Betoverende façade (deel 2)

Het is halverwege mei al een verstikkende 35°C in Oezbekistan. Hoe ontzagwekkend de vogelmotieven van de Nador Divanbegi madrassa, de helder blauwe koepeltjes van de Chor Minor darvazakhana en het complexe metselwerk van het Islam Samali mausoleum ook mogen zijn, de koelte van de heuvels schijnt ons aanlokkelijker dan de verheven monumenten van Bukhara. Niet ver buiten de stad maakt de vruchtbare oase plaats voor een droge vlakte, tot in het zuidoosten van het land de groen met rode uitlopers van het Hissar gebergte aan de horizon verschijnen. In de beschutte Langar vallei ligt het dorpje Katta Langar, waar pelgrims uit de Ferganavallei en Termiz aan de Afghaanse grens het graf van sjeik Mohammed Sadik bezoeken.

Eindelijk zien we weer bergen, na wekenlang niets dan steppe en woestijn. Geiten en schapen grazen tussen de lemen huizen met lichtblauwe deuren en raamkozijnen. Ezeltjes sukkelen voorbij met oude mannetjes of jongens met melkbussen op hun rug. In de moskee van Katta Langar geeft de imam me fotografietips. “Die muur met die tegeltjes daar,” wijst hij, “en daarna moet je een foto maken van het plafond.” De imam is trots op zijn moskee. En terecht: van buiten ziet het gebouw eruit alsof het een pakhuis huisvest, maar eenmaal binnen zijn de voor islamitische architectuur zo kenmerkende meetkundige patronen overal te zien; van muren en tapijten tot pilaren, ramen en plafond.

“Echt waar? Heb jij maar één vrouw?” vraagt een grijsaard me buiten de moskee. Het oude mannetje met zijn guitige ogen heeft zichtbaar medelijden met me. Iets wat ik moeilijk te begrijpen vind wanneer ik al die Oezbeekse omaatjes in fleurige jurken op een rij zie zitten voor de paleisruïnes van Shakhrisabz. Timoer Lenk, de meedogenloze krijgsheer en stichter van het enorme Timoeridische Rijk, werd hier geboren. Van het Ak-Sarai, één van zijn grootste bouwprojecten, staan nog slechts delen van de 65 meter hoge torens overeind van een 40 meter hoge toegangspoort. Het volstaat om een beeld te krijgen van de megalomanie van deze Centraal-Aziatische despoot, maar de huidige regering lijkt deze mening niet te delen. Overal wordt hard gewerkt aan een herbouwproject om de erfenis van Timoer Lenk in ere te herstellen: de façades van splinternieuwe gebouwen in identieke, quasi-historische stijl flankeren een plein van meer dan een halve kilometer lang. Overal fonkelen azuurblauwe koepels en fonteinen in het zonlicht. Alleen de omaatjes met hun doorgetrokken wenkbrauwen zijn niet uitgenodigd voor de grandioze facelift die Shakhrisabz ondergaat. Het weerhoudt ze er niet van hun gouden tanden bloot te lachen.

De ondergaande zon kleurt het met sneeuw bedekte Zarafsjon gebergte in Tadzjikistan roze. Even mogen we de drukkende hitte van de vlakte achter ons laten, bovenop een bergpas van 1675 meter hoog. Nowruz, een herder, komt ons eieren brengen. Nowruz is verlegen; een jongen nog. In het licht van onze bus bladert hij wel een uur door onze reisgids. Hij is vooral geïnteresseerd in het Engels – Oezbeekse woordenlijstje achterin dus dat schrijf ik voor hem over. “Rahmat,” stamelt Nowruz. De volgende ochtend zit hij zelf te schrijven op een steen. Bladzijde 24, zie ik onderaan een volgeschreven A4’tje. Zijn schapen en geiten gaan nergens heen. Hier in de bergen is overal gras genoeg. “Zullen we er één voor jullie slachten?” grijnst Nowruz’ broer Nowruzbek; ook een herder. De vuile jas en laarzen nemen niets van zijn trots weg. We proberen duidelijk te maken dat we het bijzonder sympathiek aangeboden vinden, maar dat een schaap slachten niet nodig is. Nowruz lijkt zijn dieren ook liever te laten leven. Hij hurkt met een lammetje bij Ilva en Rune neer. Lachend laat hij Ilva de voorpootjes van het dier vasthouden.

