Cursus geduld uitoefenen, les 1: Roemenen

Servië mocht dan minder ruig zijn gebleken dan geadverteerd, we zouden ons boevenland krijgen deze vakantie. Wachtend aan de grens tussen Vršac en Moraviţa scheurde een auto plankgas rakelings aan ons voorbij. In z’n achteruit. Twee douaniers, de dienstwapens al in de aanslag, sprintten er achteraan. Een net de grens gepasseerde Roemeen werd staande gehouden, waarna zijn auto gevorderd werd. Voor we goed en wel beseften wat er gebeurde was ook dit voertuig vol gas de bocht om vertrokken. Dit had ook anders af kunnen lopen, bij mindere stuurmanskunsten van de voortvluchtige Roemenen of losse vingers aan de trekker. Boevenlanden zijn leuk; nipt langs je heen fluitende kogels niet.

Ver kwamen de bandieten vast niet, met het Servische gedeelte van de grens als lastige hindernis voor zich. Al voltrok de afhandeling van het akkefietje zich buiten ons gezichtsveld, de sfeer aan de grens bleef gespannen. Torenhoge stapels in beslag genomen sloffen sigaretten balanceerden vervaarlijk naast de auto’s die steekproefsgewijs werden gedemonteerd. Iets verderop stonden politiewagens dwars op de weg geparkeerd, de alerte grensbewakers die erbij stonden duidelijk in afwachting van wat komen ging. Een mat van kraaienpoten werd opgerold, waarna gebaard werd dat we snel door moesten rijden. Achter ons werden de pinnen weer in stelling gebracht. Wat een grens. Eindelijk weer een echt boevenland!

Het betere knip- en plakwerk (EH)

Door de pannenkoekplatte Banat reden we naar Timişoara, waar het gedaan was met het tempo. Het verkeer wurmde zich onoverzichtelijk door het chaotische stratenplan van de stad die ooit als westers bekend stond, toen dit nog een loftuiting inhield. Onze vrienden Edmond en Alina herinnerden ons hier meteen weer aan de aard van de Roemenen: inefficiënt qua tijdgebruik, niet in staat zelfstandig iets te plannen of te regelen en o zo sympathiek. Na een Roemeens anderhalf uurtje konden we de volgende ochtend op pad, samen met Jimmy en Ami. Uren in een auto met een buitentemperatuur van 36°C in de schaduw. Het was goed dat we de verkoeling van de bergen tegemoet reden, te beginnen met de knip-en-plak-kerk van Densuş. Gebouwd op een mausoleum van een Romeinse soldaat met brokstukken van eveneens Romeinse ruïnes. Een interessant staaltje recyclen; een kunst die Roemenen nu, acht eeuwen later, weer een beetje beginnen op te pakken.

Over weggetjes die niet onderdeden voor wat we in Servië ternauwernood hadden overleefd reden we nu echt de Karpaten in, tot we na elf jaar Costeşti weerzagen. Hier begon onze kennismaking met Roemenië, zoveel jaar geleden. We waren nog kinderen, als ik de foto’s van toen nog eens bekijk. Dacische krijgers begroetten ons vanaf een in de tussentijd gebouwde toegangspoort, tussen Costeşti en de Dacische hoofdstad Sarmizegetusa Regia. Erg stoer zagen ze er niet uit, in het wit op een lichtblauwe achtergrond.

Tussen de glooiende, bosrijke bergen zochten we een plek om te kamperen. Onze vrienden waren bang dat hun tenten gestolen zouden worden wanneer we een reguliere camping zouden verkiezen boven wildkamperen. Een angst die misschien minder onrealistisch was dan raadselachtig Roemeens, maar Eva en ik zagen geen bezwaar in wildkamperen. Niet vlakbij Costeşti, maar een eindje verderop, van de grote weg af in een zijvallei met de uitnodigende naam ‘Slechte Vallei’. Zoals al vermoed was vooral de tijdsplanning van onze vrienden slecht. Na het uitgestelde vertrek vanuit Timişoara was het tijd voor les 2 in onze cursus geduld uitoefenen: opstaan met Roemenen. Pas om één uur ’s middags, nadat Ilva al uren gehuild had, konden we vertrekken. Met alleen Jimmy en Ami. Edmond bleef bij Alina, die zich niet lekker voelde.

Hoeveel kinderen op de crèche hebben zo'n vakantie? (EH)

Zes volle uren waren er dus nodig om twee Roemenen vertrekklaar uit hun tent te hijsen, maar goed, we waren onderweg. Onderweg naar Luncani Piatra Roşie, een van de minder bekende Dacische citadels. Met reden, want het ding leek nauwelijks meer dan een omgevallen kruiwagen bemoste stenen. Bijkomend nadeel van de relatieve anonimiteit van het historisch monument, nota bene deel uitmakend van de werelderfgoedlijst van UNESCO, was dat Piatra Roşie slecht was aangegeven. De rood gemarkeerde route liep dwars over een erf met een grote, valse hond. Na teruggelopen te zijn en gevraagd te hebben of er geen andere weg mogelijk was, bleek dat we de ruïnes al lang voorbij waren. Piatra Roşie in de Luncani-vallei gaf weinig prijs over het verleden: fundamenten van torens en bewijs dat de Roemenen al 2000 jaar ervaring hebben met het aanleggen van belabberde wegen. Meer niet.

