Aardige Russen? Dáár lezen we niks over in de krant!

Auto’s werden hier dus aan de lopende band gestolen? We konden het ons nauwelijks voorstellen met het wagenpark buiten hotel Usadba. Elk vehikel hier was een veelvoud waard van onze inmiddels nogal stoffig ogende Golf. Die Russen verdienden behoorlijk wat knaken, getuige de glimmende auto’s voor het vlekkeloze, Pruisische landhuis. Alles was hier in 19e-eeuwse stijl ingericht. Dure tapijten in de foyer en op de trappen. Muzikanten leukten de boel in het sjieke restaurant op. Koperen wastafels en brokaat waar je maar keek. Bij de inrichting was niet op een roebel meer of minder gekeken. Usadba was zo te zien wat boven onze stand. Zo’n stukje erboven in de trant van de afstanden die we op de eerste wegwijzer in Rusland hadden gelezen. Zelfs na een douche en in een nog schone spijkerbroek en t-shirt kon ik de schijn niet hooghouden. Niet met die prijzen op de menukaart.

Dat hotel Kaliningrad zo traag was met zijn prijzen voor het hoogseizoen konden we nu slechts toejuichen. Niet alleen genoten we in Usadba van een welhaast obscene luxe, Orlovka lag ook nog eens buiten de drukte van Kaliningrad en haar periferie, op de weg naar Zelenogradsk. Na niet voor dag en dauw, maar wel voor alle Russen te zijn opgestaan (een stuk eenvoudiger, al staat het brood dan nog niet klaar aan de ontbijttafel – who cares als de bananenpannenkoekjes al wel in ruime hoeveelheden voorradig zijn?), hoefden we alleen de bordjes met de lange plaatsnaam die met een 3 begon te volgen. Een scheet voorbij deprimerend Zelenogradsk begint namelijk de Kurshkoya Kosa, een schoorwal volgens het boekje. Voor wiens parate kennis op aardrijkskundig vlak niet meer is wat die geweest is, of dat nog wel is, maar desondanks geen belletje hoort rinkelen bij het begrip ‘schoorwal’: een schoorwal is een soort vastgegroeid waddeneiland. Op deze manier is er een barrière van duinen opgeworpen tussen de zee en het echte ‘vasteland’, een eindje verderop.

Kurshkoya Kosa (EH)

In het geval van de Kurshkoya Kosa een indrukwekkend rijtje duinen. Het natuurgebied strekt zich 98 kilometer uit, tot ver over de grens met Litouwen. Ook de heren en dames van UNESCO vinden het een bijzonder gebied. Op geen enkel punt zijn duinen, naald- en moeraswoud meer dan vier kilometer breed; bij Lesnoye scheidt slechts 400 meter schoorwal de Oostzee van de Kurische lagune. Zo’n dertig tot vijftig kilometer achter de schoorwal begint dan het vasteland van Kaliningradskaya Oblast’, al is dat daar nog helemaal niet zo vast; eerder drassig. Bevers, wilde zwijnen, elanden – het zit er gelijk. Op vijftig kilometer weg voor de Litouwse grens kom je maar drie dorpjes tegen. Hier had hotel Overlook kunnen staan, schoot me bij ontvangst van de informatiebrochure aan het checkpoint waar een militair ons liet passeren te binnen. De gelijkenis met de kaarsrechte weg door de naaldwouden met de verlaten slingerende weg in Stephen Kings The Shining was unheimisch.

Na 32 kilometer parkeerden we de auto bij de Molenaarshoogte. Al die tijd waren we niet meer dan één verfomfaaid dorpje, een verlaten ogend ‘toeristenstation’ en een gesloten vogelringpost tegengekomen. De Russen die al op waren gestaan waren zo te zien ook de Russen die hun dag verder weg zouden beginnen, want auto’s reden er wel. De Molenaarshoogte was de plek waar het allemaal begonnen was: hier lag ooit een eiland in de Oostzee. Zand dat het leuk vond bij een eiland te horen ging hier zolang mee door dat het de eigen doelstelling uiteindelijk voorbij streefde, toen het eiland op de plek waar nu Zelenogradsk ligt aan de kust vastgroeide. Aan teken en hagedissen geen gebrek; voor wie hier niet van kan genieten was er altijd het uitzicht nog. Vanuit twee uitkijktorens – een stevige en een gammele – was er enerzijds het uitzicht over het Meeuwenmeer, met in de verte daarachter Rybachy en de lagune; anderzijds het afwisselend donkergroen door de naaldbomen en frisgroen door de berken gekleurde bos dat overging in zandduinen en tenslotte daarachter de Oostzee.