Even boven onze kampeerplek hangen de taaie boompjes vol gescheurde lapjes stof, vaal geworden door de elementen. “Dit is een heilige plek, een tekke,” vertelt een man die op een afstandje achter een stuk of zes, zeven vrouwen aanloopt. Eén voor één kruipen ze door een gat tussen twee rotsblokken door. Ze klauteren naar beneden in de richting van een ander, bijna vier meter hoog rotsblok. Na er een aantal maal omheen te zijn gelopen, zetten ze zich schrap en beginnen met vereende krachten te duwen. De man mengt zich in de strijd en roept ons op dat ook te doen. Er komt zowaar beweging in het enorme gevaarte en hoewel ik me afvraag hoe verantwoord het is een steen van meerdere tonnen zwaar de helling af te rollen, zijn de giechelende vrouwen duidelijk tevreden over hun prestatie.

Khiva en Bukhara mogen de oases zijn waar handelaren op de Zijderoute halsreikend naar uitkeken; de oase van groen hier boven in de bergen is niet minder heerlijk. Bomen werpen hun schaduwen op het hoge gras waarin een scheltopusik zich probeert te verschuilen. Het kost wat moeite om de grote neef van de hazelworm te vangen, maar Rune heeft nog niet eerder een helling zo snel beklommen als nu, om het kronkelende dier van dichtbij te bekijken. Terug bij de bus worden we door Abdelkholik uitgenodigd om met zijn familie shashlik te eten. Ik krijg de ereplaats op het tapijt tussen hem en oma toegewezen. Op het onderste tapijt ligt een tweede, opgevouwen tot een kleine verhoging met daarop schalen met kersen, aardbeien, komkommer en tomaat. Een nonbrood gaat rond. Onze kopjes worden steeds weer met groene thee gevuld. Hoe goed we ons best ook doen, Abdelkholik vindt dat we niet genoeg shashlik eten.

Abdelkholik nodigt ons uit om hij hem thuis te overnachten, maar dat durven we niet aan. Niet omdat we niet willen, maar vanwege de mogelijke gevolgen. In Oezbekistan moet je je elke 72 uur registreren. In hotels gebeurt dat automatisch. Na twee nachten wildkamperen hebben we nu weer een officieel registratiebriefje nodig, denken we. Dat is nog wel te regelen in Samarkand, al weigeren ze bij Bahodir B&B de data op onze briefjes wat aan te passen en te doen alsof het kamperen nooit heeft plaatsgevonden. “Als de politie of douane erachter komt dat ik deze briefjes niet naar waarheid invul, dan kost me dat duizenden dollars,” verontschuldigt de zoon van de eigenaresse zich. Pinnen is in de tweede stad van het land een stuk lastiger dan je registreren. Bij mijn eerste poging verdwaal ik in de sloppenwijken ten westen van het Registan. Krakkemikkige huisjes met golfplaten daken staan in een chaotische wirwar om kleine stroompjes vuil water gegroepeerd. De bewoners nodigen me uit voor thee, maar ik moet doorlopen voor een tweede afspraak bij een bank.

