te suggereren dat het deze monniken menens was. Vanuit de hemel daalden de zonnestralen goedkeurend neer op de gouden vallei en de helaas forelloze Mathildebron.

Vies bier, veel plezier (JW)

Met veertig bier op de achterbank waren we inmiddels hard op weg naar de honderd, en we waren niet de enigen die dronken waren in Gedinne. Hoewel Daan later buiten in slaap viel en Jaap van binnenuit de uitgang van de tent niet meer kon vinden, waren we niet gevallen voor de avances van de barbecuende heksen die het op ons voorzien hadden. “Als we nu in Oost-Europa waren, dan werden we zeker uitgenodigd,” liet ik me tegenover Gijs ontvallen. Ik had het nog niet gezegd of het tiental ons wat te oude en veel te lelijke vrouwen poogde ons in te sluiten. Of we wijn lustten en met ze wilden dansen. Blijkbaar waren ze het dansen met de parasol beu en hadden ze al het andere manvolk uit de wijde omgeving al weggejaagd. Voor ons reden het op een lopen te zetten.

Aan vrouwen die ons bang maakten geen gebrek, maar wat leuke meisjes betreft bleef het bij dagdromen. Wat nu als er meisjes rondliepen met soortgelijke plannen als wij hadden? Vier meiden waarvan de brommers stuk waren gegaan en die nu voor hun tentjes een Trappist zaten te drinken. Jaap werd bij het idee alleen al erg vrolijk en verdeelde de vier gezellige meisjes met strakke brommershirts in gedachten al: de blondste voor hem, die met de hoogste dichtheid voor Gijs, de oudste voor mij en de vrijgezelle voor Daan. Zoiets zouden we thuis zelfs aan onze vriendinnen kunnen verkopen, vermoedden we.

Hoewel navraag dit later bevestigde moesten we ons tevreden stellen met de abdij Notre-Dame Saint-Remy van Rochefort. U raadt het al: een suf gebouw waar je niet binnen mag. Hier was zelfs geen winkel of terras voorhanden. Wel brouwden ze er volgens Gijs de lekkerste Trappist. Hoe sober de abdij ook mocht zijn, in de grotten van Lorette in het centrum van Rochefort maakten ze er wel een kermis van. Met een onderaards stroompje, stalactieten, stalagmieten en stalaggordijnen behoefden de grotten geen enkele opsmuk, maar dit zagen de Belgen toch anders. Onder begeleiding van pompeuze muziek en een weinig ingetogen lichtshow liet onze gids een heteluchtballon opstijgen om te tonen hoe hoog boven onze hoofden het grotplafond zich bevond.

Niet minder indrukwekkend was de bewering van een man in café Jupy dat Luik een kroeg kent die we beslist eens moeten bezoeken. Tussen zijn opmerkingen richting hoogblonde meisjes in wel zeer korte rokjes door vertelde hij over een café met “mille et une bières”. Al hadden Daan en Jaap vandaag per persoon vier liter speciaalbier op en stond de teller reeds op 96 verschillende bieren, we noteerden het adres en maakten plannen voor een twee weken durende trip naar Luik. De Bierbrommerij zat er immers bijna op.

Wat restte in het land van bier was een kayaktochtje over de Lesse langs Château de Walzin, een paar stroomversnellinkjes, maar vooral veel ondiepe stukken. Luidkeels liederen van Alestorm en Turisas zingend ploegden we door het enige mooie landschap van onze hele tour, maar uiteraard hadden we nu geen camera bij ons. Na een laatste friet samurai lieten we België achter ons om onze tent in Borkel en Schaft op te zetten. De Dommelvallei was een vreselijke camping vol opgeschoten jongens die hun voetbal zo hard mogelijk in een rondrijdende auto met open ramen en kofferbak probeerden te knallen en om half vier ’s nachts besloten dat het een goed idee was straalbezopen in diezelfde auto te gaan zitten om te kijken of de claxon het nog wel deed.

Met de finish in zicht waren dit niet meer dan de befaamde laatste loodjes: de Achelse Kluis, op de grens met Nederland en daarmee eigenlijk Brabants (op de lijn is in, nietwaar), was de zevende en laatste Trappistenbrouwerij van onze tour. In de winkel was zelfs Westvleteren te koop en het assortiment was indrukwekkend. Onze bierlust had op aanraden van onze lever echter een historisch dieptepunt bereikt. Plichtsgetrouw maakten we de honderd vol door een paar enkel in de abdij geschonken Trappisten te drinken. Onze Bierbrommerij zat erop. Tijd voor een volgende missie. Er staan nog ergens vier brommers die gerepareerd moeten worden.

10 Jul 2010

Extreem veel pech in extreem weinig tijd

Toegegeven, dat we weinig tijd hadden was een beetje onze eigen schuld. Eenmaal tot het inzicht gekomen dat een tour met zelfgebouwde waterfiets langs alle Waddeneilanden een minder haalbaar plan was – althans, op korte termijn – werd er een andere, waardige opvolger van de Kleine Landen Tour opgeworpen. Per bromfiets langs de zeven Trappistenbrouwerijen. Op het gegeven na dat geen van ons vieren een brommer in de schuur had staan, zagen we weinig beren op de weg. Jaap wou er toch al een aanschaffen, Daan had nog ruimte te over in zijn fietsenhok, Gijs is nooit te beroerd de portemonnee te trekken en ik had nog nooit zelfs maar op een brommer gezeten, dus dat werd hoog tijd.

