Dagestan

De agenten in het grenskantoor dragen stuk voor stuk een kogelwerend vest. Achter hen liggen helmen; tegen de muur staat een rij automatische geweren. Het reisadvies voor Dagestan is negatief. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarschuwt voor terroristische aanslagen, ontvoeringen, mijnen, gewapende conflicten en criminaliteit. “Dagestan is not a safe tourist destination by any stretch of the imagination,” lezen we in een bijzonder negatief artikel op Wikivoyage. Wikitravel is iets positiever: “Dagestan is certainly not a ‘traditional’ tourist destination and better suited for the more adventurous traveller.”

Op basis van gesprekken met lokale inwoners en reizigers die de republiek recent bezochten, concluderen we dat deze waarschuwingen (deels) achterhaald zijn. Geweld is tegen leger en politie van de Russische ‘bezettingsmacht’ gericht. Toeristen zijn te gast en worden niet in het conflict betrokken. Er is al tien jaar geen buitenlander meer ontvoerd. Toch is de sfeer aan de grens gespannen. Terwijl we tot nu toe bij geen enkele politiepost hoefden te stoppen, is het hier binnen korte tijd twee keer raak. Het blijft niet bij een korte controle van onze papieren: bij de brug over de Sulak worden al onze paspoortgegevens genoteerd.

Dan, na bijna twee weken onderweg en ruim 4000 kilometer van huis, zie we ze: de bergen. De Kaukasus! Ingeklemd tussen de uitlopers van de Noordelijke Kaukasus en de Kaspische Zee ligt de Dagestaanse hoofdstad Makhachkala – een heksenketel van chaotisch verkeer en lukraak verzamelde bouwstijlen; eerder Aziatisch dan Europees. Een stad met officieel 600.000 inwoners, al weet elke Dagestaan dat hier ruim een miljoen mensen wonen. Vanaf de wijk Tarki kijken we uit over de duizenden lichtjes van de stad, met daarachter het gapende zwart van de zee.

Bagdat, een vriend van een vriend, wil ons graag wat van Makhachkala laten zien – maar dan wel op zijn manier. Bagdat heeft bedacht dat we graag naar een traditioneel eetcafé willen. Eten zoals de locals: plov, kebab en friet, verstopt achter een gordijn. Een idee waar Ilva en Rune maar matig enthousiast op reageren. Jezelf in anderen inleven is soms erg moeilijk. “Waarom nemen jullie je kinderen eigenlijk mee op reis?” vraagt Bagdat oprecht. Nadat hij zijn beklag heeft gedaan over het slechte brood en de gebrekkige gezondheidszorg in Dagestan, verbreekt Bagdats collega Zaur ons zelfopgelegde isolement door het gordijn open te slaan. Zaur vertelt laconiek hoe hij als journalist met de Dagestaanse censuur omgaat, drinkt een kopje van de thee die Bagdat voor iedereen gekozen heeft en nodigt ons uit voor het dorpsfeest dat dit weekend in zijn geboortedorp Uri plaatsvindt.

We laten de stank en het lawaai van de grote stad zo snel mogelijk achter ons en rijden de volgende ochtend door de stoffige en chaotische buitenwijken de bergen in. Een wegenkaart van Dagestan hebben we niet. Reizen door de Noordelijke Kaukasus is puzzelen. Praten met andere reizigers, kijken waar op Google Maps foto’s te vinden zijn – street view is uiteraard niet voorhanden – en af en toe en beetje geluk hebben. De Lonely Planet doet Dagestan, Tsjetsjenië en Ingoesjetië samen in een halve pagina af: pas op, reis hier niet heen. Een Engelstalige gids van de Noordelijke Kaukasus bestaat niet. Een Russische evenmin.