Weer moet ik eerst mijn paspoort en registratiepapieren tonen voor de beveiligingsmedewerkers me binnen laten. Oezbeekse som pinnen is dankzij de dubbele wisselkoers niet verstandig, maar met Turkmenistan en Iran voor de boeg is het slim om dollars op te nemen nu het nog kan. In theorie althans, want het lukt de bank niet om contact te krijgen met Tashkent. Wel weten ze een nieuwe bank, ver buiten het centrum, waar het zou moeten lukken. De taxichauffeur die ik aanspreek begint met $10 te vragen, zakt bij mijn hoofdschudden tot $5 en haalt zijn schouders op als ik in het Russisch zeg dat ik ook hiermee niet akkoord ga. “Ok, dan gewoon voor 5000 som.” De man neemt nu aan dat ik in Oezbekistan werk, maar bij de bank gaat het allemaal weer een stuk minder soepel. Hoewel, minder westers vooral.

Na hetzelfde procédé van paspoort en registratie mag ik plaatsnemen in een kamer vol wachtende mensen en vier bankmedewerkers. Een pinautomaat is nergens te bekennen. Als ik aan de beurt ben en doorgeef hoeveel ik wil hebben, wijkt de volgende stap wat af van wat ik verwacht. “Schrijf je pincode maar op,” zegt de vrouw achter de glazen wand en schuift me een afgescheurd stukje papier toe. “Wat? Opschrijven?” stamel ik. “Je pincode,” antwoordt ze ongeduldig. Ik gehoorzaam en word gemaand weer te gaan zitten. “Meneer, $600, toch?” wordt er voor de zekerheid nog even door de wachtkamer geroepen, opdat alle aanwezigen weten dat ik straks meer op zak heb dan ze hier in twee maanden verdienen. Ik knik zuchtend. Even later mag ik het stapeltje bankbiljetten ophalen. Wanneer ik ook mijn pincode nog terugvraag kijkt de medewerkster me verontwaardigd aan, maar schuift me het briefje toch toe.

Met aardse zaken als registratiebriefjes en geld opnemen achter ons is het makkelijker om te genieten van de verrukkingen van Samarkand, dat zich met titels als Tuin van de Ziel, Juweel van de Islam, Parel van het Oosten en Centrum van het Universum niet zonder slag of stoot bij de suprematie van rivaal Bukhara neerlegt. Maar zelfs in een gebied dat al bewoond wordt sinds het late paleolithicum (een slordige 40.000 jaar geleden) en in een stad die in de 7e of 8e eeuw voor onze jaartelling is gesticht en daarmee één van de oudste steden van de wereld is, valt het niet mee om niet af en toe afgeleid te raken door het aardse. ‘Excellent service and pleasant music will not leave you indifferent,’ belooft restaurant Registan en ook op het gelijknamige plein wordt de ervaring regelmatig overtroefd met lasershows, zo toont een bewaker me trots op zijn mobiele telefoon.

Niet dat Samarkand dit nodig heeft. Het Registan, het plein tussen de Ulug Beg madrassa, de Tillya-Kari madrassa en de Shir Dor madrassa, is misschien wel het mooiste ter wereld. Vergelijk het met een plein in Europa dat niet aan één, maar aan drie zijden geflankeerd wordt door schitterende gotische kathedralen, stelde de Britse politicus George Curzon die aan het eind van de 19e eeuw door Centraal-Azië reisde. Met zijn mozaïeken met Koranteksten van geglazuurde tegels, vlechtend metselwerk, tientallen nissen met stuk voor stuk hun eigen geometrische patronen, vervaarlijk hellende minaretten en hemelsblauwe koepels is het Registan niet alleen één van de culturele hoogtepunten van Oezbekistan, maar van de hele wereld. Urenlang zitten we op het plein, dan weer in één van de kamertjes van de madrassa’s, dan weer eens op een afstand in een poging om houvast te krijgen op de immensheid van wat we zien. En wanneer de zon langzaam achter de horizon zakt en de minaretten en de duizelingwekkende toegangspoorten in het warme licht baden, blijkt het allemaal nog mooier te kunnen. Een al dan niet door muziek ondersteunde lasershow blijft vanavond gelukkig uit.

