Aanstootgevend gekleed op zoek naar UFO’s

Als al mijn andere toekomstdromen niet uitkomen, kan ik altijd nog dokter worden in Georgië. “Rust houden en sinaasappels eten.” Man, ik verzon creatievere adviezen tijdens de consulten die ik als kleuter in de poppenhoek gaf. Hoe ik mij als vijfjarige uitdoste moet ook ongeveer hetzelfde zijn geweest. Kapje voor de mond, elektriciënsdoos in de hand, bloeddruk opnemen en luisteren. Temperatuur opnemen, ho maar. Mental note: niks breken in de Kaukasus, want als dit tweetal hier een betrouwbare afspiegeling van de Georgische gezondheidszorg was, dan kon ik de ziekenhuizen hier beter mijden als de pest. Irina had voor de doktoren gezorgd en wilde ons in Tbilisi houden. Er zou vandaag een tweepersoons kamer vrijkomen, dus hier kon Eva lekker uitrusten.

Net als in alle Europese hoofdsteden rijdt er in Tbilisi verkeer rond. Helemaal rustig was het er niet en bij Irina sliepen al meer dan veertig gasten. Kwam bij dat de temperatuur hier ‘s middags een whopping 45 ºC bedroeg, zo begin augustus. Zou dit mijn meisje nou wel zoveel goed doen? Ik waagde het te betwijfelen en bedankte Irina. Liever namen we de militaire snelweg richting Noord-Ossetië om in de Kaukasus tot rust te komen. We waren niet de enigen met soortgelijke plannen: Helen, Sam, Rich en de Poolse Olga en Goscha wilden ook naar Kazbegi. Na schier eindeloos wachten op de gezette Goscha gingen we op zoek naar een busje voor onze groep. Het werden gewoon zeven plaatsen in een marshrutka, die grotendeels door ons gevuld praktisch een privébusje werd.

Na vriendelijk toegelachen te zijn door de Georgische marktvrouwen die Olga en mij zo’n innemend stel vonden, een beleefde mix van Georgisch en Russisch ten gehore brengend terwijl we fruit en koekjes voor onderweg kochten, reden we noordwaarts via Mtskheta. UNESCO hier, UNESCO daar, want na Ushguli onze tweede Georgische vertegenwoordiging op de werelderfgoedlijst. Waarom? Vanwege de verzameling blitse kerken die de oude hoofdstad telt. De marshrutka slingerde zich langs alle toeristische highlights in het stadje. De van oorsprong toch wat heidense kathedraal van Sveti Tskhoveli was sinds de afschaffing van zwevende, houten pilaren nu eenduidig christelijk. Bijna duizend jaar oud, maar wij hadden in Svaneti een kerkje uit de 3e of 4e eeuw gezien. Daar was trouwens niks aan. Heel simpel en klein ook. Deze was indrukwekkender, net als het geval op een heuvel boven de stad.

Exact zoals op de bierflesjes (JS)

Opdat we toch vooral “Oh!” en “Aah!” bleven roepen, leidde de militaire snelweg vervolgens langs de prachtige kerk van Ananauri. Fotogeniek gelegen aan een helderblauw stuwmeer waarvan het waterpeil van de Sovjets nog best wat hoger had mogen zijn. En hoger gingen we. Zo, hop, de Kaukasus weer in. Tentjes vol mutsen van schapenwol en ander bergspul waren al voor ons paraat gezet. Tijd om eens zo’n rare churchkhela uit te proberen dus. Bruine vleesloze worsten van noten, rozijnen en honing. Een vreemd rubberachtig gevoel en hooguit een sensatie van “Zo, dat hebben we ook weer gehad.” Hier begonnen de haarspeldbochten en die hielden voorlopig niet op. Een Sovjetreliek deed nog altijd dienst als panoramapunt. Nationalistisch bepropageerde betonrot – altijd nog beter dan de kapitalistische troosteloosheid van ski-oord Gudauri. Tientallen hotels in aanbouw; wat al af was stond leeg in deze poepvlek in het landschap.

