13:08 North of Bucharest

Bucur – est. Mooi in het oosten, zou de amateur-etymoloog er misschien van maken. Eén oogopslag volstaat om deze herleiding te ontkrachten. Met bucur, het Albanese woord voor mooi, heeft Bucureşti niets van doen. De Roemenen hebben sowieso een hekel aan Albanezen – aan de andere kant, wie niet? – getuige de heftige discussies over Kosovo waar we later deze week deel aan mochten nemen. Nee, Bucureşti komt van het Roemeense woord bucurie, wat blijdschap betekent. En blij waren we, toen we om 13:08, ergens ten noorden van Bucureşti, eindelijk onze huurauto kregen.

Of de Daewoo Matiz het lange wachten waard was? Je kon het koekblik met je blote handen indeuken. En dat mochten we ook, want we hadden drie euro per dag extra betaald om voorzichtig rijgedrag af te kopen. Het was óf borg betalen en jezelf gedragen, óf drie euro per dag bij de prijs optellen en achteraf geen gezeik over krassen en deuken. Mooie service bij Autonom – het maakte het ons niet ophalen van vliegveld Baneasă weer een beetje goed. Ach, haast hadden we toch niet en het stelde me gelijk in de gelegenheid mijn Roemeens weer wat op te frissen. Na een gesprekje met een man van een ander verhuurbedrijf bracht hij ons hulpvaardig naar de plek waar hij na wat navraag het kantoor van Autonom vermoedde. Schuldbewust reed de verhuurder ons wagentje voor, om het contract op te maken en reeds aanwezige krassen en sterren op een formulier te noteren. Jongen, wat kan mij het schelen hoeveel krassen erop zitten als ik er zoveel op mag maken als ik wil?

Zo moet half Roemenië erover hebben gedacht. Het leek of elke bestuurder in Bucureşti van onze komst had gehoord en het nu op onze Matiz had voorzien. Toch mooi dus dat we de eer aan onszelf hielden en uiteindelijk eigenhandig een deuk in de achterklep duwden toen ik hem later die week dichtsloeg. Hoezeer ze ook probeerden, geen van de chauffeurs die stuk voor stuk een rijontzegging van enkele decennia hadden moeten hebben kreeg ons te pakken, en hetzelfde gold voor de gendarmerie. Eén op de drie auto’s in Roemenië – als het niet meer is – is namelijk een politieauto. Bittere noodzaak in een land met zoveel gekken op de weg. Sympathiek als de Roemenen zijn laten ze met lichtsignalen weten wanneer je vaart moet minderen, maar een bus met aanhanger die ons net met honderd kilometer per uur over een doorgetrokken streep had ingehaald op de bochtige bergwegen werd niettemin aan de kant gezet.

Roige kerels (EH)

Slaapverwekkend Wallachije, met zijn bloemenverkopende zigeuners langs de snelweg, hadden we toen inmiddels achter ons gelaten. Op de rivieren dreven ijsschotsen en we reden langs bevroren watervallen, maar vandaag was de koude van -20 °C alweer een week voorbij. Het was nu zowaar 15 °C, al hadden we daar in het donker en met de lenteregens die tussen Sibiu en Sebeş over de kronkelende wegen neerdaalden weinig lol van. In Alba Iulia gelukkig wel. De handschoenen en mutsen konden in de tas blijven toen we ‘s avonds buiten aten. Cristi, die we enkele jaren geleden drop voerden en Daciërs hadden zien opgraven, was blij ons weer te zien. Zo blij dat hij al de hele dag palinca had gedronken. Cristi had weinig tijd nodig om op dreef te raken. Misschien kwam hij uit mijn vorige verhalen al niet zo positief naar voren, omdat hij fan is van het Duitse leger uit de welbekende jaren ’39-’45. Niet omdat het nazi’s zijn, maar gewoon omdat het zo’n puik georganiseerd leger is. Nu klaagde hij over zijn oorlogsspel dat hij vandaag op de computer had gespeeld. Hij moest met de geallieerden spelen en had Duitsers neergeschoten, maar de Duitsers waren zijn vrienden!

De zorgen van de moderne Roemeen zijn anders dan tien, twintig jaar geleden. Al verlopen computerspelletjes niet altijd zoals ze willen, eten is allang niet meer problematisch. Cristi had ons een traditionele maaltijd beloofd, maar in plaats van in een karakteristiek restaurantje bevonden we ons even later in de lokale Kaufland. Enorme supermarkten verschijnen hier als paddestoelen uit de grond. “Kies maar wat je lekker vindt,” nodigde Cristi, die resoluut op de vleeswarenafdeling was toegestapt en zich aldaar voor een varkenskop had gepositioneerd, ons uit. “Lamsvlees en tomaten!”, antwoordde Eva beslist. Fout! Het goede antwoord was een barbecue van enthousiast gekruid varkensvlees en met wijn besprenkelde kip. Zonder groenten, maar met brood en palinca. We konden Cristi onmogelijk verwijten dat dit niet traditioneel Roemeens was.