Het duurt niet lang voor het asfalt slechter en de bergwanden steiler worden. Na het geel, grijs en bruin in het vlakke noorden van de republiek kleuren de berghellingen hier groen. Een week voor vertrek zie ik op Instagram een foto van de Salta waterval. Meer dan die ene foto en de plaatsnaam heb ik niet, maar aan het eind van een kilometerslange gravelweg staat de waterval zowaar op een geïmproviseerd bordje aangegeven. (Inderdaad, aan het eind van de weg, niet aan het begin.) De waterval is alleen te voet bereikbaar, wadend door een kronkelende, labyrintachtige canyon die op sommige plekken niet meer dan een meter breed is. En er zijn andere toeristen – allemaal uit Makhachkala. Voor hen zijn wij net zo’n bezienswaardigheid als de waterval zelf. We moeten met iedereen op de foto.

Aan het eind van de kloof waden we een grot in. Het krachtige water heeft een gat in de rotsbodem gesleten en stort zich nu een verdieping lager in een heldere poel. Tien minuten lang hebben we de ondergrondse waterval voor ons alleen. De dorpsbewoners die even buiten de kloof wodka hijsen en in het ijskoude bergwater zwemmen lachen om onze verbazing dat hier zo weinig toeristen komen. “In de bergen iets verderop zijn nog veel meer watervallen. Veel hogere en mooiere ook! Je kunt er alleen te voet komen, dus daar komt echt geen mens.”

Zelf zijn de inwoners van Salta meer te spreken over het centrum van hun dorp. Op een pleintje zitten een stuk of zes mannen op leeftijd, die me allemaal de hand schudden en welkom heten. Magomed leidt ons rond en brengt ons naar de ‘Spin en Schorpioen’, een kitscherig, metershoog beeld vlakbij een kustgrasveld. “Hier komt binnenkort asfalt,” vertelt Magomed trots. Het summum van civilisatie. Er wordt duidelijk geïnvesteerd in Salta – meer financieel dan in de vorm van goede ideeën.

In het donker rijden we terug over de gravelweg en dwars door een riviertje naar ons guesthouse vlakbij Salta. Anas en Elvira nodigen ons uit voor watermeloen en thee. “De Vikingen, die kwamen toch uit Nederland?” vraagt Anas. Ik vertel hem dat ze wel eens bij ons op bezoek kwamen. “Nou, in Dagestan had je ook een soort Vikingen,” vertelt hij. “Die gingen op plundertocht naar Georgië. Geen goede vechters, de Georgiërs, maar ze maken prima wijn! En dan namen we allemaal leuke dingen en vrouwen mee terug naar Dagestan. Dat deden die ‘Vikingen’ niet alleen in Georgië, maar overal in de Kaukasus. En nu is Dagestan een bonte mix van volkeren en worden er hier dertig tot veertig talen gesproken!”

Of dergelijke ondernemingsgezindheid echt de basis vormt voor de demografische samenstelling van de republiek betwijfel ik, maar het is waar dat de diversiteit in Dagestan bijzonder groot is. Anas en Elvira behoren tot de Avaren – met bijna 30% de grootste etnische groep. Dan heb je nog de Dargiërs, de Koemukken, de Lezgiërs, de Laken en zo nog een stuk of dertig. Nog geen vier procent van de Dagestanen is etnisch Rus, maar het Russisch is wel de verbindende en belangrijkste van de dertien officiële talen.

Anas ziet zichzelf graag als moderne Viking. De deksel van de oven in zijn tuin is een prachtige platte steen uit Gamsutl. “Eerlijk gevonden,” licht Anas toe. En net als de Vikingen kijkt hij graag over de grens, zeker waar het de inrichting van zijn guesthouse betreft. De kamers doen verzorgd en Europees aan. Zo modern als Anas is waar het zijn interieursmaak betreft, zo conservatief zijn zijn opvattingen over Stalin. “Allemaal Streichbrecher, vijfde colonne en mensen die te veel praten, dat tuig dat in de Goelag belandde!” Stalin is nog altijd een populair discussieonderwerp in de Kaukasus. Veel Georgiërs, Russen en Osseten zetten hem op een voetstuk; gedeporteerde volkeren als de Tsjetsjenen en de Ingoesjeten zijn in het algemeen minder over hem te spreken.

