Al even lelijk en chagrijnig

De afdaling naar Višňové was net zo steil als we verwacht hadden. Net op tijd bereikten we de kartonnen doos langs het spoor, die na toevoeging van een bord met daarop ‘Višňové’ tot treinstation was gepromoveerd. Net op tijd om onder het lekkende golfplaten dak te schuilen voor de hoosbui; niet net op tijd voor de trein. Eerlijk gezegd hadden we geen idee of die vandaag nog langs zou komen, en zo ja, hoe laat dan wel. Trein- en bustijden zijn op de meeste haltes namelijk als papieren velletjes aangeplakt. En aangezien de Tsjechen en zoals nu bleek ook de Slowaken van nature strontvervelende volkjes zijn, hebben ze de plezierige gewoonte deze papiertjes weg te scheuren of onleesbaar te maken met anti-buitenlandse leuzen.

Uiteindelijk kwam er een treintje langs, maar dat ging wel de verkeerde kant op. En aangezien het halve Slowaakse treinnet uit enkel spoor bestaat wisten we dat we hier voorlopig nog niet weg waren. De rest van de reis ging wat voorspoediger, alhoewel Eva tegen het einde een behoorlijk Tsjechisch gezicht trok. Toen we vanuit Višňové in Nové Mesto nad Váhom aankwamen konden we zo op de trein naar Žilina stappen, waar we de bus naar Vrátna in de Malé Fatra namen.

Schoenendoos gerecycled als treinstation (EH)

Vrátna was niet echt een dorpje, maar een chaletachtig hotelletje, drie huizen en een stoeltjeslift aan het einde van een vallei. Als de bus dan na vijf kilometer de vallei ingereden te zijn een doodlopend punt bereikt en omdraait, is de logische reactie: einde van de rit, uitstappen. Toch? Dus ik doe logisch en zeg tegen Eva dat we er zijn. Toen we uitstapten en op de kaart keken (ja, wat een giller hè, dat deden we toen pas) was Eva op z’n zachtst gezegd niet blij. We moesten namelijk nog zo’n vijf kilometer met bepakking bergop door de regen ploegen. Ik zag er zelf de humor nog wel van in, maar we waren allebei toch wel opgelucht toen we in Chata Vrátna eindelijk konden douchen. Hier zouden we twee nachten in een lelijk houten kamertje met te korte bedden verblijven. Maar het was niet duur.

We stonden vroeg op om onszelf een dagje wandelend te vermaken. Hoe vroeger we van de partij waren, hoe meer we de drukte aan de kassa van de stoeltjeslift zouden ontlopen, hadden we beredeneerd. Na een half uur in de rij gestaan te hebben kreeg ik eindelijk twee kaartjes enkele reis naar boven van de chagrijnige kassamiep. Voor we achteraan sloten in de slakkengang naar de lift ontbeten we eerst van het met moeite bij het restaurant van Chata Vrátna losgepeuterde brood. Met daarin verwerkt een overdosis kummel. De Tsjechen en Slowaken mogen dan bij hoog en laag beweren twee totaal verschillende landen te zijn, ook op broodbakgebied was hier weinig van te merken. Waar je in Nederland alleen antroposofisch verantwoorde Eko-trutten blij zult maken met een boterham met kummel, zouden de Slowaken zweren dat Jan en alleman ervan gediend is. Wat dus niet zo is. Deze keer was ik dus aan de beurt om een Tsjechisch gezicht te trekken, want voor een hele dag wandelen is het ontbijt nog steeds de belangrijkste maaltijd van de dag.

Na deze beschimping van onze smaakpapillen sloten we achterin de rij vol lelijke koppen die ook allemaal te lam waren om naar boven te lopen. Waar het leeuwendeel alleen naar boven ging om even van het uitzicht te genieten (het was nog altijd bewolkt en regenachtig) of het resterende half uurtje naar Chleb af te leggen, verlieten wij eenmaal boven zo snel mogelijk de drukke paden om de rustigere route naar Chata pod Chlebom te verkiezen. We liepen inmiddels door dichte mist en hadden nog geen twintig meter zicht. Tot zover de fabuleuze uitzichtpunten waarover werd gerept.

Is er dan geen gangbare route? (EH)

Vanaf het chaletje maakten we kennis met een typisch Slowaaks wandelpaadje. Hoewel deze knakkers volgens verhalen en legenden veel van wandelen houden en dan ook nog eens met name in hun bergstreken, hebben ze absoluut nul komma nul verstand van het uitzetten van gangbare routes. We konden telkens kiezen uit drie door waterstromen uitgesleten modderbanen. En denk maar niet dat er ook maar één een beetje zigzaggend naar beneden liep. Waar we ons in het verleden aan de Roemenen ergerden omdat die telkens waar het even kan (of niet) het pad verlaten om een shortcut te nemen door zo steil mogelijk een stuk van de route af te snijden (en hierdoor even snel maar minder uitgerust bij het eindpunt aankomen), kan dat in Slowakije geeneens.

We hadden het een paar jaar geleden nooit verwacht, maar blijkbaar hebben de Roemenen heel wat meer gezond verstand dan sommige andere volkeren. Veel goede woorden hadden we in ieder geval niet over voor de modderglijbanen waarover we met vallen en opstaan naar beneden tuimelden. Waar het niet steil was stroomde wel een beekje dwars over/door het pad of stonden de brandnetels manshoog. Uiteindelijk ben ik maar één keer gevallen en Eva helemaal niet, maar die ene keer was wel goed raak. In mijn val probeerde ik mij nog aan een boom staande te houden, maar hierdoor veranderde ik alleen van richting. Plat op mijn gezicht gleed ik over de stenen naar beneden, daarbij elleboog, arm, heup en ribben open schavend. Normaal gesproken lach je later om zoiets, maar dat was die avond onder de douche niet het geval.

Mooi pad, lastig pad (EH)

Opgestaan van mijn val zag ik dat we ons bij een schitterende waterval bevonden, waar ik mooi het bloed uit mijn wonden kon wassen. Na vier uur wandelen stonden we in het dorp Šútovo. Met het openbaar vervoer naar Vrátna was geen doen, dus stond er nog een pittige beklimming op het programma. Het laatste deel daarvan was volgens Eva net té pittig: het laatste uur klimmen was langs een met een liniaal uitgezet pad. In de winter deden ze hier recht naar beneden skiën. Dat vinden ze hier trouwens op wel meer plaatsen leuk om te doen. In de Malé Fatra, nota bene een nationaal park, vind je in totaal achttien kabelbanen, ski- en stoeltjesliften.

Gelukkig was daarvan degene waarmee we gekomen waren om half zeven nog in bedrijf, want hoewel gesterkt door een kop bonensoep (Eva) en een glas bier (ik) in een chalet vol ongure gezichten met baarden, was een saaie afdaling langs diezelfde stoeltjeslift naar Chata Vrátna niet echt iets waar we op zaten te wachten. Na zo’n lange dag wandelen hadden we wel honger, dus koos ik in het restaurant voor een regionale specialiteit. Dat doen wel meer toeristen in de streek waar ze op vakantie zijn, maar slechts weinigen vragen zich af waarom deze gerechten alleen plaatselijk zo bekend zijn. Het antwoord werd me al snel door de humorloze ober geserveerd. Het grijsgekookte, uitgebluste stuk vlees met bot op een bedje van vormeloze knoedels en witte kool was al net zo treurig en grauw als het weer vandaag was. Eva trof het beter met haar kalkoen, overgoten met gesmolten kaas en versierd met ananas. Niet Slowaaks, wel vrolijk en smakelijk.

Groter, dus beter
Bloed aan de muur

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*