Uiteraard kozen we alle vier voor modelletjes op leeftijd. Als ze al veertig jaar heel zijn, dan moeten ze een weekje in de Ardennen met vier subtiele jongens als wij ook overleven, toch? Jaap liet zich betoveren door een nostalgisch stemmende Sparta GH50 Sport uit 1964. Stijlvol donkergroen met authentieke klink-klonk bel. Hij had zelfs voor veel geld zijn blokje laten reviseren bij een sjappie in Schoonhoven met een eigen brommerblokjesmuseum in de garage. Dat klinkt leuker dan het is, maar stond voor Jaap en Gijs wel garant voor twee volle dagen voorpret. Met een proefrit Nijmegen – Tilburg – Nijmegen (half gas om het blokje in te rijden en op mijn kenteken) en een dag voor vertrek alsnog een eigen kentekenplaatje was Jaap met afstand de best voorbereide in ons gezelschap. We hadden niet anders verwacht van deze brommerliefhebber.

Bijna allemaal vakbekwaam (EH)

Ook niet geheel onverwacht: Daan kocht een brommer die met geen mogelijkheid aan de praat te krijgen was en bovendien op Duits kenteken stond. De goedkoopste, het moet gezegd, maar enkele dagen voor vertrek zag meneer zich genoodzaakt een tweede exemplaar op de kop te tikken. Waarmee het totale aantal gemotoriseerde voertuigen in Daans fietsenhok op vier kwam, waarvan twee rijdende en deze Yamaha RD50 uit Japan vooral rokende. Rood, dus snel, maar minder stoer door de roze fietstassen met witte stipjes. Dankzij dit jonge brommertje uit de jaren ’80 gingen we helaas op pad met t-shirts waarop een brommer stond die niet eens meeging.

Nee, dan het fraaie exemplaar van Gijs: een DKW RT139 Sport. DKW staat voor Das Kleine Wunder – inderdaad, net als Gijs zelf. Een degelijke blauwe brommer uit 1970 en op het oog de beste koop. Het ding reed, was voorzien van kentekenpapieren en daar het uit Duitsland afkomstig is niet kapot te krijgen. Bovendien had ook Gijs inmiddels aardig wat verstand van brommers. Dat was grotendeels te danken aan mijn aankoop.

Handelingsonbekwaam als ik ben op (onder andere) het gebied van brommers baseerde ik mijn aanschaf namelijk puur op esthetische aspecten. Na even zoeken was ik de trotse eigenaar van een Demm (spreek uit ‘damn’ – maar dat wist ik toen nog niet) Fox uit 1977. Een klein, zwart brommertje uit Italië. Zo mooi worden ze tegenwoordig niet meer gemaakt, maar datzelfde gold helaas voor de onderdelen. En nieuwe onderdelen voor een Demm Fox waren nu net de dingen die ik nodig bleek te hebben om wat klein ongerief te verhelpen. Oh ja, niet onbelangrijk: het blokje liep niet. Een dag klussen met z’n vieren (eigenlijk drieën – zoals gezegd was ik nogal handelingsonbekwaam) plus twee dagen tomeloze inzet Gijserzijds en wat laswerk door Jaap en z’n vader later reed mijn brommer. De moeilijkheid zat ‘m in het blijven rijden, zo bleek al snel.

Kosmisch brommergevaar (JW)

Net als bij de Kleine Landen Tour werd onze voorpret nog verder verhoogd dankzij Eva, die een schitterend t-shirt voor ons ontwierp. Mannen met een missie stond erop – een missie die al voor driekwart geslaagd leek nu we alle vier de brommers aan de praat hadden gekregen. Trots poseerden we met de helm onder de arm als astronauten die op het punt stonden de zwaartekracht te overwinnen; daarna volgde een vliegende start en waren we onderweg. Op naar de eerste Trappistenbrouwerij – op naar La Trappe!

De eerste etappe zou geen al te zware worden. Slechts 84 kilometer over bekend en vlak terrein. Een mooie gelegenheid voor mij om het voetschakelen en meepessant het hele brommerrijden onder de knie te krijgen. Dat was nog best lastig – bij het eerste stoplicht op de St. Annastraat liet ik de Demm meteen afslaan. Na enkele pogingen kickstartte ik het ding weer aan, om hem bij het tweede verkeerslicht prompt weer af te laten slaan. Nu bleek alle mankracht die we hadden nodig en pas een half uur later had mijn fijne bromfiets er weer zin in. Door rood rijden leek me bij het derde stoplicht dan ook de verstandigste keuze, maar hoe simpel de theorie me ook toescheen en wat ik ook probeerde, eens temeer schee de Demm er bij het volgende rode licht mee uit.

Wellicht was de bougie het probleem, dus pastabougie eruit en een fatsoenlijke erin. Warempel, één keer trappen en we waren weer op weg, nu met hernieuwde moed. Nog even en Nijmegen zou eindelijk achter ons liggen. Vier stoplichten later (vooruit dan; voor de zekerheid nog één keer door rood gereden, maar al met al niet slecht voor iemand met in een straal van tien kilometer rondom zijn huis geen enkel verkeerslicht) snorde de Demm nog altijd genoeglijk en reden we met wapperende rode mouwen aan de Hatertse Vennen voorbij. De warme julilucht blies zacht over onze onderarmen; links en rechts van ons snelden de weilanden aan ons voorbij. Nergens zouden we liever zijn dan precies hier en nu. Op dit moment konden we ons echt niets beters wensen.