Over golvend asfalt met hier en daar een politiepost rijden we naar spookdorp Gamsutl. Het ‘Machu Picchu van Dagestan’ is een versterkte nederzetting bovenop een bergtop. Auls zoals deze vind je overal in ondoordringbare en afgelegen delen van de Kaukasus. Georgië heeft de verdedigingstorens van Svaneti, Dagestan heeft het verlaten Gamsutl. “Er komen hier ontzettend veel toeristen uit de hele wereld,” vertelt Khurag trots. Zijn vader werd in Gamsutl geboren en Khurag bouwt nu zelf aan een nieuw huis aan de voet van de berg. “Uit Tsjechië, uit Brazilië, ja, zelfs uit India!” Zo lang je elke nationaliteit nog individueel kunt benoemen valt het volgens mij wel mee met de drukte. Wij zien vandaag alleen mensen uit Makhachkala. Langzaam stroomt Khurags erf vol met broers, ooms en neven. “Morgen is het feest in Gamsutl,” vertelt hij. “De eerste gasten uit de hoofdstad zijn al gearriveerd.”

Tot drie jaar geleden woonde er nog een stokoude man in Gamsutl, waar opvallend veel honderdjarigen leefden. “De oudste werd 127,” beweert Khurag. Nu is het sprookjesachtige ruïnedorp volledig verlaten. Eenmaal boven ontbreken ook de beloofde hordes buitenlandse toeristen. Samen met Salta is Gamsutl één van de absolute highlights van Dagestan, maar van de weinige bezoekers lijkt niemand zich goed voorbereid te hebben. “Is het nog ver?” puffen ouders die met kleine kinderen naar boven sjokken. De meeste van hen lopen op slippers. Onderaan de berg heeft Khurag thee voor ons gezet. Voor Ilva en Rune schudt hij een zak snoep leeg op tafel.

In Gunib, ooit het laatste bolwerk van waaruit Imam Shamil in de 19e eeuw weerstand bleef bieden aan de oprukkende Russen, bewijst Dagestan nog maar eens dat het nog niet klaar is voor massatoerisme – zo iemand hier nog aan mocht twijfelen. Winkels adverteren met basisproducten als meel en suiker en in het enige restaurant van het stadje hebben ze geen menukaart. We zijn te laat om het fort dat boven Gunib uittorent te bezoeken. In het donker rijden we over onverlichte haarspeldbochten terug naar ons guesthouse.

Voordat Imam Shamil de Russen – uiteindelijk tevergeefs – buiten de deur probeerde te houden, vochten de Dagestanen in de 18e eeuw tegen Nadir Shah Afshar. Even buiten Sogratl herinneren een moskee en een verdedigingstoren aan de bloedige veldslag waarin de opmars van deze ‘Napoleon van Perzië’ een halt werd toegeroepen. Een oude vrouw die in de boomgaard bij de moskee abrikozen plukt, grijpt de gelegenheid aan voor het huiswerk van haar kleinzoon. Na de vakantie moet hij – zoals elk schoolgaand kind in Rusland – een opstel over de afgelopen zomer schrijven. Met haar mobieltje maakt ze foto’s van ons en haar kleinkind bij het monument.

Met een zak vol abrikozen rijden we dieper de bergen in, over rotsachtige en steeds slechtere wegen. Dagestan is een verzameling geïsoleerde en vaak slecht bereikbare valleien. Een centraal wegennet ontbreekt grotendeels. Wie met elkaar in contact wil komen, moet over een zekere mate van doorzettingsvermogen of creativiteit beschikken. Dat zagen we eerder toen een spontane danswedstrijd ontstond tussen een groep Dagestanen aan de ene kant van een rivier en een jonge man en oudere vrouw aan de overkant. Drukke lezginkamuziek werd door de bergwanden weerkaatst. Nu doet een man aan de overkant van de vallei zijn best dit volume te evenaren. “Komen jullie hier lunchen?” roept hij naar onze picknickplek. We laten hem weten dat we eigenlijk wel goed zitten, maar de man geeft niet op: “Hier is het vlak en veel mooier!” Als we roepen dat we liever in onze bloemenzee blijven, stapt Bilal in zijn Lada en rijdt naar ons toe. We krijgen een zak tuinbonen en worden uitgenodigd om te blijven logeren, maar wij willen naar Uri. Bilal kijkt bezorgd naar de bewolkte lucht. “Dat kun je wel vergeten als het gaat regenen,” zegt hij. “Jullie zijn welkom in Shangoda.”

