Antiperistaltisch ritje

De mensen in Gjirokastër hadden nog nooit een meisje met zo’n grote rugzak gezien. Misschien kwam het door die voortdurende bemoeienissen – toch veelal goedbedoeld – dat Eva geen zin had in fratsen. Gewoon een bus naar Përmet – een echte autobus. Ik dramde door en even later zaten we in de minibus naar Tepelenë bij een chauffeur die er een dubbele agenda op na hield. Onderweg werd van alles verkocht en ingekocht, tot ons aan een beboste bergweg verzocht werd uit te stappen. De bus (een echte autobus) naar Përmet stond ons keurig op te wachten.

Door de vallei van de Vjosa, met aan onze rechterhand de droge toppen van de Dhëmbeli Nëmerçka, voerde de bus ons via een verlaten weg over smalle metalen bruggen. Partizanenstad Përmet lag hoog boven het heldere water van de Vjosa, waarin zwemmers zich op de stroom honderden meters lieten afzakken. Vanaf de enorme stadsrots keken we uit over de kloof waarin de rivier kronkelde. Op die rots komen was makkelijker gezegd dan gedaan. De gammele trappen maakten een beklimming met zware rugzakken toch een spannende onderneming. Met z’n tweeën tegelijk op de trap durfden we niet.

Hier heeft niemand haast (EH)
Op de kei na was Përmet nogal tam. Een lelijke moskee, een plein waar Hoxha vast trots op was geweest en een parkje waar opa’s in de schaduw van boompjes van de rand van de stad naar beneden keken. Opa’s die beweerden dat liften niet werkt in Albanië. Ja, die kenden we inmiddels. Twee plaatselijke broers met een gare wagen reden ons een stuk verder zuidoostwaarts tot het dorp Draçova. We waren vlakbij de minuscule grensovergang tussen Albanië en Griekenland bij Perati; een grens die niemand in deze contreien graag over wilde steken. Openbaar vervoer passeerde deze weg eenmaal daags in beide richtingen. En steden waar mensen heen gingen of van terugkwamen waren er ook al niet.

Wat er wel was was een oude man met – alweer – een gare wagen. Hij had vandaag blijkbaar niets zinnigs te doen en bood ons een lift aan naar een plaats waar hij volgens ons anders helemaal niet heen had gehoeven – Leskovik. Dit stuk Albanië bood een desolate aanblik. Kale bergwanden, diepe ravijnen en de zon als enige metgezel. Na een bocht slingerde het weggetje terug het binnenland in, weg van Griekenland. Na ons afgezet te hebben in Leskovik draaide de oude man zijn autootje om en tufte terug in de richting waar we vandaan kwamen. “Toeristen! Toeristen!” riepen enkele kinderen vanuit het dorp. Ook in het café leek men geen buitenlanders gewend en de bazin bediende met een stralende lach. Leskovik intrigeerde doordat er een weg door het dorp de bergen in liep. Een weg die niet op onze kaart stond.

Toch hadden we onze pijlen gericht op een nog kleiner dorp: Shalësi, aan de rand van de Gramoz. Er werd ons een dure taxi aangeboden waarvoor we vriendelijk bedankten om Leskovik te voet te verlaten. Honderd meter buiten het dorp wachtten we aan de doorgaande weg – zonder verkeer – op een lift. Iedereen die hier passeerde moest wel helemaal doorrijden tot Korçë, of tenminste tot Ersekë. Daarvoor lagen enkel gehuchten aan de weg.

Een lilliputter vroeg ons waar we heen gingen. Het manneke was nog niet half zo groot als ik. Uitkijkend over de paarden die op een fletsgeel veldje langzaam voort sjokten vertelde ik dat we naar een klein dorpje wilden. Het maakte niet eens zoveel uit welk dorpje. De lilliputter wilde wel helpen maar van elke auto die voorbij sjeesde zei hij: “Die blijft hier.” Dat was ook zo, want om voor ons onduidelijke redenen draaide de auto dan honderd meter verderop om, om Leskovik weer binnen te rijden.

Zuid-Albanië (JS)
Uiteindelijk stopte er een naar het buitenland geëmigreerde Albanees voor ons. Hij had geen idee over welk gehucht we het hadden, maar als we erlangs reden was het prima. De normaliter al niet al te luxe Albanese wegen werden er hier in de bergen niet subtieler op. Blijkbaar hadden de haarspeldbochten, die onze chauffeur fel aansneed, een antiperistaltische uitwerking op de jongste telg aan boord. Het kind vomeerde dat het niet meer mooi was en voor je ‘pap’ kon zeggen lag precies datgene verspreid over de hele achterbank, de vrouw van de chauffeur en gezicht en kleren van de kleine. Toen was het huilen geblazen.

En we hadden nog heel wat bochten te gaan. Je werd er helemaal dol van, waardoor we Shalësi pardoes voorbij reden zonder het ooit gezien te hebben. “Nee joh, daar ben je al voorbij!” vertelde een landarbeider in de berm ons. Het was de eer van Albanezen te na hun gasten (en daar vallen lifters ook onder) niet naar hun doel te brengen, maar met moeite wisten we de chauffeur ervan te overtuigen dat het volgende dorp ook zou volstaan. Het werd dus Barmash en daar kregen we geen spijt van.