Eenmaal in Overasselt wel. Hadden we maar een ander type bougie meegenomen voor de Demm. De nieuwste theorie was dat de malheur in mindere mate dan voorheen verondersteld aan mijn beperkte brommerrijcapaciteiten te wijten was en toch zeker deels aan het type bougie in mijn blokje. Waarschijnlijk had de Demm een bougie met een andere hitteresistentie nodig. Met een koude bougie was er geen vuiltje aan de lucht; werd het ding te heet, dan sloeg de motor af. An sich nuttige kennis, maar punt van aandacht was nu de lekke band van Daan. Met enkel kunststof bandenlichters voorhanden was de buitenband eraf wippen al een hele toer, waarna we tot onze spijt moesten constateren dat het lek bij het ventiel zat en we een nieuwe binnenband nodig hadden.

Heeft u verstand van plakken, want ik heb een lekke tube (JW)

Optimistisch als we zijn hadden we uiteraard geen reserveonderdelen bij ons. De dichtstbijzijnde brommerboer zat in Nijmegen, dus er zat niets anders op: Jaap zou terugrijden. Met een temperatuur van rond de 35°C bleven wij zwetend in de schaduw wachten. Twee uur onderweg en onze t-shirts stonken nu al een uur in de wind. Blijf met z’n allen bij elkaar, leren talloze horrorfilms ons. Het duurde niet lang voor we ontdekten waarom. Jaap belde dat de bougie uit z’n blokje was geknald, bovenop de brug over het Maas-Waalkanaal. Nu was Gijs aan de beurt, waarna het lang stil bleef. Jaap kon inmiddels niet meer bellen en om de tijd te doden besloten Daan en ik dan maar in het café te wachten. Gestrand tegenover een kroeg – dat was dan wel weer een geluk bij een ongeluk. Binnen liet de radio Always look on the bright side of life horen.

Enkele uren en verschillende Weizeners en ijsthees later werd onze wachttijd door Gijs uitgelegd: algehele malaise. Jaap stond al drie uur in de brandende zon bovenop de brug; zelf stond Gijs met een lekke achterband ergens midden in Nijmegen. De brommerboeren hadden hun zaakjes gesloten voor vandaag en repareren zat er op korte termijn niet in. Vier gesneuvelde brommers, met vanaf ons terras uitzicht op het bordje ‘Nijmegen – vijf kilometer’. Extreem veel pech in extreem weinig tijd. Gijs zag het niet meer zitten en lag met zijn bagage als kussen, helm en reserveonderdelen ergens op de stoep, met de brommer een paar straten verderop. Gelukkig ontfermde een aardige vrouw zich over hem en dwong haar vriend Gijs thuis te brengen.

Na de brommer met zijn eigen auto te hebben opgehaald werd Jaap voorzien van nieuwe bougie en Daan van binnenband. Daan en ik betaalden onze fors opgelopen rekening, repareerden de band en met de om de haverklap afslaande Demm ging het terug naar Nijmegen. Gefaald in onze missie – voor vandaag, althans. Gijs belde Nelleke om alvast wat eten in huis te halen, maar tien minuten later belde ze terug dat ze met een lekke band stond. Je hebt van die dagen dat echt alles tegenzit. In een hagelbui, zonder werkend achterlicht en met de politie op de hielen bereikten we, doorweekt van zweet en regen, eindelijk Westerhelling in Nijmegen.

“Jullie zullen wel honger hebben,” vermoedde Gijs na ons zeveneneenhalf uur durend brommeravontuur. Daar zijn gezicht nog op onweer stond durfden Daan en ik haast niet te vertellen over de grote borden friet en ijscoupes in ons café in Overasselt. Tegen de honger was snel wat te doen, maar hoe nu verder? Alle mechanische mankementen in een paar uurtjes proberen te verhelpen en morgen een nieuwe poging ondernemen zagen we niet zitten. Allerlei wilde plannen kwamen ter tafel: met de auto om de Oostzee rijden, de Kleine Landen Tour nog eens overdoen maar dan in minder tijd, een boedelbak huren en met de defecte brommers achterin de Trappistenbrouwerijen afgaan om overal een leuke foto te maken. Het werd, met de Trappistenkloosters in grote letters achterop onze klamme shirts, de meest voor de hand liggende optie. Vier mannen in een auto; de brommers thuis in de schuur. Morgen zouden we beginnen aan een heel wat minder heroïsche versie van onze Bierbrommerij.

09 Jul 2010

12

 

Is het tijdelijke betovering, of zou het echt zo kunnen zijn? Is 12 de beste film die ik ooit heb gezien? En zo ja, hoe kan het dat een tweeëneenhalf uur durend verhaal over twaalf mannen die met elkaar discussiëren in een gymzaal je zó kan grijpen? Een verhaal waarin uitgewijd mag worden, waarin beelden de tijd krijgen om te bezinken en waarin geen van de mannen, hoe haastig ook, kan vluchten voor dit hele verhaal verteld is?

Nikita Mikhalkov haalde het alweer ruim een halve eeuw oude 12 Angry Men van Reginald Rose uit de kast, stofte het verhaal af en stak het in een onmiskenbaar Russisch jasje. Een remake heet dat dan, maar niets is minder waar. De versie van Mikhalkov – één van de twaalf juryleden – is geen duffe herhalingsoefening, maar een gepassioneerde film die op het oog nergens anders dan in Rusland zou kunnen spelen.

Twaalf juryleden krijgen de opdracht te beslissen over het leven van een Tsjetsjeens kind. De aanklacht: moord op zijn pleegvader. Schuldig betekent levenslang in de Moskouse gevangenis; onschuldig betekent uiteraard vrijlating. Wat de jury ook beslist, het moet unaniem zijn. Een formaliteit, want de jongen riep dat hij zijn pleegvader ging vermoorden en getuigen hebben hem zien vluchten.