De weg wordt inderdaad nog slechter. “Kunnen we dit omhoog?!” roept Eva tijdens een afdaling. Ze durft niet meer te kijken. “Als het droog blijft wel,” denk ik. Ook de brug over de Tsamtichay biedt weinig vertrouwen. Aarzelend stuur ik onze bus de twee metalen balken op. Een pittige klim later rijden we Uri binnen. “Oh ja, die brug!” roept Zaur nadat hij ons omhelsd heeft. “Daar hebben wij onze wielophanging volledig gesloopt!” Maar daar hebben we het nu niet over. Eerst moeten we aanschuiven aan de eettafel, voor khinkal, met gehakt gevulde golubtsi’s, borden vol vlees, wodka en buzah. Het donkerbruine buzah – Dagestaans bergbier – oogt als een mix van koffiedrab en bruinebonenvocht. Voor de speciale smaakervaring moet je wel een beetje kauwen.

Lang mogen we niet van onze plastic bekertjes bergbier genieten. Het is een Dagestaanse traditie om elke zomer terug te keren naar het dorp waar je vader geboren is en daar het dorpsfeest te vieren. Er wordt gedanst, met gewichten geslingerd en er staan paardenraces op het programma. Die ontaarden al snel in een knallende ruzie tussen de deelnemers – we zijn tenslotte in de Kaukasus – maar na de nodige flessen wodka is iedereen het weer roerend met elkaar eens. “Het betekent veel voor ons dat je hier bent,” toasten de mannen. “Niet in je eentje, maar met je meest kostbare bezit: je kinderen.” De inwoners van Uri – net als Zaur allemaal Laken – zijn zich maar al te zeer bewust van het reisadvies dat voor Dagestan geldt. “Mensen denken dat het hier Afghanistan is,” wordt er schamper opgemerkt. “Je ziet zelf hoe het in werkelijkheid is.”

De eettafels bij het centrale grasveld raken maar niet leeg. Het ene na het andere gerecht wordt aangevoerd, terwijl er hevig gediscussieerd wordt welke familie ons te gast mag hebben. Voor de houten veranda van het dorpshuis worden de verhalen steeds sterker, zeker wanneer ik de onwaarschijnlijk hoge levensverwachting in Dagestan ter sprake breng. “Mijn oma is 150 en melkt nog elke dag de koeien!” pocht een man met een indrukwekkende, witte snor. “Zelf ben ik 85,” voegt hij eraan toe. Ik schat de man hooguit 60, wat in de Kaukasus meestal betekent dat hij ergens tussen de 45 en 50 jaar oud zal zijn. “Als je hier komt wonen word je zeker tien jaar ouder dan in Nederland,” meent hij. “Kom je volgend jaar weer? Dan weet ik het goed gemaakt. Dan krijg je er zo vijf jaar bij!”

Na een wandeling door de groene vallei is de rust in Uri weergekeerd. De lege wodkaflessen zijn van tafel gehaald, in de stallen melken vrouwen hun koeien en Zaur neemt afscheid van ons. Hij gaat terug naar Makhachkala. Ook een aantal gespierde worstelaars rijdt terug naar de hoofdstad, in Porsches die waarschijnlijk meer kosten dan het hele dorp en waarmee ik nooit over deze wegen zou durven rijden. We zijn te gast bij Shamil. Zijn huis ziet er oud uit, met een Arabische tekst op de steen boven de voordeur en donkere balken onder het houten plafond. Bij de recentere bijgebouwen speelt esthetiek een minder grote rol. Hier een vertrek van baksteen, daar van hout en overal kunststof kozijnen met de tape er nog op. Een harde verhoging van houten planken doet vannacht dienst als ons bed.

