Cultuurshock

Met tegenzin loop ik achter Sheermohamed aan. Door de metalen poort met piepende scharnieren, het armetierige erf op. De boer stapt moeizaam voor ons uit met zijn misvormde voeten. Een schare belangstellenden heeft zich langzaam om ons heen gevormd. Sheermohamed heeft ons uitgenodigd de nacht in zijn huis door te brengen. Ik heb er geen zin in. Zijn vrouw is ook gehandicapt en beweegt zich half zittend en steunend op haar armen voort over het tapijt. Eén van hun zoontjes heeft een ziekte aan zijn ogen. Het huis ziet eruit alsof het al jaren in aanbouw is. Meubels zijn er niet in de kale woonkamer en er wordt alleen Farsi gesproken. Zat ik maar in de bus.

Het duurt niet lang voor de buren aanschuiven. Kussens worden uitgedeeld, thee wordt ingeschonken, dadels en rozijnen gaan rond. Het weinige dat deze mensen hebben delen ze met ons, onverwachte gasten. Een plastic kleed wordt uitgevouwen en er verschijnt nog meer eten op de vloer: ei, tomaten, pepers en lavash. Een slaapkamer wordt speciaal tot onze beschikking gesteld. De enige slaapkamer in het huisje. Bedden staan er niet; wel zijn er matrasjes die elke avond worden uitgerold en ‘s ochtends weer opgestapeld. Ik voel me een rijke, verwende westerling. Ongevoelig en onwetend. Man, ik weet de naam van het dorp, de provincie niet eens. Ik schaam me dat ik de warmte van deze mensen niet direct wilde accepteren.

Iran is anders. De cultuurshock is groot na zeven weken in de voormalige Sovjet-Unie. Ten eerste is er de taalbarrière. Het Arabische schrift is voor ons onleesbaar; meer dan een paar losse woorden hakkelen zit er met ons taalgidsje Farsi niet in. In de tijdzone waar Iran in valt moeten we rekenen met tweeëneenhalf uur tijdverschil. Of eigenlijk 621 jaar en tweeëneenhalf uur, om precies te zijn. Eva wordt hier, net als alle andere vrouwen, onderworpen aan rigoureuze kledingvoorschriften. Maar met name de Perzische gastvrijheid valt op. Mensen lijken hier oprecht blij te zijn ons te zien. Het valt moeilijk te rijmen met het beeld dat in de westerse media van Iran wordt geschetst. Is dit het gedemoniseerde land vol religieuze fanatici waar we zo bang voor moeten zijn? Een vreeswekkende spil in de As van het Kwaad? Het enige waar we op het moment bang voor zijn is dat deze aardige mensen ons niet meer laten gaan.

Eén van Sheermohameds buren nodigt ons na het ontbijt uit in zijn tuin voor meer thee en fruit. Hamid is óf ontzettend aardig, óf zijn Engels is knap beroerd. “My wife is your wife,” zegt hij met een lach. Het blijft toch een beetje een gok wat er onder de manteau en hoofddoek zit, dus ik hou het bij de kersen, moerbeien en serbet met aardbeiensap. Hamid nodigt ons uit in zijn thuisstad Bandar Abbas aan de Perzische Golf, 1500 kilometer naar het zuiden. Maar wij rijden naar het westen, zodra we ons aan de Iraanse hartelijkheid weten te ontworstelen en ons afsluiten in onze broeierige bus.

Onze gastvrouw ziet nog net kans ons een lunchpakket in de handen te duwen. Aan een riviertje in Nationaal Park Golestan vinden we een beschut plekje waar Eva haar hoofddoek even af kan doen en ik mijn mouwen en broekspijpen opstroop. Everzwijnen met gestreepte biggetjes scharrelen tussen de bomen; in de schaduw van het dichte bladerdek eten we onze rijst, kip en dadels. Na de kronkelende wegen door de jungle van Golestan wacht ons een typisch Iraans uitzicht dat voorlopig niet verandert: lelijke stadjes met rommelige bebouwing, chaotisch verkeer, veel billboards en neonverlichting met teksten in Farsi. De silhouetten van de bergen lonken op grote afstand.