De bergen rezen gelukkig nog altijd hoger en hoger, zodat Gudauri ras aan het zicht werd onttrokken. Hier lag nog af en toe vieze sneeuw. En af en toe een koe – het liefst in één van de tunnels. Daar werd dan ook niet doorheen gereden. De tunnels waren soms enkelbaans, meestal niet of nauwelijks verlicht en altijd vol stenen, kuilen of andere gevaren waar de aan zijn voertuig gehechte bestuurder liever verre van blijft. Slechts in de winter dreef de sneeuw automobilisten deze gapende openingen in de rotswand in. Wie weet wat je hier onder de aarde tegen kon komen. Er werden vreemde zaken waargenomen, hier in de ruige Kaukasus. Vliegende schotels, bijvoorbeeld. Vano zou er ons alles over kunnen vertellen.

Onze Engelse reisgenoten wezen ons in Tbilisi al op the place to be in Gergeti, iets boven het op 1797 meter hoogte gelegen Kazbegi. ‘A bed costs 10 lari (only 5 lari if Mum is away). Vano speaks several languages and is immensely helpful, but don’t get him started on UFO’s,’ luidde samengevat het commentaar in de Bradt gids. Lonely Planet wist daaraan toe te voegen dat Mum ‘a backgammon genius’ was. Chacha drinken en over ruimtewezentjes kletsen – dat leek ons wel wat. Sam en Rich waren vastbesloten Vano urenlang uit te horen en zich als vervelende Engelsen te gedragen. Wat een pech dus dat Vano èn moeder niet thuis waren. Het huis waar we door een andere vrouw werden binnengelaten was wel de moeite waard. Stalin nam samen met president Saakashvili en een playstation de meest prominente plaatsen in de woonkamer in. Stromend water hadden ze hier niet, boven het centrum van Stepantsminda, zoals de Georgiërs Kazbegi liever noemen nu er geen Russische tanks meer over hun (weliswaar door de Russen aangelegde) militaire snelweg denderen.

De reden om naar Stepantsminda te reizen is niet om twintig kilometer verder noordwaarts te trekken, naar een grensovergang die niemand passeert. Zo goed kunnen de Russen en Georgiërs het niet met elkaar vinden en de eerstvolgende grote stad, Vladikavkaz (‘Verover de Kaukasus’) heeft geen naam die hier snel verandering in zal brengen. Nee, naar deze plaats kom je óf omdat je een gekke Pool bent en de 5047 meter hoge berg Kazbek wilt beklimmen met je helmpje en je klimijzers, óf omdat je naar de Gergeti-kerk en/of -gletsjer wilt wandelen. En wij zijn geen gekke Polen. Olga en Goscha ook niet; misschien nog wel minder dan de Engelsen en ik. Terwijl Eva buiten op de veranda lekker uitrustte in de frisse berglucht, klommen wij naar de vierhonderd meter hoger gelegen kerk.

Al van ver zagen we de kerk van de heilige drie-eenheid als silhouet voor de afgeronde ijsco-top die Kazbek is. Volgens het handzame ‘Walking in the Caucasus – Georgia’ gidsje, konden we uit drie routes naar de Sameba-kerk kiezen: door een kloof langs de ruïnes van een uitkijktoren, een zandpad als langzame, eenvoudige weg, of iets er tussen in. Laatstgenoemde twee waren veel eenvoudiger dan de eerste. De Engelsen en ik kozen dus voor de steile weg omhoog, waarmee wij de tocht van twee uur in drie kwartier dachten te kunnen volbrengen. Olga en Goscha kozen het zandpad, na even te hebben uitgeblazen in Gergeti.

Enorme, bont gekleurde rupsen bevolkten de stekelige planten naast het paadje dat langs een bergstroom omhoog klom. Helen leek over de conditie van een marathonloopster te beschikken. Ik hield haar met moeite bij; Sam en Rich puften een stuk onder ons. Het pad werd allengs minder duidelijk en vertakte in een labyrint van schapenpaadjes over de eroderende bergflanken. Hoog boven me zag ik de toren van de kerk. Toch de gids er nog maar eens op naslaan: ‘… take one of the several paths up…’ Juist ja. “Zullen we dan maar?”, vroeg ik aan Helen. Vol Engelse zelfoverschatting vond ze dit een puik plan. Zo te zien had haar lichaam op de ons ten doel gestelde drie kwartier gerekend, want al snel was het gedaan met haar moordende tempo. Zelf had ik de smaak net te pakken. In één rechte lijn omhoog en ik voelde me goed. Rich deed mee, Sam en Helen waren al snel niet meer dan kleine stipjes ver onder ons in het hoge gras.

