Betoverende façade (deel 1)

‘Happy journey’ lezen we op de boog waar we onderdoor rijden. En, iets verontrustender: ‘Good luck!’ Drieëneenhalf uur duurt de grensovergang van Kazachstan naar Oezbekistan. In al die tijd zien we niet meer dan één auto voor ons het land in rijden. Een rij had ik niet verwacht. De grenspost staat in onze reisgids beschreven als een ‘extremely remote desert outpost’. Qo’ng’irot, de eerste plaats van betekenis aan de Oezbeekse kant van de grens, ligt ruim 320 kilometer verderop. We staan dan ook raar te kijken als we na urenlang op een eenzame, stoffige weg te hebben gereden plotseling overal bedrijvigheid om ons heen zien. Oude vrouwen verkopen zonnebloempitten en wodka, Oezbeekse telefoonkaarten worden aangeboden en een dubieuze man vraagt of we zijn paspoort misschien hebben gevonden. Nadat ik instem met een illegale wisseltransactie en een aanzienlijk pakket bankbiljetten vanonder een jas verstopt krijg aangereikt, horen we dat we nog wel een uur of vijf in de rij zullen staan.

“Wij staan hier al sinds gisterenavond,” vertellen twee vrachtwagenchauffeurs uit Kaliningrad me. Ik ga maar eens netjes vragen of we misschien wat eerder mogen, zodat onze kinderen niet zo lang hoeven te wachten in de woestijn. De enigszins verbaasde Kazachse douaniers bellen hun baas, waarna ik met onze paspoorten door het hek mag dat achter me weer zorgvuldig wordt gesloten. Een gesprekje later ben ik degene die zich mag verbazen. De Kazachen hebben er geen bezwaar tegen. We rijden de rij wachtende automobilisten voorbij en opnieuw gaat het hek, dat verder hermetisch gesloten blijft, voor ons open. Na het zien van ons Nederlandse kentekenbewijs wordt er een superieur bijgehaald. Hevig vloekend op zijn bril, het zwakke licht in zijn kantoor en de computer registreert hij ons. De bus wordt amper een blik waardig geschonken en door een volgend hek rijden we Kazachstan uit.

Maar dan ben je er nog niet. We zijn de enigen die achter het Kazachse hek nog in de rij voertuigen passen. Tijd om eens te kijken hoe sympathiek de Oezbeken precies zijn. Weer loop ik langs een muurvast staande rij, waar chauffeurs naast hun auto’s in de modder en op gebroken flessen wachten in de brandende zon. Grappig, Nederlanders, denken de Oezbeekse douaniers. Ze houden de rij die Kazachstan in wil tegen, loodsen ons om alles en iedereen heen en hop, we zijn aan de beurt om onze paspoorten te laten controleren. Na een grondige inspectie van onze bus aan Oezbeekse zijde, het bekijken van alle foto’s op onze memory cards en het afsluiten van de wellicht verplichte autoverzekering rijden we de autonome republiek Karakalpakstan in.

Karakalpakstan voelt als het einde van de wereld. Woestijnen strekken zich uit in alle windrichtingen: in het oosten tot Bukhara, in het zuiden tot Ashgabat in Turkmenistan, in het westen tot de verlaten kusten van de Kaspische Zee en in de noordelijke steppe is het Russische Orenburg de eerste plaats van betekenis. Dat de Sunday Times de republiek beschreef als ‘The worst place in the world’ is misschien overdreven, maar wel begrijpelijk. Van de visrijke wateren van het Aralmeer is weinig meer over, droogte zorgt al jarenlang voor misoogsten, een groot gedeelte van de bevolking leeft van $25 per maand en door residuen van bestrijdingsmiddelen die vrijkomen uit de droogvallende bodem van het Aralmeer neemt het aantal luchtweginfecties de laatste jaren schrikbarend toe.