Cristi sliep die nacht slecht. Niet zozeer doordat wij in zijn bed mochten slapen, maar doordat hij bij Mihai op de kamer lag. Het huis waar we logeerden, een voormalig bordeel voor degenen die het interessant vinden zoiets te weten, was van Mihai. Hij was net zoals Cristi archeoloog en gaf les aan de universiteit van Alba Iulia. Mihai moest de televisie aan hebben staan om te kunnen slapen, maar toen daar om vier uur ‘s nachts een cowboyfilm op begon werd Cristi wakker van alle vuurgevechten. Het duurde de volgende dag dus een tijdje voor hij op gang kwam. Omdat de lente inmiddels was begonnen (dat wist ik, want dat had ik op tv gezien) wachtten we buiten in het zonnetje.

Uiteindelijk was Cristi dan toch zover en gingen we per Matiz naar Bucerdea Vinoasă. Erg hard ging het niet, want er waren waterleidingen gelegd en de weg was nogal halfslachtig gerepareerd. Gevalletje half werk op z’n Roemeens. Vanaf Bucerdea Vinoasă zouden we Piatra Craivii beklimmen, de berg waar zich 2000 jaar geleden een Dacische nederzetting bevond. Niet alleen een plek waarop Cristi als archeoloog wilde promoveren, maar een deel van zijn leven. En ook van het onze, na een paar jaar geleden met het veranderende bos en het spookdorp nabij kennis te hebben gemaakt. Bomen die niet willen blijven staan waren nu niet zozeer het probleem. Eerst moesten we Bucerdea Vinoasă maar eens uit zien te komen.

Beneveld (EH)
Dat viel niet mee, want in dit dorp was Cristi een beroemdheid. “Hé! Cristi is gekomen!”, riepen de dorpelingen in de bar. Uitbundig handenschudden volgde. De oude man die de toko runde brak zijn maaltijd abrupt af om ervoor te zorgen dat Cristi en wij geen dorst zouden lijden. We werden meegetroond naar zijn wijnkelder, waar enorme houten vaten lagen te rusten. Heel veel verder hoefden we niet te rijden, maar toch. “In dit dorp ben ik de politie,” stelde de man ons gerust. Buiten tussen de kippen dronken we een rode wijn op keldertemperatuur. Een wijn speciaal voor vrienden, want hier maakte hij elk jaar maar 500, hooguit 600 liter van. Daarna moesten we een oude, witte wijn proeven, gevolgd door palinca die jaren lang op eiken vaten had gerijpt. Goud van kleur en beter dan whisky, aldus de Roemeen.

We reden tien meter en zetten de auto weer aan de kant van de weg. “Hier woont de slager,” legde Cristi uit. “Hij is beledigd als ik niet even bij hem langskom.” De slager – blond, blauwe ogen, snor en alpinopet – stond al paraat. Hij was net inderdaad ook in de bar. Opnieuw palinca, meerdere malen en uit eigen vaten. Eva hoefde niet, want vrouwen drinken wijn. Mannen niet, want dat is niet netjes. De slager verduidelijkte dit met een obsceen gebaar. Na de drank volgden slănină en grauwe worst. Hart, longen en nieren.

Voorlopig hadden we genoeg gedronken, met een twee uur durende beklimming in het vooruitzicht. De weg wilde niet langer onder de Matiz blijven liggen en glibberde alle kanten op. De modder leek het al snel van het autootje te zullen winnen. Takken en stenen vielen ons van alle kanten aan; de bodemplaat zat regelmatig aan de grond. We begonnen de remmen ook aardig te ruiken na het gemanoevreer over smalle richeltjes en grote keien. De weg, als je de modderplas zo mocht noemen, had gewonnen. We hadden nog niet geparkeerd of vier jongens met motoren en quads kruisten ons pad. Cristi reageerde direct en zodra het financiële aspect geregeld was, hadden we een rechtstreekse lift naar de herdershut bij Piatra Craivii te pakken. Eva achterop een quad, ik achterop een quad en Cristi achterop een motor.

Het ging snel. De quads waren sterk en het modderspoor vormde geen enkel probleem voor ze. De jongens hadden duidelijk rekening gehouden met minder ideale wegen en droegen helm en kleding die vuil mocht worden. Wij zaten al snel onder de modder. Bruine troep maakte de scheidslijn tussen schoeisel en voertuig ondefinieerbaar en plakte tegen voorhoofd, neus en in de haren. Maar het was beter dan lopen. Kale takken zwiepten rakelings langs onze gezichten, bruingele bergweiden zoefden aan ons voorbij. “Pas op, nu wordt de weg slecht,” waarschuwde de bestuurder na een tot dusver toch al niet saai te noemen ritje. “Welke weg?”, wilde ik daar nog tegenin brengen, maar bedacht me net op tijd en bespaarde me aldus een mondvol modder. Onder een onverantwoorde hoek daalden we de berghelling af. Niet veel later, met alle richtinggevoel uit ons gehobbeld, stonden we voor de herdershut in de schaduw van Piatra Craivii. De motorduivels dronken een biertje, rookten een sigaret, ploegden de bergweide nog even om met hun machines en verdwenen ronkend uit het zicht.