Het is half negen ‘s avonds als we eindelijk de stad Gorgan binnenrijden. Spitsuur. De hectiek van rijden in Iran is zenuwslopend na de lege vierbaanswegen van Turkmenistan. In Gorgan blijft het bij twee rijstroken, maar de Iraniërs proppen hier vier auto’s naast elkaar op. Tussen de voertuigen past nog net een vinger. Met horten en stoten sijpelt het verkeer door de overvolle straten. Alsof iemand modder door een zeef probeert te drukken. Overal is geluid, overal flikkert wat nog het meeste weg heeft van kerstverlichting. Oranje knipperende verkeerslichten dragen bij aan de algehele chaos. “Oh look, it’s rich people who have come to our town. Welcome!” roepen twee jongemannen enthousiast naar ons.

Misschien hebben we nog precies genoeg contanten op zak om Iran door te komen, maar nu we in een grote stad zijn willen we proberen ergens geld op te nemen. Dankzij de sinds kort versoepelde economische sancties moet dit mogelijk zijn. In theorie althans. Bij de tweede bank wordt er met Tehran gebeld. Op een andere lijn schakelen ze de hulp van een tolk in, die me direct aanraadt op de zwarte markt te gaan wisselen. Maar erg veel dollars hebben we niet meer, dus loop ik met een bankbeambte naar een flatgebouw een eind verderop. Het ziet eruit als een doodnormaal woonblok, maar Mortezar wijst me de lift en belt aan op de vijfde verdieping.

Achter een bureau met een telefoon en een computer zit een vrouw die onmiddellijk een foto van de voor- en achterkant van mijn creditcard neemt. Fijn. Ik hoef in ieder geval straks geen briefje met pincode te verscheuren. Alleen even vragen of ze de foto’s weer netjes wil verwijderen. Terwijl ze belt met het hoofdkantoor in Tehran krijg ik thee en dadels van een man met een grijze snor. Dan knikt de vrouw: morgenochtend kan ik het geld ophalen. “Eén miljoen toman, toch?” vraagt ze met de hoorn in de hand. Ik knik. “Dus tien miljoen rial,” besluit ze. Iemand zou deze mensen eens moeten vertellen dat twee benamingen voor dezelfde munt wel eens verwarring in de hand zou kunnen werken.

Ons niet-alledaagse verzoek om geld op te nemen telt voor Mortezar blijkbaar als volledige werkdag, want even later zitten we bij zijn moeder spaghetti te eten en worden we uitgenodigd om te blijven logeren. Inmiddels heeft ook de tolk van vanochtend zich gemeld. Hij stelt zich voor als Arash, vindt het praktischer dat we bij iemand blijven slapen waarmee we kunnen communiceren en snoept Mortezar zijn gasten af. Arash is in zijn vrije tijd leraar Engels en ziet direct marketingsmogelijkheden. “Biaeed be Holland. Khosh migzare,” moet ik van hem zeggen terwijl ik in de camera kijk. Eva voegt er in het Farsi aan toe hoe belangrijk het is om Engels te leren.

De ondernemingsdrift van Arash – die ook graag schildert – staat haaks op zijn officiële baan bij de overheid. Hier houdt hij toezicht op billboards en censureert hij al te vrije reclames. De gouden regels? Geen vrouwen, geen Engelse woorden. Treffender wordt het grote verschil tussen het Iraanse leven binnenshuis en dat in het openbaar niet geïllustreerd. In het eigen appartement gaan de hoofddoeken af, luistert Arash naar muziek van naar de Verenigde Staten geëmigreerde Iraniërs en vertelt hij dat hij 99 zweepslagen geriskeerd heeft door alcohol uit te proberen. Of zijn broer Payom en hun ouders dat goedkeuren blijft onduidelijk, maar ze zijn het met elkaar eens dat Iran niet snel vrijer zal worden. Zelfs al hebben steeds meer jonge vrouwen seks voor het huwelijk; iets wat Arash veroordeelt. Een land waar je voor ontmaagde vrouwen een veel lagere bruidsschat betaalt komt op Eva en mij ook aardig conservatief over.