Enkele Russen hadden hun wodkaroes inmiddels uitgeslapen en kwamen de bomen waar ze zich zo goed mee konden identificeren uitlachen. Bij buitenlanders stond het bekend als het Dansende Bos, maar de lokale bevolking wist wel beter. Deze wild kronkelende, scheefgegroeide en af en toe duidelijk de weg naar boven kwijt zijnde bomen vormden samen het Dronken Bos. Het mooiste was dat er geen druppel wodka aan verspild was, want de rupsen van Rhyacionia buoliana (de dennenlotvlinder) zorgden voor de jolige bochten in de naaldbomen. De beestjes vraten zich hele gangen door de stam van de boompjes, die daardoor niet langer recht omhoog konden groeien.

Zelfs de bomen zijn er dronken (EH)
De dag was nu ook voor de Russen officieel begonnen. Ze hadden nog vrij ook, op die dag tussen 1 mei en het weekend. Hele hordes, ja busladingen, waren er afgereisd naar Epha’s Hoogte, vlakbij Morskoye. Wij lunchten liever aan zee, waar en masse naar amber werd gezocht in de getijdenpoelen. Eva vond ook drie stukjes. Na televisiebeelden van tussen ijs en sneeuw zwemmende Russen was ik een beetje uit het veld geslagen dat ik hier de enige was die er in zijn zwembroek stond. Dat de Oostzee nauwelijks merkbaar dieper werd uit de kust, zo koud was dat ze er bij Jägermeister jaloers op zouden zijn en dat er geen vrienden waren om in een ongemakkelijke positie te manoeuvreren door er haastig in te duiken, hielp natuurlijk niet. Zelfs Eva begon mijn talmen beu te worden, wist na het voelen van mijn kuiten waaraan alle warmte onttrokken was niet goed of zij dan degene moest zijn die me over de streep moest trekken, waarna ik er dan toch maar in dook. Zo vaak heb je tenslotte niet de kans in de Oostzee te zwemmen.

Buiten het water was het een stuk drukker, maar het uitzicht vanaf Epha’s Hoogte over uitgestrekte duinhellingen en voorbij Morskoye over het Zwanenmeer mocht er dan ook zijn. Het was na vier wandelingen, een frisse duik en de rit tot vlakbij de grens alweer wat later op de middag geworden. Tijdens onze laatste wandeling dacht ik dat ik een hert hoorde. Onzin, volgens Eva. Het was niet de tijd van het jaar voor hertengeburl. Toch een eland dan? Het in de reisgids beschreven museum van Russisch bijgeloof was helaas nergens te vinden. Hier had vooral Eva erg naar uitgekeken. In plaats daarvan zouden we nu naar het voormalige kuuroord Svetlogorsk rijden. Onderweg pikten we een liftster op. Anja sprak een paar woorden Engels, maar haar nichtje Irina bakte er meer van. Anja woonde in Pionersky. Niet ver van Svetlogorsk, dus we brachten haar even thuis. Hamers en sikkels hadden we al meer gezien langs de kant van de weg, maar Pionersky deed er qua sovjetgevoel nog een schepje bovenop.

In haar appartementje in een betonnen flat die een uitstekend hulpmiddel zou zijn voor wie op commando wil leren huilen, kregen we soep en wat te eten van Anja. De twee dames hadden best zin om mee te gaan naar Svetlogorsk. Poepjedure hotels, op jacht naar nostalgische Duitse toeristen die zelf hun jeugd in Rauschen (ja, je dacht toch niet dat de Pruisen dit stadje Svetlogorsk hadden genoemd?) hadden doorgebracht, maakten het hier tot een oord voor de rijken der aarde, al kwam het wat zielloos over. Gelukkig hing er een mist over de strandpromenade, leek de enorme zonnewijzer voor de hoog naar het centrum oprijzende, stenen trappen nu wat misplaatst en ruiste er een zachte motregen over de door welgestelde Moskovieten gebouwde vakantievilla’s net buiten het voor deze regio erg levendige centrum.