Het werd steeds leuker. Van een pad was allang geen sprake meer, maar de kerk kwam dichterbij. Het laatste stukje was wat lastig. Een hellend vlak van kiezelstenen en stukken leisteen scheidde Rich en mij van de ommuring rond Sameba. Na het pad verdween nu ook ons houvast in de vorm van graspollen. Ons zwaartepunt zo dicht mogelijk bij de berghelling positionerend balanceerden we behoedzaam omhoog. Elke stap die we omhoog zetten, gleden we er weer twee omlaag. Dit kon wel eens lelijk eindigen in een lawine van zand, grind en leisteen. We veranderden onze tactiek en besloten de aardverschuiving te outrunnen. Rennend op het nu enthousiast schuivende vlak kwamen we langzaam dichterbij ons doel. We trokken inmiddels aardig wat bekijks. Achter de muren had zich een groep toeschouwers verzameld die verbaasd de diepte in tuurde. Wie waren die malloten die onder hen met veel kabaal en rennend de helling beklommen? En bovenal: hoe liep dit af?

Sameba kerk (JS)

Nou, goed dus. Na een geweldige inspanning bereikten we nieuwe grassprieten, trokken ons in veiligheid en klommen op de muurtjes rond de vijver van de monniken. Teleurgesteld droop de verzamelde menigte af. Zwetend boven de koikarpers tuurden we in de diepte. Arme Sam en Helen. Vanaf hier zagen we trouwens ook de route zoals we die hadden moeten nemen. Een toch wat grotere lus. Een kwartier later bereikte het tweetal ons, met een tot ongezonde hoogte opgejaagde hartslag. “Well, if anything, it wasn’t tedious,” hijgde Sam. Na zichzelf herpakt te hebben was het weer aan de Engelsen om zich, wel, als Engelsen te gedragen. Zo vaak krijg je tenslotte niet de kans je op 2170 meter hoogte te misdragen. We liepen waar we niet mochten komen, foeterde een boze opzichter en de kerk mochten we zo ook niet in. Rich en ik zagen er veel te sexy uit. Onze blote benen dienden we te bedekken met lange zwarte rokken, waarna we al helemaal niet meer serieus werden genomen.

Sameba was een Georgische kerk volgens het boekje. Weinig opsmuk, op naast de deurpost gebeeldhouwde handgranaten na – of wat het ook mochten zijn. Lullig kegelvormig dakje erop; niks meer aan doen. Maar wat een locatie. Steunend en puffend kwamen ook de Poolse dames hiervan genieten, waarna we uit deze aan hogere wezens gewijde plaats afdaalden op weg naar Vano’s stekkie. Het eten voor ons en een stel dikke Canadezen was al bijna klaar. De kelder, behangen met eveneens aan hogere wezens gewijde tekeningen, deed dienst als eetkamer. Het donkere hol hing vol met Vano’s levenswerk: op elke tekening prijkten vliegende schotels aan de nachtelijke hemel. Reden voor Eva en mij om na een met ruime hoeveelheden bier uit classy petflessen voorziene maaltijd onder dezelfde Kaukasushemel de nacht door te brengen.

De volgende ochtend hadden Olga en ik wel zin in een beetje actie. We trokken er om acht uur opnieuw als stel op uit om vers fruit en brood te halen. De rest had beduidend minder zin in deze nieuwe dag. Tweeëneenhalf uur later volgden er eindelijk tekenen van leven. Dit ging bij de Engelsen vergezeld van een minutieus uitgewerkt plan. Ze zouden vandaag de hele dag bier gaan drinken bij de rivier. Lopen was niet echt hun ding. Hoe verleidelijk dit opzetje ook klonk, we bedankten vriendelijk en gingen kalmpjes aan ons weegs richting Sameba. Dit keer met Eva. Samen met Olga en Goscha liep ze naar de 14e eeuwse kerk waar de weg op een plateau splitste en ik het pad naar boven koos, naar de Gergeti-gletjer op een kleine 3100 meter hoogte.