De in 1941 naar Samarkand geëmigreerde Sergei zou voor geen goud terug willen naar Rusland. Met zoveel moois om hem heen begrijp ik dat wel, al blijkt Sergei vooral op het klimaat te doelen. “Heet in de zomer en ‘s winters niet kouder dan -20°C. Wat wil een mens nog meer?” Timoer Lenks meest nobele moskee misschien, de Bibi Khanum, opnieuw in de zo typisch contrasterende kleuren van Oezbekistan, de geelbruine stenen die de aarde symboliseren en het turquoiseblauwe van de lucht? Het monumentale mausoleum van Timoer Lenk zelf, de Gūr-i-Amir? Of het Shah-i-Zinda, een necropolis en nog altijd een religieuze plek, in tegenstelling tot de madrassa’s van het Registan welke nu eerder de functie van een bazaar hebben? Het blauw en groen van de mozaïeken lijkt hier tussen de donkere tombes van een nóg intensere, nog stralendere kleur te zijn. Waar de met delicaat houtsnijwerk versierde deuren toegang geven tot een kleine moskee wordt in stilte gebeden. Samarkand voelt, net als Bukhara, topzwaar: waar je ook kijkt, waar je ook heen loopt staan de meest oogverblindende gebouwen. Het schijnt onmogelijk, oneerlijk haast; zo veel schoonheid op één plaats. In de weinige dagen dat we er zijn zien we niet meer dan een fractie van een stad die al haar namen lijkt waar te maken.

Maar dan ontdekken we de eerste barstjes in de zorgvuldig opgetrokken façade van goud en mozaïeken die dit vriendelijke land ons toont. Natuurlijk was er de tragiek van het Aralmeer en het wegkwijnende Karakalpakstan, de schimmige wereld van het geld wisselen en de indruk dat het regime van Islom Abdugʻaniyevich Karimov bepaalde families de hand boven het hoofd houdt. Met alle verlokkingen van Khiva, Bukhara en Samarkand om de reiziger mee te bedwelmen leken het niet meer dan hersenspinsels. Maar bij de Sarmysh kloof wordt er wel erg moeilijk gedaan. Een politieagent die verbaasd lijkt buitenlanders te zien laat ons nog aarzelend door, maar we zien erg veel politie op de weg. Een hek verspert de toegang tot de kloof. “Je hebt een vergunning nodig,” bromt een opzichter in legeruniform. “Meld je bij de NGMK in Navoi en kom morgen terug.” In het Russisch krabbelt hij een adres op een stukje papier. Maar morgen moeten we naar Bukhara, of verder. Ons transitvisum voor Turkmenistan gaat bijna in en erg flexibel zijn ze daar niet. Tot nu toe verbaast iedereen zich erover dat we überhaupt een visum hebben gekregen voor dit land. Er zit weinig anders op dan een hotel te zoeken in Navoi, in plaats van wildkamperen in de Karatau heuvels.

Navoi maakt een weinig verwelkomende indruk. “Zijn jullie buitenlanders?” vragen ze me in het eerste hotel dat we vinden. “Dan hebben we geen plaats.” In het tweede hotel, Yoshlik, zit een hele zigeunerfamilie uit Moldavië in de lobby. “Praat niet met de Moldaviërs,” fluistert een bediende. “Ze zijn niet te vertrouwen.” Xenofobie? Van de andere kant lijkt het plaatje ook niet te kloppen. De Moldaviërs zien er niet uit als toeristen. Wat brengt ze hier? Ze zijn in ieder geval erg in ons geïnteresseerd, maar de bediende haast zich om ons naar onze kamer te brengen. “Voor ik jullie in kan checken wil de receptioniste graag jullie laatste registratiebriefje zien,” zegt hij. Ik geef onze papiertjes uit Samarkand, maar hiermee is ze niet tevreden. “Ik wil al je briefjes bekijken, om te zien of er geen data ontbreken,” zegt ze. “Anders check ik jullie niet in. Waar ben je allemaal geweest?” Ik noem de hotels en zeg haar dat ze hen gerust mag bellen. Maar ik voel me helemaal niet gerust.

