Achterstallig onderhoud & openstaande rekeningen

Na Frank nog eens verslagen te hebben met Catan gingen we zaterdag naar kasteel Peleş. Deze keer werd ik niet ziek en zag dus ook de wapenverzameling bij de ingang voor buitenlanders en de Arabische pronkstukken in een andere zaal. Mişto! Maar ook het schaatsenrijden met de stoffen schoentjes over de gladde vloeren van het paleis was de entreeprijs al dubbel en dwars waard.

Moe van alle pret besloten we te gaan voetballen. Met onze knalgele nep-Fila bal gingen we naar het betonnen, door hoge hekken omgeven veldje bij ons in de straat. Paulien en ik speelden tegen Frank en een klein brutaal Roemeentje van twee turf hoog, Dudu, die ons er alle drie met gemak uitspeelde. Tegenover technische begaafdheid stelden paulien en ik, zoals altijd, oerhollandse lompheid en nadat ik de bal in het gezicht van Dudu had geschopt kwamen we van 5-0 terug tot 5-3.

Hai, Olanda! (EH)

De bal is rond en dat heb ik geweten ook. Mijn gebrek aan balcontrole leidde ertoe dat ik na een duw van Frank met een voet op de bal belandde, wat in een fraaie zwieper resulteerde. Heel mijn handpalmen lagen open, dus Eva zal na ruim drie maanden nog eventjes geduld moeten hebben voor een massage. Om de onjuistheid van een zeker spreekwoord aan te tonen stootte ik me even later aan dezelfde steen door het kunststukje te herhalen. Deze keer zonder hulp van anderen. Mooi, hebben we die jodium tenminste ook niet voor niets gekocht. Daarna sprong chauffeur Ion tevoorschijn en speelden we Nederland – Roemenië, drie tegen drie. Het publiek was op onze hand (“Hai, Olanda!”) en door samen te spelen verloren we pas in de verlenging met 4-3 van de individueel sterkere macho-Roemenen.

Tijd voor een hapje, en daarna naar de disco. Dan was die week namelijk met zijn studenten in Sinaia, en ze vonden het nodig de Blue Angel disco met een bezoekje te vereren. Marius uit Brasov was er ook eens geweest, en had er het bloedigste gevecht waar ie ooit bij was gezien, dus “waarom niet?”, dacht ik.

Ik kende helaas alle liedjes, maar lichtpuntje (letterlijk en figuurlijk) waren de Roemeense dellen die zoveel mogelijk witte kleren droegen om op te vallen onder de blacklight, en dan nog het liefst een witte bh die vaag oplichtte vanonder de rest van de kleren. Maar op een gegeven moment heb je dan ook zoiets van ‘over vier en een half uur moeten we opstaan om de trein te pakken’ en dan is het tijd om er een eind aan te breien en je spulletjes voor twee weekjes Donaudelta te pakken.

Meer dan anderhalf uur zal ik niet hebben geslapen, maar desalniettemin was de stemming de volgende dag monter. Omdat de trein waar Eva met de groep JNMers (Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie) in zou zitten niet in Sinaia stopte, zouden we eerst naar Ploieşti reizen om daar op de goeie trein te stappen. Toen ik de wagon zocht waar onze plaatsen waren (Frank en Paulien liepen een stukje achter mij, omdat Frank net een enorme boterham met kaas en groenten had gesmeerd en uiteraard nog niet op had), zag ik ineens Joost Vogels vrolijk zwaaiend uit het raam hangen. Nu zaten we wel met het probleem dat we geen kaartjes tot Bucureşti hadden.

Helaas voor de lezer maar fijn voor Fiepke zullen nu niet langer alle belevenissen jullie ongecensureerd bereiken, want eindelijk was het heuglijk weerzien met Eva daar. Dus toen was het mooi kusje handje vasthouden bijpraten, en als donkerrijpe kers op de slagroomtaart (Joost was immers bij ons) konden we in de trein onze kaartjes tot Bucureşti verlengen voor 97.000 lei per persoon. De conducteur had niet terug van 300.000 lei, dus gaf hij ons een briefje van 100.000 terug. Ook mooi.