Shamil heeft geen goed woord over voor de Russen. “Rusland is een kolonisator. Wij hebben niets te zeggen in ons eigen land. Een referendum zoals op de Krim zal er in Dagestan nooit komen. Wat heeft Rusland daarbij te winnen? En wie zou al die verspreid levende stammen ook tegen de Russen moeten verenigen? Rusland kan hier doen wat het wil. Werk is er nauwelijks; een pensioen bedraagt 8000 roebel per maand. Nog geen 120 euro. Daar kan toch niemand van rondkomen?” Het zijn breed gedragen sentimenten – geen wonder dat Dagestan jarenlang een voedingsbodem voor religieus extremisme vormde. Maar dat is volgens Shamil ook een doodlopende weg. Liever zet hij een fles Derbent cognac op tafel.

“De eerste dag van het dorpsfeest is voor dans en spelen; de tweede dag is om te zuipen,” had Zaur ons gewaarschuwd. “Het zou zomaar kunnen gebeuren dat jullie schoenen zondagochtend verdwenen zijn, zodat je niet weg kunt.” Het blijkt mee te vallen, maar we bedanken voor een slemppartij in de bergen. Na het ontbijt met blini’s en bergkruidenthee rijden we over wegen die mogelijk nóg slechter zijn dan die van de heenweg naar het stadje Kubachi. Eén keer glijdt de bus dwars op de weg staand een stuk bergaf door de modder, maar met voorzichtig manoeuvreren krijgen we weer vaste grond onder ons. De route leidt langs checkpoints waar de politie ons uithoort, over wasbordwegen en langs aanplakbiljetten met de tekst ‘Wij zijn tegen terrorisme!’ In Dagestan rijden verveelt geen moment.

In Kubachi zijn we te gast bij Nina en Ramazan. Het is soms lastig wijs te worden uit hun Russisch met zwaar Dargisch accent, maar de gastvrijheid spreekt voor zich. De tafel wordt meteen bij binnenkomst vol eten gezet. Na de lunch loopt Ramazan met ons naar een uitkijkpunt waarvandaan we de chaotische wirwar van de oude binnenstad overzien. “Zien jullie die aul verderop?” wijst Ramazan. “Dat dorp was tot ver buiten Dagestan beroemd om de rijk versierde gouden sabels die er werden vervaardigd.”

Kubachi zelf staat bekend om zijn zilverwerk en net als de meeste inwoners is ook Ramazan zilversmid. Elke ochtend tussen vier en acht polijst hij zilveren bekers, borden en schedes in een slecht geventileerde kelder. Zijn mondkapje ziet zwart van het stof. Zo gaat het al eeuwen in Kubachi, maar het is de vraag hoe lang dit zo zal blijven. Steeds meer jongeren vertrekken naar Makhachkala en de oude binnenstad is nagenoeg verlaten. Ramazan voert me na het avondeten in het donker door een doolhof van nauwe steegjes, trappen en leegstaande huizen. In zijn hand houdt hij een apparaat dat een combinatie is van sterke zaklamp en gettoblaster. Aan het eind van een steeg brandt licht. Ramazan roept luid iets in het Dargisch, waarna de deur wordt geopend. Zilversmid Ibrahim, een neef van Ramazan, schenkt ons thee in. Op het vloerkleed zitten Ramazans blinde broer en zijn oude moeder. Ibrahim laat me de gravures zien die hij op drinkbekers en dolken maakt. Precisiewerk van een ambachtsman bij wie het vak al generaties in het bloed zit. Over een maand zal Ibrahim zijn geboortestad verlaten. Dan trouwt hij en vertrekt met zijn vrouw naar Makhachkala.

De volgende ochtend staat Ramazan weer vroeg op. Wanneer hij aanschuift bij het ontbijt heeft hij er al een halve werkdag op zitten. De meeste zilversmeden hebben thuis hun eigen kleine werkplaats, maar ze werken ook samen in het Konglomerat. Ramazan neemt ons mee naar een groot fabrieksgebouw met lichtblauw geverfde gangen. Druk is het er niet. Het kleine museum met ringen, sabels en drinkhoorns voor mensen met grote dorst wordt speciaal voor ons geopend. Ook voor het bastion, een toren met binnenin een etnografische tentoonstelling, trommelt Ramazan een jongen met een sleutel op.