Bij een checkpoint registreert de politie onze namen in een ruitjesschrift. Er komt geen computer aan te pas. Na ruim 180 kilometer over een verschrikkelijke weg bereiken we eindelijk het eerste dorp aan de Oezbeekse zijde van de grens. Er is niets in Jasliq, op een beruchte gevangenis na en nadat we wat dollars hebben gewisseld rijden we door. Op straat geld wisselen is illegaal, maar aangezien we hier 620.000 Oezbeekse som krijgen voor onze $100 nemen we de risico’s voor lief. Banken hanteren de officiële wisselkoers en geven je 300.000 som. Trouwens, een bank is er niet in Jasliq. Het duurt niet lang voor we de wet in dit land een tweede maal overtreden: toeristen mogen alleen overnachten op door de staat gecertificeerde locaties, maar het dichtstbijzijnde hotel bevindt zich in Nukus, de hoofdstad van Karakalpakstan. In het donker doorrijden op deze wegen is vragen om problemen en in de schemering parkeren we de bus zo goed mogelijk uit het zicht om tussen honderden zwermende libellen te kamperen.

Tsjernobyl en de nucleaire testlocatie Semipalatinsk worden meestal als eerst genoemd wanneer het over de milieu-erfenis van de Sovjet-Unie gaat. Het is Karakalpakstan niet veel beter vergaan. In de havenstad Moynaq liggen scheepswrakken langzaam weg te roesten op het zilte zand. Moynaq is geen havenstad meer. Een deerniswekkend restant van het Aralmeer bevindt zich negentig kilometer verderop. Een restant waarvan de zoutconcentratie zo hoog is, dat er geen enkele vis in kan overleven. De 10.000 vissers die Moynaq ooit telde zijn werkeloos. Alleen de politie draait overuren. Vanaf een duin roepen ze dat we ons moeten registreren.

Omdat de tankstations in het westen van Oezbekistan geen diesel verkopen, moeten we rondvragen. Mannen bellen vrienden, vrienden bellen weer andere vrienden en uiteindelijk worden we naar een huis gestuurd waar een Oezbeek een aantal jerrycans uit zijn kelder tevoorschijn haalt. “Echte Turkmeense diesel,” verzekert hij mij. Het klinkt als een aanbeveling. Vreemd genoeg worden we niet eens afgezet: we betalen 3500 som (€0,60) per liter; aan de pomp wordt verder naar het oosten 3600 som gerekend. En wisselen doen we nergens tegen zo’n gunstige koers als in Karakalpakstan.

Om acht uur ‘s avonds bereiken we, na drie volle dagen rijden, eindelijk de oasestad Khiva. Een nagenoeg intacte, middeleeuwse slavenstad, gevreesd en gehaat tot in de wijde omtrek. De meest afgelegen stad van de Zijderoute, waar duizenden Russen en Perzen zwoegden in slavernij, waar de ogen van gevangenen werden uitgestoken en waar mensen levend werden gevild. Tegenwoordig is Khiva een levende museumstad waar een huis kopen onmogelijk is: in de oude binnenstad zijn de staat en UNESCO even machtig als de khans uit lang vervlogen dagen. Eigendom van onroerend goed wordt binnen de familie doorgegeven aan jongere generaties. Voor het uiterlijk en onderhoud van de gebouwen bestaat strikte regelgeving. Er zijn bezoekers die klagen dat Khiva te gepolijst is; niet meer dan een keurig onderhouden museum in de woestijn. Maar de totalitaire bemoeienis en daarmee gemoeide beperkingen voor de duizenden inwoners, die voor het regime niet meer dan pionnen zijn, maken de stad misschien wel tot een oprechtere belevenis van de oude khanaten dan Bukhara en Samarkand.

Ons hotel bij de Qosh Darvoza, de dubbele stadspoort, is eveneens een familieonderneming. Geld wisselen is in de grote toeristensteden van Oezbekistan geen probleem: we geven onze dollars af bij de receptie, worden in de stad uitgenodigd om een verjaardag mee te vieren, drinken de nodige theekopjes gevuld met wodka mee, wachten tot de elektriciteit in de stad weer wordt aangezet en halen een plastic tas vol bankbiljetten op. Aangezien het briefje van 1000 som (ongeveer zeventien eurocent) het meest gangbare biljet is, zit de tas aardig vol. Wie een hotel boekt in Oezbekistan doet er overigens verstandig aan niet vooraf te betalen. Omdat hotels dollars die op hun rekening worden overgemaakt bij de bank tegen de officiële koers moeten wisselen, rekenen ze vaak het dubbele van wat een kamer je met illegaal gewisselde som kost. Zelfs het Oezbeekse bankpersoneel raadt je af om bij hen te wisselen.