Moet de rugzak in de auto of de auto in de rugzak? (EH)

Het berghutje was tamelijk primitief. Vieze, stoffige matrassen, een tafeltje volgestouwd met de meest onmogelijke rotzooi, batterijen die in de zon lagen te drogen, scheefgezakte palen, stenen en golfplaten. Toen de kachel eenmaal brandde moest het raampje regelmatig open om koolstofmonoxidevergiftiging iets minder waarschijnlijk te maken. Daarvoor hadden we onze van de slager gekregen worstjes buiten op het kampvuur geroosterd, met een oneindige sterrenhemel boven ons. Terwijl uilen – de boodschappers van de dood in de plaatselijke folklore – de stilte af en toe doorbraken en het gras buiten de reikwijdte van het vuur langzaam bevroor, genoten wij van Piatra Craivii. Eenmaal binnen was het gedaan met alle positieve invloeden die de weidse omgeving op ons had. Cristi vertelde honderduit over hoe hij zich misdroeg tegenover vrouwen (behalve van het Duitse leger hield hij ook van ontzettend veel vrouwen), we speelden de Pedaalridders en dronken wijn en palinca terwijl zijn telefoon roodgloeiend stond dankzij de vele aanbidsters.

Het verschil tussen binnen en buiten kon niet groter. Bevrijd uit de zware dampen in de hut aanschouwden we een in nevelen gehuld dal. Aan de horizon ontwaarden we de besneeuwde Făgăraş. Zelfs in de bergen was het vandaag warm. In t-shirt beklommen we het laatste stuk naar de top van Piatra Craivii. In de winter, zo zonder begroeiing, waren de Dacische en middeleeuwse ommuringen duidelijk zichtbaar. Twee nieuwsgierige raven cirkelden boven onze hoofden, terwijl we uirustten tussen de molshopen. Blijkbaar waren de Daciërs niet de enigen die gek genoeg waren om bovenop zo’n steile bergtop te gaan wonen. Door kale boomgaarden liepen we een hele tijd later terug naar de Matiz. Het was een hele toer om ‘m weer in het dorp te krijgen, maar met Cristi en Eva naast het autootje lopend om aanwijzingen te geven (Cristi) en de omgeving af te speuren op de aanwezigheid van valse herdershonden (Eva) lukte het uiteindelijk.

Als bewonderaar van het Duitse leger en archeoloog die de Daciërs op handen draagt, verdenk ik Cristi er soms van een vieze nationalist te zijn. ‘Rămân Român în Europa’ en dat soort kwatsj (‘Blijf Roemeen in Europa’), dat je wordt toegeschreeuwd vanaf billboards langs de weg. Maar nee hoor – meneer bestelde nota bene een Heineken in de kroeg. Die beter smaakte dan de Nederlandse versie, dat mag gezegd. We dachten er het onze van, waarna hij voorstelde goulash te gaan eten. Tegen buitenlanders had Cristi dus niets. Hooguit tegen homo’s. Daar zouden ze een pakketje van moeten maken en ze dan allemaal naar Barcelona moeten sturen, citeerde hij de songteksten van hiphoppers Paraziţii lachend. Nee, alle gekheid op een stokje, tegen homo’s had hij ook niks. Maar als ie er een zag, zou hij hem wel graag op z’n bek slaan. De taxi was na afloop vlug gevonden. Eén op de drie auto’s in Roemenië – als het niet meer is – is namelijk taxi.

Cristi bleef ons verbazen. Na mij ‘s ochtends hartstochtelijk uit te hebben gelachen om mijn in zijn ogen te blitse American footballshirt, trok hij zijn glimmende, rode pyjamabroek met rozenmotief uit om weer bij ons in de auto te stappen. Cetea was de plaats van een andere Dacische nederzetting uit de oudheid. Drie kale rotsformaties keken uit over een anderszins lieflijke vallei. Ook hier hadden de Daciërs voor een majestueuze achtergrond gekozen om te bouwen. Tussen de verst van de weg gelegen toppen stortte een stroompje zich naar beneden. In de loop van miljoenen jaren had het de berg in tweeën gesleten. Nu restte, van onderaf gezien, een trap van zeven bovenmenselijk grote treden die omhoog zelfs voor durfals niet ver te volgen was. Zeker nu niet, nu het onderste deel van de waterval nog hard bevroren was. Durfals behoren bovendien tot een uitstervend ras. Afgelopen zomer was hier nog een dronken man de diepte in gelazerd. Het blijft een leuk volkje, die Roemenen. Al zijn ze nog zo eigenwijs. We namen afscheid van Cristi met een lunch in Ampoita, waar we appelflapjes aten die naar oliebol smaakten. “Maar dit zijn geen oliebollen,” verzette Cristi zich. Nee, dat weet ik, ze smaken alleen zo. “Maar het zijn géén oliebollen!”. Goed, jij je zin. Eigenwijzerik.

The Mouse that Roared
A fost sau n-a fost?

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*