Daciërs zijn zó vorig jaar

Ik ben niet de enige die van graven houdt. De Roemenen kunnen er ook wat van. Het verschil is dat zij dingen uit de grond halen waar ik ze erin stop. Alleen zijn ze niet op zoek naar flauwekul die ik heb achtergelaten, maar naar sporen van Daciërs.

Volgende keer meenemen: een functionerend fototoestel

Ja, de Daciërs, dat was me het volkje wel. Roemenië gaat er prat op het enige Latijns-Romeinse land in een Slavische zee te zijn, maar de Daciërs waren niet bepaald fan van deze Romeinen. Voordat keizer Trajanus het hele gedoe in 106 van onze jaartelling beu was, heette Transsylvanië en omgeving nog Dacia. Waar Dacia nu nog slechts terug te vinden is in een de Lada en Trabant naar de kroon stekend Oost-Europees automerk en een handjevol voetbalclubs, was dit eens een trotse staat die de Romeinse legers verrassend lang buiten de landsgrenzen wist te houden.

Ruïnes van enkele Dacische citadels bevinden zich in het Şureanu-gebergte in het zuidwestelijke deel van de Karpaten. Vanuit Sibiu reisden we per trein naar Orăştie en vandaar per bus naar Costeşti. In Costeşti was geen camping te vinden, geen restaurant, niks. Wat een heerlijke vakantiebestemming. Samen met een paar Roemeense jongens en meisjes kampeerden we wild. Onze tent stond langs een riviertje in de schaduw van het loofbos, vlakbij iets wat op een (failliete?) camping leek. Hier was een heel weeshuis op zomerkamp, en dat hebben we geweten. We aten namelijk mee.

De maaltijd zag eruit als kots, maar smaakte erger. En dan is het zuur dat de tent buiten het dorpje staat en je anderhalve kilometer moet lopen naar de plaatselijke bar. Geen vervelende wandeling trouwens: de auto’s die in de drie kwartier dat Eva en ik langs diezelfde weg ansichtkaarten schreven voorbij reden, waren op één hand te tellen. Door zon en noeste arbeid verweerde mannetjes en vrouwtjes maaiden de hellingen langs de weg zonder machines. Stevige vrouwen gooiden het hooi met een riek op een grote hoop. Nieuwsgierige bejaarden klampten ons, vreemdelingen in een veelal genegeerd deel van Europa, aan om ons verhaal te horen. Het verhaal van deze toehoorders was veel interessanter, hoewel ik pas twee jaar later Roemeens zou leren spreken.

Enkele halve liters later werden we omhuld door een pikzwarte Transsylvanische nacht. Gaan cafés in Roemenië ooit dicht? Ik weet het niet, maar we waren moe en de slaapzakken in onze tent boden ons een aantrekkelijk vooruitzicht. Buiten het dorp werd ons pad slechts door maneschijn verlicht, maar de nachtelijke Karpaten waren eerder een geruststellende aanwezigheid dan dat ze ons een oncomfortabel gevoel bezorgden.

Daciërs - hun Bataven

Diezelfde dag hadden we de Dacische ruïnes van Cetatea Costeşti bezocht. Zoals vaker deze vakantie was de routebeschrijving in onze Hiking Guide to Romania vaag. De uitleg was meestal voor meererlij interpretaties vatbaar, waarmee deze reisgids Roemenië treffender weergeeft dan andere boeken. Het ging na honderd meter al anders dan in de tekst beschreven. Het nationaal erfgoed van de ruïnes was natuurlijk nergens op wegwijzers aangegeven. Na een fikse klim bereikten een geïsoleerde boerderij. En jawel, hier werden ansichtkaarten en informatiefolders over de Daciërs verkocht. Aan wie, vroegen wij ons af. Rondleidingen werden er niet gegeven, de citadel zelf lag nog een stukje klimmen verderop. Op ons na had niemand zich de moeite getroost de ruïnes te bezoeken. Na de Daciërs en Romeinen leek ook de Roemeense bevolking uit de 20e eeuw de citadel in de steek te hebben gelaten. Tussen oude stenen muren liepen nu alleen nog hagedissen.