We moeten tijd winnen. Ik bluf dat de briefjes op onze kamer liggen en dat ik zo terug kom. Wat nu? Er ontbreken drie nachten in onze papieren. Op straat was het de politie die ons naar dit hotel stuurde. Overal in Navoi is politie. Wat als we niet worden ingecheckt? Belt de receptioniste de politie om ons aan te geven? In paniek beginnen we de registratiebriefjes te vervalsen. Een elf moet een tien worden, een zestien wordt een achttien. Twaalf briefjes, alles bij elkaar. De kleur pen moet kloppen; het handschrift ook. Welke straf staat er eigenlijk op fraude? We hadden eerst moeten oefenen. Het wordt een rommeltje.

De telefoon op onze hotelkamer gaat. “Waar blijf je?” Ik stap in de lift, samen met een Moldaviër. De receptioniste kijkt me argwanend aan als ik de briefjes laat zien. “En die van je familie?” Weer naar boven. Rustig blijven. “Kijk, de drie hotels die ik noemde,” probeer ik. Mijn hart bonkt in mijn keel. “Het ziet er niet netjes uit,” moppert ze. “Dit gaat je problemen opleveren bij de grens. Maar de data kloppen wel.” Ik wil betalen met dollars, maar ze rekent de officiële koers. Gunstig wisselen is er ook niet bij. Ik kom 11.000 som tekort. Twee miezerige dollars. De Moldaviërs dan? Nee, een verdwaalde Zwitserse fietser redt me, waarna de bediende met ons op de foto wil. Daarna dicteert hij hoe we het gastenboek moeten tekenen.

Het is al laat als we gaan eten. In het restaurant is het donker. Er zitten alleen mannen, de muziek staat hard en bijna niets wat op de kaart staat is er ook daadwerkelijk. Is het eigenlijk wel een restaurant? We voelen ons slecht op ons gemak en wanneer Eva zich realiseert dat we alle vervalste registratiebriefjes op het tafeltje in onze kamer hebben liggen, open en bloot met een pen èn ons briefje met aantekeningen ernaast, krijgen we geen hap meer door onze keel. Het beddengoed van de kinderen zou nog worden gebracht. Gelukkig is Yoshlik niet het meest servicegerichte hotel waar we ooit sliepen en pas na een telefoontje naar de receptie en opruimen van onze administratie kunnen Ilva en Rune gaan slapen. Het duurt langer voor Eva en ik in slaap vallen.

De volgende ochtend wil ik eerst $50 wisselen, want onze som zijn op. Op de markt in de buurt wil niemand me helpen en word ik naar de grote bazaar gestuurd. Ook hier stuit ik op weerstand. “Te veel politie,” zegt een jongen die me wel wil helpen. Schichtig kijkt hij om zich heen terwijl we een overdekte winkelpassage binnenlopen. Maar ook hier wil niemand wisselen. “Kom,” gebaart de jongen en we lopen een trap af. Ondergronds bevinden zich werkplaatsen en winkeltjes met banden en andere auto-onderdelen. Ruig ogende mannen met zwarte vegen op hun overalls. Toch wil zelfs hier pas de vierde persoon die we aanspreken wisselen. Hij telt het juiste stapeltje bankbiljetten af, knikt en verstopt mijn dollars.