Het weer zag er niet veelbelovend uit, maar aangezien ik in m ‘n eentje liep kon ik met kwieke tred omhoog. De weg kon niet simpeler: ik hoefde de bergkam maar te volgen, terwijl de kerk achter me steeds kleiner werd en het uitzicht op de bergen om me heen steeds weidser. Na een tijd verdween Sameba helemaal uit het oog en was ik alleen met de hoger en hoger rijzende bergtoppen, de bloemen, champignons en vliegende mieren. Tot twee keer toe werd ik overvallen door een regenbui, maar als je de eerste keer al te eigenwijs bent om terug te keren, ben je hier de tweede keer nog minder snel toe geneigd. Misschien had ik toch een regenjas mee moeten nemen. Maar ja, when the going gets tough, hè? Na een paar uur bereikte ik een salotsave, een heilige plaats. Bij de grote stapel stenen vond ik beschutting tegen de regen. In de verte was de gletsjer nu zichtbaar: hier zat ik al bijna op drie kilometer boven zeeniveau.

Het landschap werd hier steeds desolater en leek ook steeds minder aards. Hier groeide niets meer, tussen de rotsen en het puin. Hier voelde je je klein. Stevig doorstappend in deze stenen wereld stond ik opeens voor een wild kolkende modderrivier. Een brug was nergens te bekennen. Wel hoopjes netjes opgestapelde stenen aan mijn kant – en aan de overkant. Dit was de route, maar er was geen denken aan om hier het water over te steken. Ik zocht stroomopwaarts, maar hoewel de markeringen alomtegenwoordig waren, leek de rivier een letterlijk onoverkoombaar probleem. Tot ik ineens twee wandelaars aan de overzijde zag. Het duurde lang, maar uiteindelijk waagde één van hen de sprong. Mooi, nu kon ik de weg vragen.

Gergeti gletsjer (JS)

Het zat me alleen niet mee. Regenbuien, een razende bergstroom en nu bleken deze wandelaars ook nog doofstomme Israëliërs te zijn. So much for de weg vragen. Een spelletje hints later (maar goed dat ik geoefend had) wist ik dat de rivier gisteren slechts twee handen diep was, maar dat het slechte weer de terugtocht voor de doofstommen had afgesneden. Althans, voor één van hen, die nog stond te stuntelen aan de andere kant. Drie kwartier na op het water te zijn gestuit vond ik dan toch een plek waar de gladde stenen op een iets acceptabelere springafstand van elkaar lagen. Ik was erover – weer terug was van later zorg. Nu eerst de weg vinden, want die was ik dus kwijt. En dat bleef ik ‘m ook. Overal lagen stenen op elkaar, maar in de kou en wind op deze onherbergzame hoogte zou ik de gletsjer nooit bereiken.

Gezien de tijd leek het me verstandiger Eva niet al te zenuwachtig te maken. Ik begon aan de afdaling van 1300 meter, zag achter me de wolken uiteen gaan om me toch eenmaal in het zonlicht Kazbek in volle glorie te tonen en haalde de doofstomme toeristen in. Eindelijk waren ze over de vijandige rivier heen. Het dalen duurde lang, maar ik hoefde het hoogteverschil van vier keer Nederland op elkaar gestapeld niet in één ruk af te leggen. Vlak onder de kerk werd ik toegeroepen door een groep jongeren. Of ik even wilde komen. Na uitgehoord te zijn moest ik meloen met ze eten en wodka uit plastic bekertjes drinken. Drie bekertjes leek me ruim voldoende na acht uur lopen en ik bedankte voor de op het kampvuur bereide vis. Niet netjes om zo met gastvrijheid om te gaan, maar ik wilde weten hoe mijn vriendinnetje het maakte.

De Georgische jeugd had trouwens hun volgende gasten al gespot, maar deze twee Duitse homo’s hadden zo te zien minder met sterk alcoholische drank op dan ikzelf. Dan liep ik tenminste een stuk niet alleen. Ik had “ein schönes Holländisches Akzent, wie Rudi Carrell,” mijmerden de Duitsers. Ja, dat was een gestorven stukje jeugd van ze. Ik moet die kerel toch eens googelen. Hoe je met gesprekken als die dit tweetal voerde kon overleven in een macholand als Georgië was me een raadsel. Zelf maakten ze zich meer zorgen over de hoogte. Het viel niet mee, ademhalen op 2000 meter hoogte, verzuchtte één van hen. Ik had er een kilometer hoger geen last van, had een wilde rivier bedwongen en het weer in het gezicht uitgelachen. Trots op mezelf stootte ik mijn hoofd tegen het ijzeren hekwerk om Vano’s huis, waar Eva al klaar zat om me uit te lachen.

De politie, extreem goed van vertrouwen
De grond was er vast goedkoop

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*