Wat betreft de avondspits zal er in Iran ook niet snel iets veranderen. Nadat Eva samen met Arash’ moeder en Payom een tuniek heeft gekocht, stapt de hele familie in onze bus om te gaan picknicken. Op weg naar de jungle ten zuiden van Gorgan rijden we over precies dezelfde volgepropte wegen als gisteren. Tegenover een fel verlicht pretpark wijst Arash naar een vrij plekje tussen alle geparkeerde auto’s waar we nog net tussen passen. Het trottoir ligt vol tapijten en picknickkleedjes. Barbecues roken; tientallen gezinnen zorgen voor een geïmproviseerde festivalsfeer. Blijkbaar is dit voor veel Iraniërs het idee van de ultieme avond uit. “We zouden toch naar de jungle gaan?” vraagt Eva verbaasd. “Ja, maar in het bos zelf is het donker,” antwoordt Arash. Dus je neemt drie pannen met rijst en kip, flessen cola, een theepot en een picknickkleed mee, maar een paar kaarsjes als sfeerverlichting in het bos is te veel gevraagd? De Iraniërs nemen genoegen met de betonnen jungle van de parkeerplaats, die vol kleine tentjes staat waarin hele gezinnen kamperen.

Nadat we opnieuw aansluiten in de file slapen we met Arash en Payom in de woonkamer. Het is de normaalste gang van zaken in Iran; het enige land ter wereld waarvan de voltallige bevolking lid is van Couchsurfing. Privacy is hier een onbekend fenomeen. Mijn creditcardgegevens zijn intussen ook nog bekend bij de bank waar we ons de volgende dag melden, maar erg veel hebben ze er niet mee gedaan. “Kom over een kwartier maar terug voor het geld,” beloven ze ons eerst nog. Daarna blijkt de contactpersoon in Tehran niet bereikbaar te zijn. De vrouw waarmee we spreken heeft geen idee hoe hoog de commissie over het op te nemen bedrag zal zijn. Ja, geld opnemen kan tegenwoordig in Iran, maar erg transparant is het allemaal niet. Om dure verrassingen te voorkomen gaan we toch maar geld wisselen. We zien later wel weer verder.

We laten de hectiek van Gorgan achter ons, maar het rijgenoegen verbetert maar mondjesmaat. Met een Nederlands rijbewijs, eventueel aangevuld met de internationale variant, ben je overal ter wereld rijbevoegd. Een Iraans rijbewijs is alleen in Iran geldig. En zelfs daar wordt het je afgeraden er ook daadwerkelijk mee de weg op te gaan. Iran heeft naar verhouding het hoogste aantal verkeersdoden ter wereld. Gare Paykans en Saipa’s – met meereizende vrouwen steevast op de achterbank – demonstreren dat de APK in dit land optioneel is. Oversteken betekent rennen voor je leven en bij politieposten vormen opgestapelde autowrakken een huiveringwekkende waarschuwing voor de gevaren waaraan we ons, samen met miljoenen Iraniërs, blootstellen. Een kustroute vol overprikkeling volgt. De strook langs de Kaspische Zee is zonder enig plan volgebouwd, met chaotisch verkeer dat zich door half afgebouwde dorpen en steden wurmt. Het moet één van de lelijkste stukken van Iran zijn. We krijgen ongeïnspireerd eten voorgeschoteld in een louche eettent, worden afgezet en naar buiten gejaagd. Doodmoe parkeren we in het donker op een camping aan het strand, waar de eigenaar ons vriendelijk onthaalt en thee voor ons zet.

De camping lijkt een vrijplaats tot waar de strenge blik van de ayatollah niet reikt. Vrouwen roken qalian, schudden me de hand en doen demonstratief hun hoofddoek af. Zwemmen gebeurt wel met een onmiskenbaar islamitisch tintje: geheel gekleed zoekt Eva verkoeling in het water van de Kaspische Zee. Even op adem komen voordat we het gejaagde verkeer weer opzoeken. Pas voorbij Fuman, wanneer we de verpeste kust al ruim honderd kilometer achter ons hebben gelaten, maakt de drukte van de bebouwing plaats voor de drukte van dagjesmensen en vakantiegangers. Iedereen is op weg naar Masouleh, een dorp op 1050 meter hoogte in het Alborzgebergte. Naast het natte wegdek zien we eettentjes en zelfs picknickbanken in boomhutten. De lucht wordt steeds koeler.

Masouleh is prachtig. De geelbruine, lemen huizen van het duizend jaar oude dorpje klampen zich vast aan de berghelling en aan elkaar. Elk huis lijkt op een ander te leunen; houvast te zoeken om niet de diepte in te glijden. De daken van de ene rij huizen vormen de straten voor de hoger gelegen gebouwen. Trappen en terrassen vormen een doolhof waarin alleen voetgangers kunnen verdwalen – de huizen van Masouleh zijn onbereikbaar voor welk vervoermiddel dan ook. Een met canvas overdekte bazaar strekt zich uit over minstens drie verdiepingen, onderling verbonden door een wirwar van trappen en galerijen. Manden vol gedroogde kruiden, bernagiebloemen en dozen met warme koluche koeken staan voor de talloze winkeltjes uitgestald.

