Папутка

‘s Ochtends namen we afscheid van het klooster met zijn vliegende monnik. Broeder Ion had ons de weg naar Botiza en Poiena Izei gewezen. Een weg was er niet, maar we moesten links houden van de hoogste bergtop en het bos mijden tot we begonnen te dalen. Makkelijk zat. Het klonk een stuk eenvoudiger dan de aanwijzingen uit de Hiking Guide.

Vanuit het klooster in het Lapuş-gebergte volgden we een hoop stenen die afwisselend een pad en de bedding van een beekje vormden, tot deze definitief overgingen in een riviertje. De aanwijzingen van broeder Ion volgen was makkelijker gezegd dan gedaan. Na de verkeerde heuvel beklommen te hebben (teveel bomen naar onze smaak) hadden we de juiste berg te pakken. Twee keer vroegen we herders de weg naar de dichtstbijzijnde dorpen. Zoals altijd vroegen ze om sigaretten, die we niet hadden, waarna we bosbessen kregen.

Lapuş-gebergte (EH)

Net toen het pad zich splitste en we niet wisten welke route te kiezen riep een man ons vanuit de verte. “Şeful!” klonk het even verbaasd als opgewonden. Wij stonden paf. Het was de man waar we gisteren een lift van hadden gekregen en we liepen nu naar zijn stâină toe. Zelfs in dit provisorische houten huisje in de modder werden we gastvrij onthaald. Er werd een deken op een bankje klaargelegd, waarna we brînză en smântână van schapen kregen (een soort fèta en room), koud water uit een bron en natuurlijk zoveel palinca als we wilden.

We werden voorgesteld aan de vrouw en een vriend van de man, waarna hij graag een foto van ons wilde maken. Hij vond het prachtig dat we te voet door de bergen liepen. Dat deden niet veel mensen. Laatst een groep Franse toeristen (drie mannen en twaalf vrouwen; volgens de Roemenen een erg vermakelijke verhouding) en een enorme kerkelijke processie van met bloemen versierde karren (wat er eveneens vermakelijk had uitgezien). De meeste toeristen – en dan bedoelden ze Polen – kwamen in jeeps.

Brînza en smântâna - altijd goed (EH)

De man liep nog even met ons mee en legde uit hoe we in Poiena Izei konden komen. Veel minder steil en modderig dan de weg naar Botiza. Al snel werd het pad onbegaanbaar. Blijkbaar hadden we het goedbedoelde geratel verkeerd geïnterpreteerd en hadden we al eerder links aan moeten houden. Hoe dan ook was het verder dan de drie kilometers die ons boven werden voorgespiegeld. Toen we op een bergwei pauzeerden kwam de kompaan van onze vriend met een paard de berg afgedaald. Lachend zei hij dat we verkeerd liepen. Dit was de weg naar Glod.

Glod, Poiena Izei, Botiza. Eén pot nat. Allemaal onderontwikkelde boerengehuchten, dachten wij, dus we liepen met de man mee. Ook hier volgden we hoofdzakelijk een beekje het dal in. Na een tijd in hoog tempo door het ondeugdelijk paard te zijn achtervolgd werd de weg vlakker en beter begaanbaar. De herder bleef vloeken op zijn paard. “Dit is het vervelendste rotpaard dat ooit heeft bestaan!” klaagde hij over het ‘wilde’ dier: het beet, schopte en was ongehoorzaam. Toch mochten wij niet klagen: het beest droeg onze zware rugzakken met gemak naar beneden.

Onderweg naar Glod (EH)

In Glod kregen we onze rugzakken vol paardenharen weer terug. Er stond al een Roemeen te popelen ons een lift te geven. De duidelijk dronken man probeerde in noodtempo om de grootste op de weg geplaatste zwerfkeien heen te scheuren en slaagde hier ook goeddeels in. Zijn reisdoel was niet verrassend: de bar in het volgende dorp, Slătioara. Het was zondag. Iedereen zat in zijn netste trainingspak voor de deur en vroeg waar we heen gingen. Ze hielden ons meestal voor Italianen – een volk waarvoor uiterlijk erg belangrijk is. De mensen wilden met ons praten, met ons op de foto of dat we Jehovagetuige werden. Daarom ging het niet zo snel.

Buiten het dorp stopte de eerste auto voor ons. De Italiaan bezweek onder de druk van zijn Roemeense vrouw en gaf ons, vieze toeristen, een lift in zijn dure wagen. Vanaf de grote weg vertrok de bus naar Borşa vrijwel onmiddellijk, waardoor we een uur later alweer in Moicieu zaten. We waren zo vies dat ik me afvroeg of grote klonten oorsmeer hard werden als je ze lang op je vinger in de lucht hield. In 24 jaar had ik dat nog nooit geprobeerd. Voor de derde keer op rij stopte in het dorp de eerste auto om ons mee te nemen. Onze wandeltocht zat erop; vannacht zouden we in een hotel in Vişeu de Sus slapen. En voor het eerst in viereneenhalve dag weer eens kunnen douchen.

Elitaire toeristen
Hogerop

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*