Indrukwekkende stadsmuren van modder omgeven het Ichon Qala, de oude binnenstad. Achter het sierlijke en ingewikkelde houtsnijwerk van de zware stadspoort ligt een labyrint van stoffige steegjes. Hoezo gepolijst? De trappen die omhoog leiden naar de stadsmuren missen delen van treden, hopen puin liggen tussen de lemen muren van vervallen huizen en een walm van verrotting komt ons tegemoet uit een slagerij. Bij de madrassa’s in de buurt van de Polvon Qori, de hoofdstraat tussen de westelijke en oostelijke stadspoorten, zijn de gebouwen beter onderhouden en zwelt de stroom bezoekers aan. Oezbeken overtreffen de toeristen uit andere landen in aantal. Voor hen zijn wij een bezienswaardigheid. Veel Oezbeken willen met Ilva, Rune of mij op de foto. De kinderen worden getrakteerd op verse moerbeien, gesuikerde pinda’s en snoepjes. Vooral op de bazaar, net buiten de stadsmuren, komen we maar langzaam vooruit. De museumstad komt hier abrupt tot een einde. Souvenirstalletjes met Chinees speelgoed maken plaats voor stoffenwinkels, groentekraampjes en schoenmakers; een krioelende mensenmassa verdringt de structuur en orde van het Ichon Qala. Dit is het echte Oezbekistan.

Aan het begin van de avond wordt het snel rustiger in de binnenstad. De ondergaande zon laat de jadegroene tegels van de Kalta Minor, de minaret die ooit de grootste van de islamitische wereld moest worden, nog één keer schitteren. De straten tussen de Juma moskee en de Islam Khodja madrassa zijn nagenoeg verlaten. Langzaam maar zeker neemt de plaatselijke bevolking het Ichon Qala weer over. Gesluierde vrouwen zitten op lage muurtjes onder met felle kleuren verlichte madrassa’s, terwijl jongens en meisjes op de pleinen trefbal spelen.

Buiten de oases van de Khorezm wagen we ons opnieuw in Karakalpakstan. De randen van de Kyzylkum waren niet altijd zo kleurloos en droog: meer dan 2000 jaar geleden was dit een moerasgebied met tijgers en bloeiende steden. Tientallen ruïnes van vervallen kastelen en verlaten steden herinneren eraan hoe fragiel het menselijk leven hier werd toen de ligging van de Amu Darya zich steeds verder in zuidelijke richting verplaatste. Irrigatiekanalen werden van levensbelang voor de steeds geïsoleerder liggende en steeds kwetsbaardere vestingen. Waar het een nomadische stam lukte een kanaal te vernietigen, ging een hele stad ten onder.

Hoog op een heuvel torenen de overblijfselen van Ayaz Qala boven het vlakke woestijnlandschap uit. De muren van het modderfort zijn deels ingestort, maar daardoor niet minder indrukwekkend. Agames schieten over het mulle zand; gekko’s verschuilen zich in de spleten van de ruïnes. De uit de Kyzylkum opzwellende wind lijkt geen mensen te dulden in dit vijandige landschap en doet haar best ons van de muren te blazen. De kamelen bij een yurtkamp onder Ayaz Qala zijn al even onrustig. Het kost een Oezbeekse in een hardroze ikatjurk nogal wat moeite om de dieren in bedwang te houden.

Het is al donker als we na zes uur rijden over eentonige woestijnwegen Bukhara bereiken. Het Heilige Bukhara, het Nobele Bukhara, de Koepel van de Islam, de meest interessante stad ter wereld – Calum MacLeod en Bradley Mayhew komen in Uzbekistan – The Golden Road to Samarkand superlatieven te kort om de grootsheid van deze parel van de Zijderoute te beschrijven. Na een lange rijdag willen wij alleen onze slaapplek vinden, maar daarover is de gids zowel minder uitvoerig als minder lovend. Een Oezbeekse vrouw die ik op een parkeerplaats aanspreek belt meteen iemand om me te helpen, stapt vervolgens met haar hele familie bij ons in de bus en tien minuten later staan we midden in de chaotische oude stad. Felverlichte fonteinen spuiten uit de Lyab-i-Hauz en drukke muziek klinkt over het plein bij de vijver. In dit land waar kinderbedtijd een onbekend concept is rijden tientallen peuters in op afstand bestuurbare autootjes over de met voetgangers overladen straten van Bukhara.