 

Daar komt bij dat de juryleden na drie dagen alle bewijsstukken voorgelegd te hebben gekregen graag snel naar huis willen. Werk dat niet wacht, optredens, lange reizen en vriendinnen met dikke tieten maken dat elf van de twaalf aanwezigen meteen hun hand opsteken: de Tsjetsjeen is schuldig. Maar elf van de twaalf is niet unaniem. Eén hand gaat bibberend omhoog voor onschuldig, hoewel deze man eigenlijk denkt dat de jongen wel degelijk een moordenaar is.

Het aanvankelijke onbegrip slaat na verloop van tijd om in kritisch nadenken over wat als een voldongen feit werd beschouwd. Eén voor één geven de twaalf mannen in de gymzaal zich meer en meer bloot en komt boven water wat hun beweegredenen waren om schuldig te stemmen. Belangrijker nog, speculaties omtrent de moord en reconstructies volgen. Een unaniem besluit blijft echter de voorwaarde voor het vonnis en dat blijkt moeilijker dan het noteren van een score voor 12.

Score: ★★★★★

15 Jun 2010

Varg Veum – Bitre blomster

 

Krijg nou wat, een detective? Het staat er niet eens bij als apart genre, en dat zal zo zijn redenen wel hebben. Ik kijk nooit detectives, ik lees nooit detectives. De verleiding om naar de laatste bladzijde door te bladeren om te zien wie het gedaan heeft is moeilijk te onderdrukken en zelfs bij een potje Cluedo heb ik niet het geduld de aanwijzingen rustig te verzamelen.

Eva houdt wel van detectives en dus keek ik een keer mee. Varg Veum is een Noorse privé-detective die inmiddels al een zaak of zeven met goed gevolg heeft afgesloten. Met zijn ongeschoren voorkomen en halflange haren ligt hij goed bij de Noorse vrouwtjes, temeer daar hij drugsdealers genadeloos hard in elkaar slaat en geen belerend vingertje heft wanneer hij een keer met een overspelige vrouw in aanraking komt.

Varg Veum – Bitre blomster komt bijzonder treffend overeen met het beeld dat ik van Noorwegen heb. Alle dagen regen, mannen met stoere namen als Odin zien eruit als netjes geschoren slapjanussen en auto’s met plek voor tien laten je met alle liefde mijlen ver lopen in plaats van je een lift aan te bieden. Wat een verademing dat er ook mannen als Varg in dit land rondlopen.

 

Varg wordt ingehuurd om een verdwenen meisje van zeven jaar oud op te sporen. Dat valt nog niet mee. Dat er steeds meer doden vallen en ook de detective zelf zijn leven niet zeker is compliceert de boel enigszins, maar echt spannend wordt het in een serievehikel als Varg Veum – Bitre blomster niet. Zelfs al zat er een stunt in.

Zo’n avondje puzzelen voor luie mensen is best een keer leuk. Zelf nadenken is totaal overbodig, want Varg past de puzzelstukjes mooi ineen voor de kijker. Het meisje is in slaap gevallen in een auto waarmee ze naar een wat ongelukkige plek is gereden. Pech voor het meisje, pech voor de ouders, pech voor zo’n beetje alle betrokkenen behalve Varg – een happy end kun je het moeilijk noemen. En het blijft maar regenen.

Score: ★★½☆☆

11 Jun 2010

Clerks

 

Ah, meneer leeft dus nog. Vier volle weken lang geen film gezien – dan mag je wel een goeie smoes hebben. Aan de brommer zitten sleutelen misschien? Nee, dat moet nog gebeuren, maar eerst dus eindelijk weer eens een film. Niet eens een goeie, al denken tienduizenden daar om de een of andere reden anders over.

Het zou natuurlijk kunnen dat al die mensen die Clerks als cult-hit verafgoden zelf een geestdodende baan ergens achter een kassa hebben. Dan is het leuk winkelbediendes hun winkel dicht te zien doen om op het dak te hockeyen, of om pornografisch materiaal aan snel geshockeerde mensen te laten zien. Dat laatste is eigenlijk altijd leuk, maar zijn dergelijke flauwe grapjes een reden om Clerks fantastisch te vinden? Ik zal jullie het denkwerk besparen: het antwoord is nee.

Ook in de film: Jay en Silent Bob. Toen ik studeerde snapte ik al die mensen die dit tweetal hilarisch vonden al niet. Waarom ze in Clerks zitten is me evenmin duidelijk, want met het ‘verhaal’ hebben ze niets van doen. Hun aandeel in de film bestaat uit het maken van loze opmerkingen tussendoor die kant noch wal raken. Knap om dit op een storende manier te doen in een film die aan elkaar hangt van de loze opmerkingen.

 

Eerlijk is eerlijk, veel van die opmerkingen zijn best leuk. Dante werkt in een supermarkt, Randal in de aangrenzende videotheek. Het grootste deel van de dag hangen ze bij elkaar achter de toonbank om te klagen over hun werk, zich erover te verbazen dat Dantes vriendin Veronica al 37 mannen heeft gepijpt, of om te discussiëren over al die onschuldige werklieden die stierven toen Luke Skywalker de Death Star aan gruzelementen blies.

Klanten pesten wordt door met name Randal tot kunst verheven, maar wanneer Clerks verzandt in bespiegelingen over relationele problemen is het gauw gedaan met de pret. Dan weet zelfs de artsy-fartsy keuze voor zwart-wit de boel niet meer te redden en was het vast een stuk onderhoudender geweest zelf mensen te lijf te gaan met een ijshockeystick.