Het beloofde een lange en deels saaie wandeling te worden naar Sarmizegetusa Regia, de hoofdstad van Dacia, ware het niet dat we een lift kregen van arbeiders tot Grădiştea de Munţe. Kijk toch eens naar dat dorpje op de kaart van Roemenië. Drie tegen één dat het er geeneens opstaat. Op onze ADAC LanderKarte (1:500.000) is het dorpje te vinden aan het einde van een dun, kronkelend lijntje. Waar het zandpad in het dorp eindigt houdt de wereld op. Hoewel, echt ì­n het dorp eindigde de weg niet. Om het ‘centrum’ van Grădiştea de Munţe te bereiken moesten we de rivier oversteken. Dit kon alleen via een boomstam die dienst deed als brug. In het dorpje wilden we wat voorraden inslaan. Na een bezoekje aan Sarmizegetusa Regia wilden we in een paar dagen door het Şureanu-gebergte naar Petroşani lopen.

Nog geen tien kilometer van Costeşti rezen hier reeds de eerste twijfels. De dorpswinkel verkocht brood noch water. Als wapen tegen de dorst kon gekozen worden uit Haţegana-bier in literflessen en roze Fanta. De keuze was snel gemaakt. Wat het brood betreft durfden we de boude bewering van de vrouw in het winkeltje in twijfel te trekken. “Wat is dat dan?” gebaarde ik in mijn beste lichaamstaal naar een bak vol broden. “Ja, maar dat is bruin brood,” sprak de vrouw op een toon die impliceerde dat ìk degene was die uit een achterlijk land kwam. Daar konden we het dus mee doen. Bruin brood en bier, het dieet van alpinisten.

Het bergpad dat heden en verleden met elkaar verbond (al is het predikaat ‘heden’ haast een scheldnaam voor het onbevlekte Grădiştea de Munţe) zou enkele jaren later wel eens aan begaanbaarheid gewonnen kunnen hebben – en aan charme verloren. Hier werd letterlijk aan de weg gewerkt. Van alle projecten waar in Roemenië aan wordt gewerkt – restauratie van monumenten, begaanbaar maken van snelwegen tussen grote steden, de bouw van een Dracula-pretpark en noem maar op – scheen dit me als een van de meest zinloze toe. Waarom veranderen wat goed is?

Gelukkig waren de werkzaamheden in 1999 nog niet ver gevorderd, en kort nadat we de arbeiders gepasseerd waren sloten we ons bij een groepje Roemeense jongeren aan. Naïef wat betreft de gewoonten van het volk als we toen nog waren verbaasden we ons erover dat het groepje op slippers de bergen tartte, terwijl de mannen alle bagage moesten torsen. Om twijfel over de rolverdeling tussen de seksen onmogelijk te maken gilden de meisjes toen ik een hagedis ving en aan ze liet zien. Rare jongens, die Roemenen.

Sarmizegetusa Regia

De acht kilometer bergopwaarts in de blakerende zon vielen zwaar, maar constateren dat onze reisgenoten het er nog zwaarder mee hadden gaf ons nieuwe energie. De route – hoewel nergens als zodanig bewegwijzerd – was duidelijk tot plots na een bocht de stadsmuren van Sarmizegetusa Regia voor ons opdoemden. Beschut in de schaduw van het berkenbos had Indiana Jones ons met geen verborgen tempel meer plezier kunnen doen.

Een perfect geconserveerd stenen pad leidde omhoog naar de heilige top van de citadel, op 1200 meter hoogte in het gebergte. Fundamenten van tempels omringden een monument dat vast nog indrukwekkender was als er geen was aan tussen de stenen gespannen drooglijnen had gehangen. De zonnekalender van de Daciërs werd voor een minder verheven maar meer praktisch doel gebruikt door een groep archeologen. De tenten stonden kris kras verspreid in en om de geometrisch gearrangeerde figuren uit lang vervlogen tijden. Ach ja, biologen vertrappen allerlei planten op weg naar een zeldzamere soort, dus wie was ik om deze archeologen op de vingers te tikken?

Ik dacht da'k een beer hoorde...
En maar marcheren achter dat IJzeren Gordijn

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*