Net als de binnenstad zelf is onze verblijfplaats in Bukhara wat minder stijlvol dan ons hotel in Khiva. Of misschien klopt onze eerste indruk niet. Op de binnenplaats tussen de kleine kamertjes groeit een moerbeiboom, de dastarkhan staat waterpas dankzij een tegeltje onder één poot en twee tegels onder een andere en de familie van Nazira en Azizbek ziet er bepaald niet uit alsof ze allemaal de hogere hotelschool met succes hebben doorlopen. Misschien is Bukhara gewoon wat authentieker dan museumstad Khiva; wat rommeliger en wat minder gladgestreken.

En al was Khiva geen baken van licht waar het naastenliefde en barmhartigheid betreft, de heersers van Bukhara waren nog een stuk hardvochtiger. De khan martelde Engelse afgezanten jarenlang in een zes meter diep gat in de grond; een poel van ziekten en insecten. Hij schiep er een demonisch genoegen in de westerlingen een sprankje hoop te bieden, om ze weer genadeloos terug te duwen in de put zodra ze hem verveelden. Turkmeense rovers voorzagen het khanaat van een eindeloze stroom Perzische slaven. Toen slavernij aan het eind van de 19e eeuw werd afgeschaft, telde Bukhara 200.000 slaven – op een totale bevolking van 1.200.000.

Geen wonder dat de Ark, de onheilspellende vesting die de oude stad domineert, wordt omschreven als ‘het zwarte hart van Bukhara’. Meer dan duizend jaar zetelden de machthebbers van het khanaat hier, tot de Oktoberrevolutie van 1917 drie jaar na de rest van het Russische Rijk ook deze uithoek in de woestijn bereikte. De Ark werd grotendeels in as gelegd. De Ark was een stad in een stad: een complex dat binnen de hoge muren plaats bood aan onder andere een paleis, harem, troonzaal, schatkamer, kerkers en vertrekken voor de slaven. Voorproevers proefden maaltijden en water twee maal voor de paranoïde khan. Bezoekers dienden de ontvangsthal na een audiëntie bij de khan achteruit lopend te verlaten, daar het beneden de waardigheid van Allahs Schaduw op Aarde was om de achterwerken van zijn onderdanen te moeten aanschouwen.

Na een bezoek aan de Zindan, de notoire gevangenis waarin de Britten Charles Stoddart en Arthur Conolly langzaam hun verstand verloren en nu als deerniswekkende wassen poppen in de put zitten, blijkt dat nog niet alles is veranderd in Bukhara. Ondanks de tourbussen met veelal bejaarde toeristen zijn westerlingen nog altijd een bezienswaardigheid. In een chaikhana vol blauwe kussens worden we door iedereen schaamteloos aangestaard. Tussen de Oezbeken met mooie hoedjes en vrouwen in prachtige jurken vallen we behoorlijk op. Net als in Khiva lijkt iedereen in deze stad met me op de foto te willen. Waarom? Nou ja, behalve dan omdat ik blank en een kop groter ben, lang haar en een baard heb?

De schoonheid van Bukhara is overweldigend. Na de duistere kant is de kleurenpracht van het Poi Kalon (het ‘Voetstuk van de Groten’; een ensemble van madrassa, plein en minaret) en de Mir-i-Arab madrassa duizelingwekkend. Waar je ook kijkt in deze stad, overal zie je geometrische motieven, patronen van geglazuurde tegels, delicaat houtsnijwerk en metselwerk. In de bazaars wordt al eeuwen in tapijten, zijde en specerijen gehandeld. En net als in Khiva worden Ilva en Rune overladen met geschenken; van appels tot bontmutsen. “Als hij groot is en minister is geworden mag hij terugkomen om $200 uit te geven,” grapt een verkoper over Rune. “Nu krijgt hij een muts cadeau.” Eva en ik krijgen ook wat. De vrouwen die ons een dag eerder de weg wezen komen ons ‘s avonds plov brengen. Ze werken bij een bank. “Maar wie gaat er in Oezbekistan nu naar een bank?” vraag ik. “Alleen mensen die officiële papieren voor een huis of zaken nodig hebben,” antwoorden ze. En, met een grijns: “En af en toe een onwetende buitenlander om geld te wisselen.”

Meer Oezbekistan in Betoverende façade (deel 2)

Alles waar ik bang voor was
Steppegras

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*