Score: ★★½☆☆

14 May 2010

De helaasheid der dingen

 

We kwamen goed beslagen ten ijs toen we laat op de avond De helaasheid der dingen opzetten. Eva, Jaap en ik hadden het boek gelezen, Gijs had de film al een keer gezien. Waar ik dan normaliter scherts dat het boek toch beter was begin ik daar nu niet mee. Immers, we hadden een wreed goeie ambiance voor het zien van deze tragische zuipfilm.

Van tragiek was dan wellicht geen sprake, maar met drie verschillende wodka’s al achter de kiezen plus een bierassortiment met daarin frisse weizeners, straffere speciaalbieren uit lang vervlogen dagen en schandalig prijzig koffiebier was de warming-up voor De helaasheid der dingen op correcte wijze ten uitvoer gebracht. Een korte tijdrit van om en nabij 50 kilometer over verschillende pittige cols, om in de termen van het boek te spreken.

Tijd om die twee dan toch met elkaar te vergelijken. Wat allereerst opviel was het verschil in sfeer. Het boek was komisch-tragisch, de film tragisch-komisch. In die volgorde. Verder hadden Eva, Jaap en ik onszelf rijk gerekend toen Gijs na een uur en twaalf minuten verklapte dat de film pas op de helft was. Toen nog geen half uur later de aftiteling in beeld verscheen voelden wij ons bestolen van tal van scènes die wij ons nog uit het boek herinnerden.

 

Ook de keuze om de namen van vrijwel alle personages te veranderen was verwarrend. Het leidde tot veel discussie en speculaties over wie nu eigenlijk wie was. Uiteindelijk had waarschijnlijk Gijs, zonder voorkennis van het boek, hier het meest last van. Bezijden deze punten niets dan lof voor een geslaagde boekverfilming.

Günther Strobbe dan wel Dimitri Verhulst groeit samen met zijn pa en drie nonkels op in voor kinderen suboptimale omstandigheden. Zijn familie geeft enkel om zuipen, vechten en vrouwen en dat levert tal van mooie plaatjes op. ’t Is alleen jammer dat het nergens heen gaat met die jonge jongen met matje, versleten trui en kapotte vélo. Ik was blij dat ik niet meer studeerde en de Tour de France uit De helaasheid der dingen niet hoefde te reconstrueren. Gijs en Jaap waren geïnspireerd.

Score: ★★★★☆

14 May 2010

Kick-Ass

 

Achteraf maar goed dat ik niet naar de bijzondere première van Kick-Ass in Meppel ben gegaan. Jezelf als superheld verkleden om gratis binnen te komen is een legitieme reden om je ass gekicked te krijgen, hoewel sommige teamgenoten van het rugby wel enthousiast waren. Helaas is daar altijd die verklaring van goed gedrag waar ik me bij mijn werk aan moet houden, dus alleen een cape en maskertje aantrekken, verder niets en dan als erg sexy superheld door de stad rennen is sowieso niet aan de orde.

Je moet nogal een loser zijn om je in je vrije tijd als superheld uit te dossen. Hoofdrolspeler Dave Lizewski onderschrijft dat met zijn strakke groene duikpak. Dave laat zich het best omschrijven als iemand met een totaal gebrek aan superkrachten. En een bijpassend totaal gebrek aan vrienden op facebook, want ik had geloof ik al vermeld dat Dave nogal een loser is.

Dave is niet de enige loser, want hij zit nog op school. Als er ergens veel stripboeken lezende en tegen meisjes stotterende brildragers bij elkaar zitten, dan is het wel highschool. “Kick-Ass is een beetje een kruising tussen een hele slechte superheldenfilm en een nog slechter highschooldrama,” werd het op de training al samengevat. “Zoiets als Scary Movie?” Inderdaad, maar dan minder eng.

 

Aan superhelden geen gebrek in films en strips. Dave vraagt zich af waarom nog nooit iemand heeft geprobeerd zelf een superheld te worden, simpelweg door zich in een maillot te hijsen en met boeven te gaan vechten. Het voor de hand liggende antwoord is uiteraard omdat dat volslagen achterlijk is, maar Dave is nog niet tot die conclusie gekomen.

Zijn strapatsen lopen behoorlijk uit de hand wanneer hij ongewild met een aan cocaïne gerelateerd akkefietje van doen krijgt. Gelukkig blijken er ook wat geslaagdere superheld-imitatoren rond te huppelen in New York. Wat is het toch geweldig om een dochtertje te hebben.

Score: ★★★☆☆

04 May 2010

Dönerloos badderen met nazi’s

In twee dagen waren de beuken op onze camping van kaal naar frisgroen gesneld. De heldere nachten waren ijskoud, zodat we Ilva telkens halverwege de nacht met verkleumde vingertjes uit haar warme slaapzak moesten halen om haar tussen ons in te leggen, maar ’s ochtends verwarmde de lentezon ons bij het ontbijt. Vandaag was de dag dat er gezwommen moest worden. Vandaag was het immers nog zonnig; morgen zou het weer een stuk slechter zijn. De paarse en lichtblauwe toeristentreintjes negerend – wat moet Rügen een hel zijn in het hoogseizoen – liepen we naar Vitt, aangeprezen als authentiek vissersdorpje. Dat was dan waarschijnlijk gebaseerd op de rietgedekte dorpskerk en de holle weggetjes die omlaag voerden naar het strand. Niet op eerdergenoemde treintjes of het aantal kioskjes met vis en prullaria.