Masouleh is een populaire bestemming bij jongeren. In het Alborzgebergte worden de hoofddoeken net iets verder naar achteren geschoven en vragen de vaak hoog opgeleide toeristen ons wat kinderen op Nederlandse scholen eigenlijk leren over Iran. Het verzet tegen het fanatiek religieuze regime is subtiel, maar onmiskenbaar aanwezig. Van de zedenpolitie is geen spoor te bekennen, al waagt slechts een enkele vrouw het helemaal zonder hoofddoek te poseren. Naast de gebruikelijke neuscorrectie laten de vrouwen waarmee we thee drinken een zelfverzekerde glimlach zien. Op de tafels staan hookahs; rook kringelt loom omhoog uit tientallen monden.

Een slaapplek vinden valt niet mee in Masouleh. De vakantie is begonnen en hotels zijn zeldzaam in Iran. We moeten genoegen nemen met een groezelig kamertje met een bonte verzameling matjes, dekens en lakens om op de grond uit te spreiden. Bedden zijn al even zeldzaam in Iran. En echt schoon ziet het er allemaal niet uit. Voorlopig blijven we nog even in het dorp. De lucht boven Masouleh kleurt loodgrijs en een hevig noodweer barst los boven het Alborz. De Iraanse vlaggetjes in de straten flapperen rusteloos in de aanzwellende wind; bliksemschichten flitsen door de lucht. Gelukkig heb je in dit land altijd gezelschap. Een groepje reizigers schuift bij ons aan op het terras van een restaurant en bij een Iraans biertje (‘Enjoy drinking’ staat er op de blikjes, maar dat is een hele uitdaging met deze zoete, non-alcoholische prikdrank) vertellen ze over hun tour met de Madventurers. Een reisbureau dat zich specialiseert in overland trips die soms wel zeven maanden duren. In een enorme truck reist de groep van Kuala Lumpur naar Londen. Het lijkt me geweldig. “Heb je een vrachtwagenrijbewijs?” vraagt chauffeur Dave. “Als je tien minuten hebt kan ik er wel één vervalsen,” antwoord ik. “Kom morgen maar terug,” lacht Dave, “dan krijg je een contract voor tien jaar van me.”

Een onverharde weg leidt vanuit Masouleh dieper het Alborz in. Iedereen raadt ons af deze weg te nemen, op de restauranteigenaar van de vorige avond na. De lucht is inmiddels weer strakblauw. We wagen het erop. Hoe verder we rijden, hoe meer de dagjesmensen plaats maken voor agames, slangen en hoppen. Klaprozen kleuren de berghellingen rood. Ver komen we niet. Daarvoor is het hier te mooi. We kamperen in een bloemenzee vol bontgekleurde vlinders, rupsen, kevertjes en sprinkhanen, waar Ilva en Rune met water uit tal van irrigatiekanaaltjes spelen. Af en toe zien we een eindje verderop een krom lopende herder of een boer op een ezeltje voorbij gaan.

Na deze adempauze durven we ons weer in het turbulente verkeer te storten. Met uitzicht op de besneeuwde top van de Kuh-e Sabalan rijden we naar Iraans Azerbeidzjan. Iedereen lijkt op weg naar provinciehoofdstad Tabriz en in de berm staan honderden tenten. Want waarom zou je het bij een picknick op het trottoir laten als je ook langs de weg kunt kamperen? Pas nadat we de afgeladen volle moskee van Ahar voorbij zijn en we de hoofdweg verlaten, wordt het verkeer rustiger. We rijden naar het noorden, in de richting van de grens met Nagorno-Karabach.

