Besneeuwde eilanden met huisjes van Lego

Theo keek me raar aan. “Naar Zweden?!” Zelf had hij in zijn leven heel wat afgereisd – tot Afghanistan aan toe en ook Zweden had hij in zijn reeds lang voorbije jonge jaren aangedaan. Destijds vast niet in geruite blouse, want de reisverhalen van de baas klinken avontuurlijker dan zijn hedendaagse voorkomen. Theo was liftend naar Scandinavië getrokken, maar dat het dagelijks leven daar bepaald niet goedkoop was, was hem niet ontgaan. “Jij als directeur hebt vast hetzelfde probleem,” legde ik de situatie uit. “Ik weet met mijn fulltime baan van gekkigheid niet hoe ik m’n geld op moet krijgen.” Reeds voorzien van fiets en breedbeeld-tv koos ik in de Krokusvakantie voor een andere aanpak: op vakantie.

Aanradenswaardig logeeradresje (EH)

Hoewel ik de baas zag denken “Wacht maar ventje, tot jij je studentenappartement wordt uitgetrapt en een echte woonruimte moet betalen,” beaamde hij mijn zorgen te delen. Zelf zou hij een nieuwe laptop aanschaffen, maar Zweden vormde ook een legitieme optie om je van overtollige financiële armslag te ontdoen. Zo dacht ik er althans over toen ik met nog drie werkdagen voor de boeg mijn vakantie-invulling bedacht. Scandinavië was erg koud, erg metal en de natuur beloofde er ook fraai te wezen.

Het noorden trok me al van kinds af aan. Vooral de koude onherbergzaamheid van IJsland en Groenland, maar Zweden leek voor een korte reis als deze een prima begin. Al snel botsten we op de eerste tekortkoming van Scandinavië: in vergelijking met Oost-Europa bracht Zweden veel meer geregel met zich mee. Waar we in het oosten van dag tot dag leefden moest in het winterse noorden alles tot in de puntjes uitgezocht worden. Tijdens de koudste maanden van het jaar was er veel gesloten, waren recepties van hostels slechts één uur per dag open en dienden treinen bij voorkeur op voorhand geboekt te worden. Met andere woorden: de spontaniteit werd volkomen uit het reizen gehaald en na het impulsieve boeken van de vliegtickets zagen Eva en ik ons genoodzaakt onze hele reis van dag tot dag te plannen.

Langs verregende, oranjebruine bossen bereikten we de verlaten barakken die vluchthaven Niederrhein sierden. Het was een mistroostige, grauwe dag en we waren blij dat we deze droefenis halsoverkop mochten verlaten en verruilen voor een besneeuwd Stockholm Skavsta. Erg koud was het er niet, maar we hadden al begrepen dat Zweden, mede dankzij een warme golfstroom en dat soort zaken, nooit zo koud werd als men misschien zou verwachten, behalve wanneer men in de eerste plaats al tamelijk milde temperaturen verwachtte. Bij een paar graden onder het vriespunt maakten we de slechts tachtig minuten durende busreis van Skavsta naar het centraal station in Stockholm. Om ons heen niets dan rode, houten huizen met witte kozijnen in het eindeloze witte landschap, tot we ruim voor aankomst in de industriële zone rondom de Zweedse hoofdstad belandden.

Opa Pettson (EH)

Het was te merken dat we noordelijk zaten, want het werd in Zweden zo eind februari vroeg donker. In Stockholm was het letterlijk een koud kunstje om Skeppsholmen, één van de 24.000 eilanden waar Stockholm Skargård uit bestaat, te vinden. Het was opvallend hoe weinig mensen je in het donker op straat zag, terwijl de Zweedse hoofdstad toch driekwart miljoen inwoners telt. Skeppsholmen was met een brug met het vasteland (tenminste, ik ga er gemakshalve maar van uit dat het nieuwe centrum van Stockholm op ‘vast’ land geplempt is) verbonden. Over de houten planken bereikten we hostel Vandrarhem af Chapman. Een kajuit op deze driemaster was relatief best betaalbaar, maar je moet er rekening mee houden dat er ook Fransen op zo’n boot kunnen overnachten en dan doe je geen oog dicht.

‘s Avonds verkenden we Gamla Stan op de eilanden Stadsholmen en Riddarholmen. Hier ontstond de stad in de 13e eeuw voor het door een netwerk van bruggen met steeds weer andere eilanden in verbinding kwam te staan. De traditionele bouwstijl van Gamla Stan keerde ook op andere plaatsen in Stockholm terug. Nergens zagen we saaie, grijze hoogbouw. Openbare gebouwen leken op woonhuizen, maar dan in het groot. Alsof er met Legoblokken gewoon wat extra verdiepingen op waren gezet, compleet met spits dak en opvallende kleuren. De gele en rode gebouwen gaven Stockholm een dorpser en vooral speelser aanzien, maar net zoals in de Legosteden uit mijn jeugd ontbraken de shoarmatenten.