Hier was dus een strand, een zandstrand, al bestond de zeebodem ook hier uit rotsen en zwerfkeien. Mijn tactiek om toch vooral als eerste het koude water in te duiken was met een baby op de rug niet langer houdbaar. Daan en Jaap waren al kopje onder voor ik mocht. Ook Gijs en Maarten trotseerden het Oostzeewater dat later 6,3 °C bleek te zijn, terwijl Joost hoofdschuddend op het strand bleef staan. Janine hield het bij pootje baden en overdreef schromelijk dat ze geen hartaanval wilde riskeren. Met Daan in bevallige zeemeerminpose op een met algen overwoekerde rots die uitstekend dienst deed als glijbaan vermaakten wij ons prima, terwijl Ilva in de zon het losse zand verkende.

Oostzee, fijne zee (EH)

Opgefrist beklommen we de steile kust naar Kap Arkona en de Jaromarsburg. De aan Svanevit gewijde tempel uit de 6e tot 8e eeuw was opnieuw een fraai staaltje Slavische bouwkunst. Dat de helft van het fort inmiddels in zee was gestort deed daar niets aan af. De indrukwekkende verdedigingswerken stonden vijftienhonderd jaar later nog altijd trots overeind, al hielden ze Gijs deze keer niet buiten. De oude Slavische goden Svanevit, Rugievit, Perun en Baba werden vroeger door de West-Slaven op heel Rügen vereerd. Hier leek het zo gek nog niet dat het Russische Arkona zo ver buiten de landsgrenzen op zoek was gegaan voor hun bandnaam. Op het hoogste punt herkende Eva de vuurplaats van de cover van Arkona’s nieuwste plaat, Goi Rode Goi.

Een vuurtje zou de ervaring inderdaad compleet maken, maar we kozen voor een goed alternatief in de vorm van bier, curryworst en nog meer bier. Met een Erdinger Weißbier was het goed plannen maken voor een volgende trip. Bomen over brommers, want Jaap wilde per brommer langs alle trappistenbrouwerijen. “Ik heb getwijfeld over België,” gaf ik toe, maar het was een schitterend plan. Een waardige opvolger van de Kleine Landen Tour.

Voor Gijs en Nelleke zat de vakantie er alweer haast op. In Saßnitz bezochten we nog het U-Boot museum (minder vet dan in Kaliningrad want zonder gepensioneerde communisten en marsmuziek, maar nog steeds de moeite waard), alvorens ons te vergapen aan DDR-brommers. Daarna reden we naar Prora voor onze laatste gezamenlijke bestemming. Een bezoekje aan het voormalige KdF-monument was een idee van Daan en leek me gruwelijk saai. Ik had het mis. Prora moest in de jaren ´30 omgebouwd worden tot jodenvrij badderparadijs van de nazi´s. Kraft durch Freude zou hier 20.000 appartementen met zicht op zee bouwen, zodat miljoenen arbeiders jaarlijks op een welverdiende vakantie getrakteerd zouden worden, leerden we van de expositie MACHT Urlaub. ‘Macht Urlaub, kein Krieg’ was volgens mij nooit een geliefde slogan van Hitler en van het vakantieparadijs aan de Oostzee is nooit iets gekomen. Wie om de nooit afgebouwde, betonnen monstruositeit wil lopen heeft een wandeling van negen kilometer in het verschiet. Waar Hitler ooit de joden een duik in het 6,3 °C warme water wilde ontzeggen zat nu een Anatolische dönertent. Het soort ironie waar ik wel van hou.

Kap Arkona (NC)

Wij kozen echter voor Eisvergnügen, zolang het nog kon. Vandaag was het immers nog zonnig; morgen zou het bewolkt zijn. En ’s avonds wodka, want die fles had ik eerlijk gewonnen. Joost stoefte hoe netjes hij het Volkswagenbusje in en uit kon parkeren; ik waagde dit te betwijfelen. “Voor een fles wodka laat ik het nu zien!” riep Joost zelfverzekerd. Daar de accu leeg bleek te zijn ging de fles naar mij.

Met nog twee dagen te vullen wilden we Hiddensee zeker niet missen. Joost had al een week op de Parel van de Oostzee mogen vertoeven en hoefde niet zo nodig, al verheugde hij zich er wel op overal uit te mogen roepen: “Dat heb ik al gezien!”. Het bleef bij “Vorige week was het toch mooier weer…”. De beloofde bewolking was namelijk in ruime mate voorhanden. Vroeger voer de boot vanuit Schaprode naar Fährinsel, waarna het eilandvolk nog een half uur naar hun huizen mocht waden. Dergelijke avonturen bleven ons bespaard, waardoor we al gauw in Kloster stonden, waar zandpaden de norm waren. Dat oogde gelijk een stuk authentieker dan de authentiekste dorpjes op Rügen.

Over de Dornbusch en de Swantiberg liepen we naar het noordelijkste punt van Hiddensee, dat veel meer dan Rügen als een waddeneiland oogde. Het weer werd slechter, de wind harder en de landtong Albessin aflopen was een slecht idee. Naast de beloofde bewolking kregen we nu als extraatje horizontale slagregens, wat Ilva deed huilen onder de poncho en ons deed nadenken over hoeveel soorten regen we eigenlijk kenden. We kwamen met wat moeite tot vijftien. Dit overigens binnen, want het bleef gestaag doorregenen. Joost wist een leuke tent waar niet alles naar kots smaakte. Het gebak van Annelies wel. “Nee joh, heerlijk,” mompelde de eigenaar met een stalen gezicht nadat drie van ons anderszins hadden geoordeeld. De hap braaksel smaakte zoals hij hoorde te smaken, vond hij. Eilandvolk.