Iran staat bekend om zijn woestijnen, islamitische architectuur en de grootsheid van plaatsen als Esfahan, Shiraz en Persepolis. Maar hier in het Arasbarangebergte zien we meer van het Iran dat wij hebben leren kennen op onze tocht dwars door het noorden van het land. Door groene bergen vol wilde bloemen lopen we naar Qaleh Babak, een kasteel op 2300 meter hoogte dat aan alle zijden omgeven is door steile kliffen en bergkloven van ruim 400 meter diep. Onderweg vangen Ilva en een Iraans vriendinnetje muurhagedissen. “Welkom in Iran, welkom in Azerbeidzjan, welkom in Kaleybar,” horen we de hele dag. Iedereen is vriendelijk en een groep stoere jongens wil Ilva en Rune helpen bij de moeilijke beklimming. Daarvoor zijn onze kinderen te eigenwijs. De nootjes, koekjes, mandarijnen en komkommers die ze aangeboden krijgen, accepteren ze maar wat graag.

Super aardig bedoeld natuurlijk, maar soms is de overdaad aan gastvrijheid fucking irritant. Probeer maar eens te gaan wildkamperen in Iran. Op zoek naar een rustige plek rijden we tien kilometer over een verlaten zandweg. Aan het eind staat één boerderij en voor we goed en wel doorhebben wat er gebeurt zitten we binnen in een ruimte met alleen een tapijt en kussentjes aan de thee, kip en gefrituurde aardappelreepjes. Een warm onthaal waar wij als Nederlanders veel van kunnen leren. Toch slapen we, met het oog op Ilva’s stofallergie en de vele tapijten binnenshuis, in de bus. We hopen dat we de gastvrije familie hierdoor niet al te zeer beledigen.

Op de valreep zien we toch nog één mooi gebouw in Iran. Het noorden van het land stelt cultureel weinig voor, maar het Sheikh Safi al-Din mausoleum in Ardabil doet met zijn geglazuurde, blauwe tegeltjes denken aan de kleurrijke madrassa’s van Oezbekistan. Een weg vol haarspeldbochten slingert van Ardabil door mistige loofbossen naar de Kaspische Zee. Rune drie bolletjes overheerlijk Iraans ijs laten eten voor we ruim 1300 meter dalen over een misselijkmakende achtbaan van een weg was niet slim.

De camping in Astara waar we onze laatste nacht in Iran doorbrengen is een troosteloze plek. Het grauwe water van de Kaspische Zee spoelt in futloze golfjes over het met meloenschillen en plastic afval bezaaide strand, Magere koeien sjokken doelloos door de motregen. Een man met een grijze snor wenkt me naar zijn kiosk. Achter het opzij geschoven gordijn word ik opgewacht door nog vier mannen. Een glas wordt in mijn hand geduwd en gevuld met een kleurloze vloeistof. “Whisky,” beweren ze. “Gesmokkeld uit Azerbeidzjan.” Het bocht ruikt naar ontsmettingsmiddel. Connaisseurs zijn dun gezaaid in een land van godsdienstfanaten. Mobiele telefoons worden tevoorschijn gehaald; de pornofilmpjes zijn snel gevonden. De mannen grijnzen. Kijk ons eens stout zijn. Het is rebelleren in het geniep; een stuk minder subtiel dan de verder naar achteren geschoven hoofddoekjes in Masouleh. Er wordt opnieuw ingeschonken, maar ik vlucht de motregen weer in.

De grens met Azerbeidzjan is niet ver. De douaniers rekenen $50 voor de verwerkingskosten van ons Carnet de Passages, parkeerkosten en brandstofcompensatie. Een liter diesel kost in Iran maar 27 eurocent en als buitenlanders krijgen we bij het verlaten van het land een naheffing. De stempels op ons Carnet (een document waarmee we beloven onze bus niet te verkopen in Iran) hebben we nodig om bij thuiskomst €5000 borg terug te krijgen van de ADAC, maar de praktijken aan de grens voelen als oplichterij. Gelukkig kan ik in mijn portemonnee laten zien dat we niet meer dollars bij ons hebben. Wanneer we de Astarachay oversteken en het land verlaten weet ik nog steeds niet wat ik van Iran moet denken. Van alle landen die we tot nu toe hebben bezocht voel ik me hier het minst thuis. En toch zouden we juist naar Iran het liefst nog eens terugkeren, om meer te zien van dit uitgestrekte en intrigerende land. Want van Iran onthouden we vooral de kleurrijke contrasten en de warmte van de mensen. Hoe anders en onbegrijpelijk het er voor ons ook toe gaat, je kunt niet anders dan je er in onderdompelen.

The VVitch: A New England Folktale
Wat als je niet van jurken houdt?

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*