Je moest goed zoeken om tussen de souvenirwinkeltjes met blauwgele shirts en elandknuffels eetgelegenheden te ontwaren. Alles wat zich in de nauwe steegjes had weten te nestelen ging ons budget in veelvoud te boven. Fastfood was nergens te krijgen en het is helaas geen pretje om met een hongerige Eva rond te sjokken. Op zo’n moment is het net alsof ze in een wolf verandert – erg slechts gezelschap. Dan toch maar snel terug naar het gedeelte van het hostel dat tegenover ons bootje lag, waar het bier erg duur was maar het bord goedgevuld.

Dat het bier zo duur was viel me, ondanks de waarschuwingen in de reisgids, zwaar op de maag. Twee dagen voor ons vertrek won Zweden de gouden medaille bij het ijshockey op de Olympische Spelen. Daar deze fraaie sport in Scandinavië ongekend populair is had ik er half op gerekend dat het bier een hele week lang gratis zou vloeien. Maar helaas – de hufters hadden het feestje maandag al gevierd en de overwinningsroes had alweer plaats gemaakt voor een venijnige kater. De bierprijzen waren nu weer terug op het oude niveau – zo ze al tijdelijk verlaagd waren geweest, natuurlijk.

Pakhuizen van Lego (EH)

Me uitrekkend voor de patrijspoort mocht ik me de volgende ochtend verheugen over neerdwarrelende sneeuwvlokken. De Legohuizen aan de overkant van het water gingen schuil achter een bewegend gordijn van witte spikkels. Stockholm is een soort labyrint met veel mogelijkheden om nat te worden; ook zonder sneeuw die zich vrolijk op je muts verzamelt. Ik had trouwens zo’n muts met van die kleppen voor je oren, want die vind ik gaaf. Zolang je de kade blijft volgen kom je vroeg of laat wel bij het eiland waar je naar op weg bent. In ons geval Djurgården, waarvan ik op dat moment echt niet doorhad dat het gewoon ‘dierentuin’ betekent.

Dat het bier in Zweden duur is weerhield Eva er niet van een weddenschap met me aan te gaan. Over welke kant we op moesten nota bene! Mopperend moest ze al snel toegeven dat openluchtmuseum Skansen toch echt aan onze linkerhand lag, maar in de witte winterpracht kun je nooit lang blijven mopperen. Glijdend over spekgladde paadjes bereikten we de ingang van het uitgestrekte park. Tsjongejonge wat was alles toch rustig in Stockholm. In één van de grootste attracties van de Zweedse hoofdstad was het al niet anders.

Skansen stond niet alleen vol oude gebouwen uit verschillende Zweedse regio’s, maar ook vol heuvels waardoor je nog minder mensen zag dan de weinige bezoekers die het park die ochtend telde. Langs houten boerderijen waar vrouwen bij het haardvuur handwerk verrichtten, rode huizen voor welke een oude man (een soort opa Pettson) buiten een kampvuur probeerde te ontsteken en Russisch ogende, bolle kerktorens bereikten we het gedeelte van het park waar Scandinavische dieren gehouden werden. In een enorme kuil draafde een wolf door de sneeuw. De dieren hadden hier veel meer ruimte dan ik ze in een Nederlandse dierentuin gehad heb zien hebben (oe, mooie zinsconstructie!).

De beren zaten in winterslaap en de wolven, lynxen en wisenten waren wel leuk, maar het kekste dier was met stip de veelvraat, de ADHD-patiënt van het dierenrijk. Geen moment stond het agressieve, op rendieren beluste dier stil. Als de Tasmaanse duivel uit de tekenfilms maakte de veelvraat hupjes op de plaats en tolde rondjes om zijn as om weer naar een ander gedeelte van zijn territorium te huppelen. Geen plek in zijn witte leefwereld was nog niet gemarkeerd met pootafdrukken in de sneeuw.

En dat was voor ons wel weer genoeg wat Stockholm betreft. Voor een stad best aardig, maar wij verkiezen het platteland boven de stad en gingen naar het drie uur ten noordwesten van de hoofdstad gelegen Siljan-meer. We verruilden de verzamelde monumenten en Vikingstenen van Skansen voor een meer authentieke omgeving, te beginnen met de van binnen met hout beklede treinen waarmee we door de Zweedse bossen zoefden. Als ze van Zweden een Catanversie zouden maken zou de kaart uit louter bostegels bestaan. Maar nu was niet alles groen – alles was wit. ‘s Middags begon het weer te sneeuwen.

Monopolie, maar dan met alcohol
Ring of the Nibelungs

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*