Vast nog erger in het hoogseizoen (JS)

“Heel Duitsland is een gekkenhuis, maar de centrale zit op Hiddensee,” verklaarde Uwe Kasten later die avond. Uwe schoot op alles wat bewoog, dus we spraken hem niet tegen. Geen plekje op de muur van zijn restaurant of er was een schedel of opgezet dier tegenaan geplakt. Als we morgen wilde zwijnen wilden zien konden we Uwe misschien meevragen, maar eigenlijk zagen we de beestjes liever levend. Of als spareribs, zoals nu op ons bord. De tussenfase is alleen wat minder. “Morgen wordt het beter weer,” beloofde Uwe nog.

Overdag 5 °C noem ik geen beter weer. Als de eilandbewoners hier ergens slecht in waren, dan was het wel in het voorspellen van het weer. Omdat het de rest van de week niet veel beter zou worden zagen we af van ons plan door te reizen naar Wolin in Polen – net nu Ilva een beetje aan het kampeerritme gewend was geraakt. En omdat we de highlights van Rügen wel zo’n beetje gezien hadden gingen we naar Putbus. Althans, we wilden naar Putbus, maar we hadden een kutbus, om één van de meer poëtische uitspraken van Jaap te citeren. Gelukkig was de ADAC snel ter plaatse, zodat ook Joost en Annelies mee konden genieten van de verzameling aristocratische, neoklassieke gedrochten in onbevlekt wit. Dan nog liever het beton van Prora.

Binz was niet veel beter. “Een oord voor de rijken en schonen,” volgens Uwe. Jaap en Janine waren rijk, schoon was na een week kamperen niemand meer, maar misschien bedoelde Uwe ‘mooi’. We waagden het erop, maar dat hadden we beter niet kunnen doen. Onder het loodgrijze wolkendek bood Binz een troosteloze aanblik en tot overmaat van ramp realiseerde ik me dat we hier helemaal niet moesten zijn. De kitscherige zeebrug uit de reisgids lag in Sellin, niet in Binz. In ieder geval klopte de thermometer hier beter dan bij Kap Arkona. Het water was 8 °C, maar niemand zwom. En wat dan nog – een strandvakantie is toch niks voor mij. Dan liever op de brommer door België.

01 May 2010

Fahrvergnügen

“Er is hier geen schot gelost. Het is belachelijk om voor die zatlappen een monument op te richten. De Russen hebben zichzelf een kogel door de kop gejaagd!” Me dunkt dat er dan toch een schot gevallen moet zijn, maar Joost was minder ad rem. Anderhalf uur wachten op station Bergen auf Rügen viel hem zwaarder dan hij verwacht had, daar de plaatselijke holocaustontkenner in Joost een gewillig toehoorder meende te hebben. “Ja, dat van die Joden was wel slecht, maar daar deden de Engelsen en de Zwitsers net zo goed aan mee. Hitler was zo kwaad nog niet – toen de Duitsers Parijs innamen stelde één van zijn generaals voor de Eiffeltoren met de grond gelijk te maken. “Ik zou je hier eigenlijk ter plekke kapot moeten schieten,” barstte Hitler toen uit.”

Kampeervergnügen (JS)

Zichtbaar opgelucht stapte Joost bij ons in de auto. Hij zag zelfs kans lief te zijn voor Ilva, die de term Fahrvergnügen na een kleine acht uur niet meer toepasselijk vond. Omdat de line-up van Ragnarök Festival ons niet beviel besloten we maar ergens anders heen te gaan. Naar Duitsland? Wat is dat nou – concessies nu je een kind hebt, Fiepke? Hoeven we niet meer op zinderende reisverhalen uit Oost-Europese boevenlanden te rekenen, nu je met je dochtertje liever op Duitse of zelfs Franse campings vertoeft? Geenszins. Maar nu dus even wel. Rügen leek Eva een aardige bestemming. Ruige krijtkusten, hunebedden en Kap Arkona. Nu we de band Arkona niet zagen konden we tenminste een kijkje nemen bij de Slavische burcht waar ze blijkbaar inspiratie hadden opgedaan.

Rügen leek meer mensen een aardige bestemming: in totaal zouden we vrijdag met z’n twaalven zijn. Eva, Ilva en ik gingen woensdag al, een mopperende directeur op school achterlatend. Met een vrije dag en mijn ouderschapsverlof voor Koninginnedag had ik effectief tweeëneenhalve week meivakantie. Voordat er een wet gevonden was waarop men zich kon beroepen om me thuis te houden waren we al onderweg. Net als Gijs en Nelleke, die een tent voor Joost meenamen. Joost zat voor zijn werk al een week op buureiland Hiddensee, maar had er niet aan gedacht dat hij de twee nachten voor Annelies met hun busje kwam ook nog ergens zou moeten slapen.

Ga je ooit kamperen op Rügen, ga dan in de meivakantie. Het is er ’s nachts 2 °C en dus niet druk. Ga je ooit kamperen op Rügen, ga dan naar Naturcamping Krüger in Nipmerow. Een fijne camping, midden in het bos, waar je kampvuurtjes mag stoken, midden in het bos. Niet dat we het vooraf gevraagd hadden – ervaring leert dat niet vragen het beste werkt. De tweede avond kwam baas Norbert even poolshoogte nemen, waarna onze pyrotechnische skills stilzwijgend werden gedoogd.