Daar we nu toch in het Grădiştea de Munte-Cioclovina natuurpark waren, konden we de Cioclovina-grot wel weer eens opzoeken. De vorige keer lukte dit alleen omdat we een getekende kaart en de tekenaar hiervan in ons bezit hadden. Nu hadden we geen gids, maar wel bordjes die de richting wezen. Eva meende zich een steile klim te herinneren, dus omhoog zouden we. Aan paddenstoelen was hier geen gebrek, maar de grot was nergens te bekennen. Nu naderden we Cioclovina ook vanaf de andere kant dan elf jaar geleden. De voorkant van een grot is vaak nog wel als dusdanig te herkennen, met een groot, zwart, gapend gat – maar zie de achterkant maar eens te lokaliseren. In plaats daarvan kregen we les drie voor onze kiezen: leer Roemenen nooit iets over paddenstoelen. Als Roemenen ergens enthousiast over worden is het hek van de dam.

Veel, heel veel eetbare maar ook snotterige oude en oneetbare paddenstoelen later reden we uitgeput terug door een dorpje met fietsende kinderen, herders, een kudde geiten en omaatjes met bossen hout. Het leek onhaalbaar niets te raken in Ocolisu Mic, maar men rekende hier dan ook totaal niet op gemotoriseerd verkeer. Ook niet even buiten het dorp, op een weg in aanbouw. Schichtig keek de Roemeen met paard en wagen die hier stenen stond te stelen ons aan. Het was dan wel geen flitsende dag vandaag, maar hoeveel kinderen op de crèche zouden een vakantie hebben als Ilva? Om half elf zat ze bij ons op schoot watermeloen te eten bij het kampvuur. Eindelijk at ze fruit.

Oh, bedoel je dat met andesieten (EH)

Dat Roemenen o zo sympathiek zijn had ik geloof ik al gezegd. ’s Ochtends stopte er een auto voor onze tenten. De man die uitstapte had ons de dag ervoor al zien staan en kwam ons tomaten, honing en zelf gebakken brood brengen. Edmond was verbaasd – oprecht vriendelijke gebaren had hij al een tijd niet meer gezien in zijn land, dat volgens hem in hoog tempo verloederde. Net voor het onverwachte bezoek had ik Oost-Europa nog opgehemeld. Hier zijn de mensen bereid het weinige dat ze hebben met anderen te delen- daar kunnen wij in Nederland nog wat van leren.

Ook Sarmizegetusa Regia was niet meer wat het geweest was, volgens Edmond. Er lag een hekje omver, stenen en bomen waren vol namen gekerfd en er kwamen steeds meer toeristen. Dat laatste was zeker waar, maar de Dacische hoofdstad maakte op ons helemaal geen verwaarloosde indruk. Integendeel – de tenten van het archeologiekampje stonden netjes in het gelid, afval werd verzameld en de monumenten betreden was strikt verboden. Aan de houten palen van het Grote Heiligdom hing vandaag geen was te drogen en er werd ook niet tussen gevoetbald door archeologen. De nieuw aangelegde weg waarop we tot vlakbij Sarmizegetusa Regia konden komen mocht de plaats misschien iets minder afgelegen en exclusief maken, het bleef een bijzondere plek met zijn resten van tempels, de andesieten zonneschijf, tegelweg en dikke, beschermende muren hier hoog in de bergen.

Ilva vond naast watermeloen ineens alle fruit lekker. Tussen de Dacische heiligdommen at ze een appel uit de hand. Gepureerd fruit is suf, fruit dat je vast kunt pakken is lekker: bramen langs de weg, peertjes die ze op de markt in Timişoara kreeg, pruimen, bananen en nu dus een appel. Goed, het vasthouden van een watermeloen was nog wat hoog gegrepen. Opnieuw werd het gezellig bij het kampvuur die avond, ondanks de regen. Een sportschooltype uit Bucureşti met kale kop stapte nu uit zijn auto om eens met ons te praten. Trots liet hij zijn tatoeage van een Dacische Wolf zien en schonk onze mokken tot de rand toe vol met zijn petfles ţuică. De bubbeltjestest kende ik al, maar Jimmy spuugde wat ţuică in het vuur om te zien hoe sterk de drank was. Dat gaf een leuk effect: “It’s strong!” Eigenlijk viel dat wel mee, maar veel was het zeker. Mat mijn halfvolle mok ţuică in de hand de rook van het nat geworden hout inademend, dacht ik dat we wel zouden slagen voor onze cursus geduld uitoefenen.

Een controversieel verhaal graag
Mijn vriend, de Donau

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*