Vergane glorie (EH)

Anja en Irina kenden de weg in Svetlogorsk. Hier waren ze opgegroeid en hier gingen ze uit. Niet in Kaliningrad, waar het ook voor studenten en gewone Russen niet al te relaxed was in de discotheken. Het probleem was niet de maffia, volgens de twee. Wij vertelden over ons Russische gangsterbeeld, voornamelijk afgeleid uit de cultfilm Brat. Kaliningrad zou best wel eens de gevaarlijkste stad van Europa kunnen zijn, dacht Eva. “Welnee joh, da’s Moskou,” stelde Irina ons gerust. Ze kon het weten, want haar broer studeerde er en had haar rondgeleid. Maffia, autodiefstal – zo’n vaart liep het hier allemaal niet. Racistische moorden, dat was de reden waarom je niet uit moest gaan in Kaliningrad. Vooral personen van Centraal-Aziatische afkomst waren slachtoffer van racistisch geweld. Zoals gezegd, niet relaxed. ‘s Zomers gingen ze liever naar de datsja om met de hele familie te feesten en te drinken. Of met vrienden aan zee. Bij deze waren we van harte welkom. Ja, het leven was niet zonder meer geweldig in Rusland, maar toch zeker ook niet slecht, concludeerden Anja en Irina.

Veel meer onderhoud met de ‘gewone Rus’ zat er voor ons niet in, want de volgende ochtend vertrokken we alweer richting Polen. Opnieuw voor de Russen actief werden, want de lange rij voor de grensovergang en de op internet circulerende griezelverhalen over wachttijden van zes uur en meer omdat de douaniers liever voetbalden maakten dat we ons voorbereidden op het ergste. Tot dusver lukte ons plannetje aardig, want op de brede snelweg naar de grens reed geen kip. Die weg leidde dan ook wel naar de grens, maar niet zoals de borden beweerd hadden naar een grensovergang. Ineens hield de brede weg op. Stop, stond er. Verder niets. Er zat niets anders op dan om te keren. Iets terug had ik een bord met ‘Mamonovo – 8 km’ gezien, dus over een abominabel modderpad vol kuilen hobbelden we naar een andere, meer begaanbare weg. We hadden een half uur nodig voor deze acht kilometer. Tot zover de tijdwinst van het vroege opstaan.

Het omhooggeschudde chagrijn (de gebakken kwarktaart van het ontbijt in hotel Usadba bleef gelukkig wel op zijn plaats) verdween echter als bij toverslag toen er geen rij voor de grensovergang bleek te staan. Probleemloos reden we na een korte paspoortcheck naar de Poolse douaniers. We sloten aan achter een Pool, wiens auto van onder tot boven uit elkaar werd geschroefd. En hij had niet eens bagage bij zich. Soms loont het om geen Pool te zijn. Op verzoek van de douanier openden we de kofferbak. “Laat maar eens zien wat er in die tassen zit,” nodigde hij ons niet geheel vrijblijvend uit. Een liter wodka in mijn tas, een liter wodka in die van Eva. En nog wat halve liters bier. Ik drink graag Baltika. “Rij maar door.” Goh, dat ging snel. Anderhalf uur later stonden we al in Gdańsk, waar ik de auto mooi in het centrum parkeerde. Van deze Hanzestad was wat meer overgebleven dan van Königsberg. Zutphen in het groot, volgens Eva. De Mariakerk, welke in de verte wel wat had van de Zwarte Kerk in Braşov, stak als Sarumans toren dreigend boven de stad uit. De Grote Molen en de zwarte, houten Kraan (aangedreven door menselijke tredmolens) maakten Catan, eh, Gdańsk, tot een fotogeniek middeleeuws stadje. Industrie was toen nog best leuk.

Gelukkig begon het te regenen en wemelde het er van de toeristen. Lang wilden we namelijk niet blijven, want vanaf Gdańsk was het nog best een eindje rijden naar huis. Door het landschap van de Windows-background (weet ik ook eindelijk waar die foto gemaakt is – en Coen maar denken dat het Ierland is!) reden we westwaarts. Wat is Polen ontzettend groen in de lente. Overal bossen, groene velden, heuvels en akkers. Autorijden was hier een waar feest. Maar goed ook, want in Szczecin wilden we bij nader inzien toch niet overnachten. Hoertjes flaneerden nabij camping Lambada, waar op een neo-nazi na verder niemand te zien was. De klink van het hek had ik in de hand, maar de deur zelf gaf niet mee. Van algen groen uitgeslagen caravans boden inspiratie voor de beginnende horrorregisseur. Op camping/jachthaven Marina was het niet veel beter. Ook hier was het prostitutie wat de klok sloeg. Dan maar in één ruk doorrijden. Kaliningrad was dan geen levensgevaarlijke schurkenstad gebleken; dat betekende nog niet dat we het gevaar dan hier maar op moesten zoeken. Nee, dan toch liever in Moskou. Of ergens anders in Rusland, want de Russen waren ons alles meegevallen. Daar moeten we nog eens vaker heen.

El orfanato
Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is in ieder geval niet Teutoons, Pruisisch of Duits

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*