Abbruchgefahr (NC)

Het was tamelijk rustig op de camping. De schoolklas die er overnachtte bestond niet uit die hard kampeerders. Ze sliepen niet in tenten en als ze buiten op de plastic stoelen zaten, wilden ze een kussentje. “Das ist denn unsere Jugend,” verzuchtte Norbert beschaamd. Verder zagen we de eerste dag alleen een man die overtuigend vogelgeluiden nabootste en hiermee bonte kraaien lokte. Geen bijzonder slimme dieren: zodra ze zagen dat een man en niet een soortgenoot de geluiden veroorzaakte draaiden ze om, om er vijf seconden later weer in te trappen. “Het zal toch zeker niet weer dezelfde… aah, toch!” De andere campinggasten waren huppelende bosmuizen, wroetende everzwijnen en hele koren van boomkikkers, even verderop. Vlakbij in het bos blaften de damherten.

Natuurcamping Krüger ligt in Nationalpark Jasmund, het mooiste deel van Rügen. Hier liepen we van havenstad Saßnitz terug naar Nipmerow. Vandaag was het immers nog zonnig; morgen zou het weer een stuk slechter worden. De route liep langs de spectaculaire kust van Rügen. Wie dacht dat het hier om een waddenachtig eiland met leuke zandstrandjes gaat heeft zijn huiswerk niet goed gedaan: Rügen ligt in de Oostzee, niet in de Noordzee en hier rezen steile krijtrosten omhoog uit het koude water. Al na honderd meter strekten witte muren zich aan weerszijden van ons uit. Blijkbaar zaten vroeger niet alle piraten in de zonovergoten Caraïben, want in de Piratenschlucht had Klaus Störtebeker, voortlevend in het plaatselijke bier, menig schat begraven. Tussen de amberzoekende Duitsers gingen wij op fossielenjacht in de afgebroken stukken krijtrots. Want er brak nogal eens wat af. De Wissower Klinken leken in de verste verte niet meer op de oudere foto’s in onze reisgids.

Dat verklaarde de vele bordjes ‘Abbruchgefahr’, al viel het op die plaatsen natuurlijk wel mee als het bordje er nog stond. Naast ‘Verschmutzte Fahrbahn’ een kandidaat voor favoriete Duitse verkeersbord. Levensgevaarlijk dus, die imposante kliffen, maar dat weerhield de hordes toeristen en vroeger Germanen en Slaven niet van een bezoekje. Ook de Germaanse verdedigingswal Hengst zou diezelfde Slaven niet van een bezoekje hebben weerhouden – alleen voor rolstoelgebruikers zou deze kunstmatige verhoging enigszins problemen opleveren. Nee, dan de Slavische Herthaburcht. Daar was tenminste werk van gemaakt. De steile klim hield Gijs alvast buiten de deur.

Als je ons nodig hebt, wij zitten boven (EH)

Waar de hunebedden op Rügen weinig memorabel waren, maakte de Oostzee meer indruk. Foei, wat was het water koud. Het was natuurlijk ook nog april, met volgens de klimaattabellen een gemiddelde watertemperatuur van 5 °C. Dan liever tot overmorgen gewacht. In mei zou de temperatuur opgelopen zijn tot een behaaglijke 8 °C. Voor de tussenliggende dag hadden we al een plan. Omdat we van het door Joost genoemde, veelbelovende Pirateninsel niet wisten wat het was en ten tweede waar het zich bevond, parkeerden we na een slaapverwekkende wandeling langs de Neuensiener See voor station Garftitz. Stationnetje, want hier reed alleen de Rasender Roland, een zwarte rookpluimen uitbrakende stoomtrein voor toeristen.

Wij gingen dus te voet, uit angst voor soortgelijke ervaringen als in Vişeu de Sus. Onze keuze betaalde zich direct uit in de vorm van een Erlebnispfad, waar Nelleke en ik op blote voeten mochten ervaren hoe zand, kiezelstenen, ronde balken, dennenappels en glasscherven aanvoelden. Een voorlopig hoogtepunt van de dag. Voorlopig, want het nogal homofiel aandoend jachtkasteel Granitz wachtte ons in al zijn roze glorie. Bronzen hondjes voor de deur en binnen een fotogenieke wenteltrap met gietijzeren traptreden waar je doorheen kon kijken. Net iets te spannend voor Eva (dat de suppoosten bezoekers tegenhielden omdat er niet teveel mensen tegelijk op de 19e eeuwse trap mochten hielp niet), maar dat was misschien ook de bedoeling bij het bouwen. “Vrouw, als je ons nodig hebt, wij zitten boven.” Stereo aan en een bak bier erbij, terwijl de vrouwen niet naar boven durfden.

Op de wenteltrap na is Jagdschloß Granitz een verschrikking. Überromantische kitsch, marmeren beelden van mannen met snorretjes en kuiven, schilderijen die het Huilende Zigeunerjongetje op materiaal voor het Rijksmuseum doen lijken. Maar wat een uitzicht: de nooit afgebouwde flats van Prora, het ontoegankelijke eiland Vilm en beneden Gijs met een slapende Ilva op schoot – prachtig. Over het smalspoor liepen we terug naar Garftitz, om ’s avonds voor de derde keer te barbecueën. Nu met Jaap, Janine en Annelies die er met Teuntje de T2 twaalf en een half uur Fahrvergnügen op hadden zitten, en later ook met Judith, Maarten en Daan. Terwijl Ilva in haar plastic bak speelde en het kampvuur werd voorbereid kon de pret nu echt beginnen, al hadden wij daar geen tampon met (peper)wodka in onze anus voor nodig, zoals in de verhalen van Jaap.

CC 2010 Fiepke | Berichten (RSS) en Reacties (RSS)

powered by Wordpress
Creative Commons License
All texts on www.fiepke.nl are licenced under the Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 3.0 Netherlands License.
Photographs made by EH (EvadeHullu) or (JS) are are under the same licence.