Caraorman: waar mannen met bijlen in het café zitten

Zaterdagochtend vertrok de helft van onze groep per bootje naar het afgelegen Caraorman. ‘s Middags werd Joost, Eva en mij gevraagd te koken voor de hele groep. Bas vroeg of hij misschien mee kon helpen, maar we hadden eigenlijk al genoeg groentesnijders. Behulpzaam als Bas is vroeg hij of ie dan misschien een dansje voor ons kon doen. “Nou, doe dan maar een liedje,” zei Joost, en dat hebben we geweten. “Als je het volhoudt tot het eten klaar is krijg je een biertje.”

Kijk, daar heb je Judith (EH)

De volgende vijf kwartier werden dus non-stop “Kijk, daar heb je Joost, hij geeft hem van katoen. Kijk, daar heb je Fiepke, hij ook. Hoi! Kijk, daar heb je Eva, zij geeft hem ook van katoen. En met z’n allen, geven ze, hem van katoen”; “Joost rookt een Donausjek”; “Kijk, daar heb je Fiepke, hij heeft een blote worst”, “Liesbeth doet ook mee maar ze weet eigenlijk niet zo goed wat ze moet doen oh ja ze heeft al weer iets gevonden en ze geeft hem weer van katoen want ze weet wel hoe je zoiets moet doen” en “Voor drie bier hou ik op met zingen”, allemaal met zoveel mogelijk op elkaar lijkende ‘melodie’, ten gehore gebracht.

Vervolgens bleven de liedjes nog twee weken in mijn hoofd zitten. Hoi! Aangezien ik verder geen herinnering aan die dag heb zal ik wel geen flikker uitgevoerd hebben. Oh ja, ‘s avonds nog even groene padden en daarna was het tijd voor de Loco Loco Disco Show (de loco-burgemeester zou die avond weer langskomen en hij had de avond ervoor Adina al versierd; de reden waarom Jeroen het op een zuipen had gezet). Alle vissers uit het dorp waren van de partij. Doelgroep manele.

Zondag was het tijd voor wat meer actie, wat vertaald werd in de vondst van vele ringslangen en zandhagedissen. We lieten ons naar de overkant van het kanaal roeien, om naar een groot meer te wandelen en in een ecologisch centrum wat kleurplaten te bewerken. Toen we ‘s middags terug wilden bleek de man met wie we hadden afgesproken nergens te bekennen. “Boena ziewa!”, riep Bas met Oerhollands accent naar ‘s mans vrouw, die we wel buiten zagen zitten. Hierop kregen we een heel verhaal terug; dat we moesten wachten op haar man die nu niet kon komen. Toen ze klaar was riep Bas weer keihard “Boena ziewa!”, waarop alles weer opnieuw begon. Na een keer of acht “Boena ziewa!” gehoord te hebben achtte het vrouwtje het hopeloos de situatie aan dit stelletje buitenlanders uit te leggen en kwam ze zelf de sterke stroming opgeroeid. Waarvoor ik Bas hartelijk wil bedanken, want wie weet hadden we er anders nog gezeten.

Preview
Niet dat we daarmee in veiligheid waren, want de dag erna zouden we naar Caraorman gaan – het einde van de wereld, waar de mannen met bijlen in het café zaten. Lees verder of ik dit overleefd heb!

Omdat we de volgende dag de andere groep in Caraorman af zouden lossen en daarvoor vroeg opmoesten, maakten we het zondagavond niet laat. Bij de boot die ons over de kanalen zou zetten was het maandag dringen wie er mee mocht en wie het eerste stuk zelf zou moeten lopen. De eerste acht die jarig waren dan maar op de boot zetten? Nee. De acht met de langste haren? Nee. Komt zo’n stomme Roemeen op het idee de meisjes met de boot te laten gaan en blijken dat er ook nog eens precies acht te zijn. Naşpa. Dat werd weer mooi een flink stuk door de brandende hitte over vage paadjes lopen. Bij het kanaal wachtten we tot het bootje terugkwam om ons over te zetten en de eerste helft van de vorige groep terug te brengen. In de paar minuten van uit- en instappen werden we kort ingelicht over de ervaringen van de afgelopen dagen: we gingen naar het einde van de wereld, waar ze op water en brood hadden moeten overleven. In de plaatselijke bar zaten dronken Roemenen met bijlen, waar je maar beter geen gesprek mee kon beginnen. Gauw de boot in, want dat wilden we natuurlijk niet missen!

Ceausie zwemparadijs (EH)

De vijf kilometer door een kurkdroge, snikhete steppe naar het dorpje hadden inderdaad wel wat weg van de hel die ons werd voorgeschetst en de stoffige zandwegen van Caraorman, met in de verte leegstaande, vervallen flats (in zo’n afgelegen plaats, flats?!) deden ook weinig uitnodigend aan. In het centrum van het dorp (zanderige wei met twee bomen, een winkeltje en bar) vonden we de dorpsschool, waar we onze tenten op konden zetten. Er was schaduw en de houten gaten-in-de-grond-wc’s waren schoner dan die op de camping. Er was hout voor een kampvuur en bij een boer konden we aardappels en maïs kopen. Samen met de gehakt/bruine bonen prut en bananen uit het winkeltje hadden we het blijkbaar beter dan de vorige groep. Al hadden wij geen brood – dat kwam slechts één keer per week vers binnen.