In Navoi wordt geen toneelstuk voor toeristen opgevoerd. Hier zien we het echte Oezbekistan. Een autoritaire staat met de nodige zwarte randjes, waar een paranoïde dictator gedwongen seizoensarbeid in de katoenteelt en andere schendingen van de mensenrechten angstvallig buiten beeld probeert te houden. Het wemelt van de agenten op straat. Ik vraag ze de weg naar het NGMK, dat verwarrend genoeg kantoor houdt in het gebouw van de NKMK. “Welke papieren heb je bij je?” vraagt de portier wanneer ik meld dat ik een vergunning wil aanvragen om de Sarmysh kloof te bezoeken. Ik heb alleen een visum. “Wie is dan je gids?” Hmm, dit kon nog wel eens lastig worden. De man toetst een nummer in en even later word ik gebeld. Weer lastige vragen. Ik moet een brief schrijven, zegt een vrouwelijke stem aan de andere kant van de lijn. “Goed. Zal ik naar je kantoor komen?” vraag ik. “Nee, blijf maar daar. Ik kom naar je toe.” Na ruim een half uur stapt de vrouw binnen met een formulier dat ik over moet schrijven. In gebonden Russisch schrift, met mijn naam en de datum erop. “Kunnen we het niet gewoon kopiëren?” stel ik voor. “Dan schrijf ik mijn naam en de datum op de streep.” Ze schudt haar hoofd. Natuurlijk niet. Naïef van me. Ik schrijf het volledige document over, krijg er een stempel op en dus, tegen onze verwachting in, toestemming.

Einde van de administratieve rompslomp? “Op het document staat niets over een auto, dus je mag te voet naar de kloof,” meldt de opzichter na inspectie van het formulier dat hij door de spijlen van het hek heeft aangenomen. “Maar we hebben kinderen,” probeer ik. “De kloof begint pas vijf kilometer voorbij het hek.” De man weet dat een bezoek zonder auto geen zin heeft, maar schudt zijn hoofd. “De vrouw in Navoi heeft wel naar onze bus gevraagd. Ik heb ons kenteken doorgegeven en het aantal passagiers. Ze heeft ons expliciet toestemming gegeven, dus ik begrijp niet waarom ze dit niet op heeft laten schrijven als het onderdeel van de procedure is,” bluf ik. De opzichter kijkt zuur. “Vooruit dan. Over een half uur mag je door het hek.”

Waarom dit vermoeiende machtsspelletje, al deze moeite, enkel om een kloof in de Oezbeekse heuvels te bezoeken? Omdat de Sarmysh kloof ruim 4000 rotstekeningen telt. Van de bronstijd tot de vroege middeleeuwen werden hier petrogliefen in de rotsen gekerfd. Uitgelaten beklimmen we de zwarte stenen, op zoek naar steeds weer nieuwe motieven. We vinden steenbokken, stieren, boogschutters, paarden, mannen met grote piemels. Ilva en Rune vinden het na een aantal rotstekeningen mooi geweest en verkiezen de groene bodem van de kloof. Het wemelt er van de hagedissen en libellen en in het stroompje van de vissen. Misschien hadden we gewoon pech in Navoi en is deze stad een anomalie in een vriendelijk land vol schoonheid en sprookjesachtig cultureel erfgoed?

Of niet. Onze laatste nacht in Oezbekistan brengen we door in Olot, 25 kilometer voor de grensovergang met Turkmenistan. We nemen geen risico’s meer en kiezen voor een hotel, waar we om te beginnen ons laatste registratiebewijs moeten tonen. Daarna wijst de man op een papiertje met prijzen: 100.000 som per persoon, of $80 voor een kamer. Dan betalen we liever in som. “Nee, die prijs is voor Oezbeken,” bromt de hoteleigenaar. Nog één keer bluffen dan. We zeggen dat we geen dollars hebben, alleen som en na wat onderhandelen komen we uit op 200.000 som voor ons vieren. We hebben het gevoel dat $35 voor een verlaten hotel met nog in plastic verpakte matrassen wel genoeg is. Het illustreert nog een laatste keer het gelaagde prijssysteem in dit land, waar voor Russen steevast de dubbele prijs wordt gerekend en voor andere buitenlanders een veelvoud van wat de Oezbeken zelf betalen. Kinderspel in vergelijking met het despotische en gesloten buurland waar we nu heen gaan. Onze op Russischtalige formulieren ingevulde declaraties worden bij de grens hoofdschuddend teruggegeven. “Jullie zijn geen Russen. Hier zijn de Engelse formulieren.” Naar onze registratiebriefjes wordt niet gevraagd.

Volg de vastgestelde route
Alles waar ik bang voor was

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*