Eva, Joost, Annelies en Wouter waren geloof ik wel in hun nopjes met de mededeling dat ik het hele kamp zou blijven en als niet-JNMer liet ik niet na van begins af aan mijn stempel op het hele gebeuren te drukken. Al snel werden de reisplannen dan ook gewijzigd en zouden we in plaats van naar Galaţi rechtstreeks naar Tulcea gaan. Na in Bucureşti te hebben vernomen dat de trein waar ons oog op was gevallen niet reed en talloze taxichauffeurs, een kerel van het Elvis Hostel en andere slaatjesslaanders nee te hebben verkocht, regelden we een oude schoolbus die ons voor fl. 15,- de man naar Tulcea reed.

Het was dorstig weert en dus was het al tijd voor het tweede biertje nog voor we aan het avondeten begonnen. Hier bleek al dat ik het Roemeens meer machtig was dan de rest van de groep. Waar anderen flesjes bier aanwezen las ik op de kaart dat getapte halve liters van hetzelfde merk bijna de helft goedkoper waren. Ook in het restaurant moest ik voor tolk spelen, wat niet betekende dat alles op rolletjes verliep. Het personeel, wat uit maar liefst twee dames bestond,was niet gewend klanten te hebben op zondagavond – 23 personen was voor hen dan ook iets te veel van het goede. Het was echt niet onze bedoeling om ze te laten stressen, maar op een gegeven moment is het bier op, en, zoals ik al zei, het was dorstig weert.

Hierna besloot de helft de plaatselijke disco te bezoeken, terwijl de rest het wel mooi vond na de lange reis. Eva en ik werden vergezeld door Judith, een biologiestudente uit Leiden die ook Oog des Meesters speelt en waar we het al snel goed mee konden vinden. Na een paar slokjes rodepeperwodka waren we de Roemeense hiphop, rock en liedjes waar ik geen noemer voor kende wel weer beu en noemden ook wij het een dag.

De Ganges - eh - Donau (JS)

Omdat het zo heet was dat je kleren meezweetten kwam zo’n beetje wodka nog best hard aan en besloten we het de dagen daarna wat rustiger aan te doen. Kennis die we eigenlijk met derden hadden moeten delen, zo bleek dinsdagnacht. Maar daarover straks meer, dus lees vooral door. Na een ontbijt met uitzicht op de Donau brachten Eva en ik een bezoek aan het Danube Delta Research Institute. Verder heb ik weinig aan mijn studie gedaan die tien dagen (de boog kan niet altijd gespannen zijn), maar dat lag niet helemaal aan mij.

Om een uur of twaalf maakten we kennis met de groep Roemenen die met ons mee zou gaan. Ze waren over het algemeen jonger, een stuk minder zelfstandig en initiatief konden ze vast niet eens spellen. Er was een probleem met de camping in Crişan (volgens hen), dus werden de plannen omgegooid en pakten we de boot naar Sulina, aan het eind van de Delta aan de Zwarte Zee. Onderweg zagen we een hele zwik pelikanen, zilverreigers, zwarte ibissen en scharrelaars. Ik moet toegeven dat vogels kijken hier, in tegenstelling tot in Nederland, best leuk was. En dan hadden we die dag de hop, kwak en het woudaapje nog niet eens gezien. Kun je nagaan.

Eenmaal in Sulina was het na een robbertje voetbal met twintig kilo bepakking (vonden de Roemenen raar) hop naar de Zwarte Zee. De twee kilometer lange, verlaten weg over een grassteppe leidde langs een kerkhof waar schijnbaar nog een hoop Engelsen en andere buitenlanders lagen – een herinnering aan de tijd dat Sulina een belangrijke haven was. Na de komst van het Donau-Zwarte Zeekanaal was de stad in verval geraakt; roestende scheepswrakken herinnerden deze plaats aan het einde van de wereld aan betere dagen. Het verlaten en wat naargeestige strand stond dan ook in schril contrast met de grote Roemeense badplaatsen.

It shall be sausage to me
Dat je het maar weet

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*