Als klap op de vuurpijl hadden we op 500 meter lopen ons eigen Ceausie zwemparadijs: een koele poel met een stilgelegde fabriek en enorme roestende hijskranen ernaast. Zo Oostblok hadden we het nog niet gezien. Na het feestmaal zochten we de bar op, maar die had meer weg van een homotent. Dikke kerels in zwembroeken dansten met de konten tegen elkaar op manele, helaas ook tot in deze uithoek doorgedrongen, en wilden uit alle macht Joost erbij hebben. Dan nog maar een slokje wodka op de ‘camping’, alwaar we eerst een kudde schijtende ezels weg moesten jagen.

Dinsdag, op zoek naar een gids om ons naar het Caraorman-bos te leiden, liepen we een zwerm Zwitsers tegen het lijf. Zij hadden een gids, dus wij mee. De gids bleek (er) weinig verstand (van te) hebben, maar een bos aan de verder platte einder kun je moeilijk missen. Toen hem een fototoestel in de handen werd gedrukt voor een groepsfoto was het helemaal lachen. Ik zit er serieus over te denken om ze alle zesentwintig bij te bestellen. Het bos was verboden gebied, dus erg ver wilden we er niet ingaan. Zeker na het bordje dat er zonder verdere waarschuwing geschoten kon worden vond een groot deel het welletjes en besloten we om het bos heen te lopen.

Pas op! Bloedzuigers (EH)

Hier zaten honderden boomkikkertjes, maar vooral de twintig centimeter lange bloedzuigers in de plassen waar we blootvoets doorwaadden waren een lust voor het oog. Zo mooi kronkelend als ze zwemmen – en nog snel ook! ‘s Middags wachtte ons in het dorpje niet alleen koud bier, maar ook een vriendelijk oud vrouwtje dat ons pruimen uit haar boom aanbood. Eindelijk kwamen de door Bas en mij ingestudeerde Roemeense zinnetjes van pas. “Lekker, pruimen. Die zijn rijk aan vitamine C,” – hoefde ik alleen het woord ‘wodka’ door ‘pruimen’ te vervangen. Waarna Bas, die even later een koude pilsener werd aangeboden door een vriendelijke Roemeen, “Het is beter met bier!” ten gehore kon brengen.

Dezelfde man bood ons een enorme meerval en een bijna enorme snoek aan. Omdat alleen Joost niet zo van vis houdt, accepteerden wij gaarne. De taak van Bas en mij was het poffen der aardappels, waardoor we veel tijd overhielden om ons Roemeens scheldwoordenrepertoire nog eens door te nemen. Dit konden de Roemenen uit onze groep niet echt waarderen, dus was het nu tijd voor “Jouw oma heeft een mooi skipak!”, “Jouw oma is de trots van het land!” en “Jouw oma is mooier dan houten vogeltjes!”. Zagen ze de humor ook al niet van in.

We konden helaas niet alle vis en aardappels op en moesten een deel in de vuilnisbak gooien, waar het tussen de drie lege Spaghetteria-zakjes van de vorige groep belandde. Uiteraard gingen we die dag ook nog voor de Ceausie zwemervaring, drank en liederen bij het kampvuur.

Bruine Donau
It shall be sausage to me

1 Comment

  1. Ik wilde het hebben over grootte en over de roem van het geheugen, dat als het vlammetje van een lucifer dwars door landkaarten heen brandt en plaatsen en dingen overbrengt naar het domein van de eeuwigheid, die slechts bedreigd wordt door eventuele kosmische dementie, het continent oneindig groter maakt en uit het niets naar het licht brengt. Wie in Rozpucie is geweest, in Baurci en Caraorman, weet waar ik het over heb. Daar smeult de duistere ziel van het schiereiland en doezelt de materie die als merg het dikke, zwarte bloed van nauwelijks bewust gemaakte verlangens produceert. In Rozpucie, in Baurci en Caraorman zijn betekent het voorbije zien dat nog niet is gaan twijfelen aan de betekenis van het toekomstige, omdat het nog steeds niet echt goed is begonnen. Het is niet uitgesloten dat het nooit zal beginnen en het lot van de rest niet zal delen, waarvan de voorbestemming het gesnik over het eigen einde zal zijn. Noch Rozpucie noch Caraorman zullen sterven van uitputting. Ze zijn oud, maar ze zullen jong sterven, ze zijn moe, maar ze sterven in de kracht van hun leven, halverwege, op de weg waarvan ze de zin en het doel zelfs niet zullen begrijpen.

    Andrzej Stasiuk, Onderweg naar Babadag

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*