We lieten de drie huizen aan de weg voor wat ze waren en daalden tussen de ezels, steenhopen en doornstruiken af naar een klein meertje. Op een heuvel achter dit meertje lag het ‘centrum’ van Barmash. Kinderen hadden de taak gekregen met vee naar het water te gaan om het te laten drinken en waren nieuwsgierig naar de vreemde gasten in hun dorp. Aarzelend draalden ze op veilige afstand in het zompige gras, maar hun verlegenheid was niet opgewassen tegen onze koekjes. Eén voor één kwamen ze dichter bij onze tent. Toen ze hun angst overwonnen hadden vroeg ik hen of we hier mochten kamperen. No problemo.

Een boer kwam me even later halen en nam me mee naar een sluiproute door dicht struikgewas. Daarboven ontsprong een bronnetje waar we onze flessen met helder bergwater konden vullen. Trots liet hij me de oogst op zijn velden zien en drukte me een berg groente in de handen. Even later kwam de ardei goed van pas toen we met zeven man publiek voor ons tentje kookten. Niet alleen de kinderen hadden zoiets nog nooit gezien. Ook de boer, zijn vrouw en een bij de kinderen passende moeder lieten zich door de taalbarrière niet van ons brandertje verjagen. Mijn reptielenboek was een enorme hit bij de jongens; ons hele doen en laten bij de gemoedelijke bevolking van Barmash.

Van 35.000 naar een paar honderd zielen (JS)

Na de tussen schuttingen en erven ingeklemde paadjes van Barmash bewandeld te hebben was onze volgende plattelandsbestemming Voskopojë. Een geval van vergane glorie waar ik graag mijn 26e verjaardag wilde vieren. Net als ikzelf had Voskopojë zijn beste tijd immers al achter de rug. Vroeger was het een van de, zo niet dé grootste stad op de Balkan, met meer inwoners dan Sofia en Athene. Van 35.000 inwoners was de stad gekrompen tot enkele honderden personen. De 24 kerken verkeerden in verschillende stadia van verval.

Voor we Voskopojë bereikten hadden we tussen Ersekë en Korçë nog heel wat antiperistaltisch werkende bochten te gaan. Het duurde niet lang of de helft van de personen in de bus was aan het kotsen. Een korte stop om wat frisse lucht in te kunnen ademen deed ons goed. Eenmaal in Korçë vroegen we in een café de weg, waarna de jonge ober zijn werk liet liggen en met ons dwars door de stad liep op zoek naar een bus naar Voskopojë. Die was er geen, maar de jongen kende mensen die er met een busje vol meloenen, ander fruit en drank heen reden.

We waren niet de enigen die van de alternatieve taxi gebruik maakten: twee in Londen wonende Australiërs, Anna en Simon, zaten al in het busje. Na Frankrijk, Italië en Malta probeerden ze nu eens een ander stukje Europa uit en hadden de oversteek naar Albanië gewaagd. Als ze geweten hadden dat het zo vet was hadden ze de rest van Europa gelaten voor wat het was, vertelden ze.

Over de brede, met door de tijd gladgesleten stenen belegde straten liepen we Voskopojë binnen. Het was nu een dorp, maar oogde als een verlaten stad. Veel te groots en te mooi bedoeld voor het aantal bewoners dat het dorp nu telde. In de eerste kerk die we vonden konden we onze bagage achterlaten. We waren de enige bezoekers, maar niet voor lang. In een bar verderop in het dorp vroeg een Franse toerist de weg naar de kerk waar we net waren geweest. Oei, daarvoor had hij eigenlijk iemand nodig met richtingsgevoel èn kennis van de Franse taal. Die hadden we geen in onze groep. Eva sprak wel Frans en wilde het dus proberen, maar dit kwam de Fransoos op heel wat extra meters te staan.

Zij zijn groot en ik ben klein (EH)
Buiten Voskopojë lag een klooster in de bossen. Een picknickend mannenkoor hief met luide stem een traditioneel Albanees lied aan. Terugwandelend met Anna en Simon bespraken we de reisplannen van de Australiërs. Ze werkten in het onderwijs en hadden dus vaak vakantie. Hun werkgevers wisten nog van niets, maar ze hadden alweer plannen genoeg. Bij mij was het net andersom. Mijn werkgever had plannen, maar ik wist van niets. Op dat moment had ik geen idee dat ik acht dagen later voor de klas zou staan.

Het lukte ons niet alle kerken van Voskopojë te traceren (ik denk dat we tot een stuk of vijf zijn gekomen), maar de volgende kerk zat vol Fransen. Er was net een toerbus gearriveerd en één van de toeristen vertelde dat er een Nederlands sprekende man in de groep zat. Een Belg. “You can take him if you want. It’s quite allright,” fluisterde de man ons met moddervet Frans accent toe. De Belg maakte zoveel foto’s dat hij ze na zijn vakantie aan elkaar zou kunnen plakken om als film af te spelen. Zijn medereizigers werden stapelgek van hem.

Het verblijf van Anna en Simon in Albanië zat er alweer bijna op. ‘s Middags verlieten ze Voskopojë, waarna wij een kampeerplek zochten. Vlakbij een kerk, een stuk buiten het dorp, vonden we een redelijk vlak grasveld. Overal in de omgeving stonden stenen muren en restanten van menselijke bebouwing – stille getuigen van een groter Voskopojë uit lang vervlogen dagen. Een uitstekende locatie om de drukte van grote steden als Korçë en Tiranë nog even voor ons uit te schuiven en te genieten van het uitgestrekte heuvellandschap. Hiep hiep hoera voor vergane glorie.

Vlieg nooit met Alitalia
Het ruikt hier naar cultuur

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*