Intussen heeft Nina de volgende maaltijd al klaarstaan. Plov, non brood en watermeloen – Nina is van origine Oezbeekse. “Twee dagen in Kubachi is veel te kort,” vindt Ramazan. En dus moeten we meteen na de lunch weer in zijn Lada Zhiguli stappen. “Mijn nieuwe auto gebruik ik alleen als ik naar Makhachkala of Derbent rij.” We snappen al snel waarom. De steile afdaling naar het dorp Shiri hadden we met onze bus nooit gered. Goed, bergaf misschien wel, maar om weer boven te komen zet zelfs Ramazan de verwarming vol aan om de motor zoveel mogelijk te koelen. Volgens Google Maps is dit niet eens een weg.

Zelfs onderweg naar een uitgestorven plaats als Shiri (acht inwoners) komen we mensen tegen. Er wordt gehooid met de zeis, een familie verzamelt wilde aardbeien en bij een bron komen we de buren van Nina en Ramazan tegen terwijl ze jerrycans met water vullen. Even later bouwen Ilva en Rune samen met Ramazan dammen in een riviertje, terwijl zijn buren het vuur onder de samovar aansteken. Weer worden we uitgenodigd om mee te eten.

De weg die ons de volgende dag Kubachi uitvoert is opnieuw niet op Google Maps te vinden. Nu rijden we echter over een prima gravelweg naar de Kaspische Zee. Het strand van Dagestanskiye Ogni is één grote vuilnisbelt. Overal liggen petflessen en dansen plastic tasjes in de warme lucht. Het water zelf is helderblauw en heerlijk verkoelend. In de branding bouwen Ilva en Rune een miniatuurversie van het Naryn Kala, het zandstenen fort dat we later die middag in Derbent bezoeken.

Derbent is het meest oostelijke punt van onze reis en de meest zuidelijke stad van Rusland. Al in de klassieke oudheid werd hier op de nauwe strook land tussen de Kaukasus en de Kaspische Zee een fort gebouwd, dat door de Sassaniden in de 6e eeuw werd versterkt met de goudgele muren van het Naryn Kala. ‘Derbent 5000 jaar’, lezen we op een stadspoort met drie bogen. Dat lijkt me wat overmoedig, maar blijkt gedurende de hele Sovjettijd de officiële lezing te zijn geweest. Pas in 2015 kreeg Rusland een nieuwe oudste stad: Chersonesos op de Krim. Poetin gaf er de voorkeur aan dat de oudste stad van het land niet in een islamitische republiek lag en feliciteerde Dagestan met het 2000-jarig bestaan van Derbent.

Oudste stad of niet, de citadel van Derbent staat op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Op een kerkhof hellen de grafstenen vervaarlijk tussen tombes met groene koepeltjes. Nauwe steegjes kronkelen langs de eeuwenoude platanen bij de Juma moskee, waar nieuwsgierige bewoners vragen waar we vandaan komen. De straatstenen in de wijk Magali zijn gladgesleten door miljoenen voetstappen. En toch komen zelfs hier nauwelijks toeristen. In het Etnohostel zijn we de enige buitenlanders – reden genoeg voor de lokale televisiezender om ons te interviewen. Zoals het in Dagestan betaamt door een gemengde Russisch/Azerbeidzjaans/Tabasaraanse crew.

Er verblijven wel gasten uit Rusland in het Etnohostel. Yana en Julia komen uit Oedmoertië (“Waar je dus echt niet heen hoeft,” volgens Yana). Samen met hen, Islam en Ismael van het hostel en een paar van hun vrienden drinken we de hele avond thee. Zoals mannen het bij ons eindeloos over whisky of bier kunnen hebben, zo raken de Dagestanen niet uitgepraat over thee. “Zo licht schenk je de thee toch niet in!” roept Islam naar Ismael. “Schaam jij je niet?” De vorm van de glazen, de bereiding, de juiste manier om het vuur onder de samovar op te stoken – het komt allemaal uitvoerig aan bod.

Toch zijn we blij dat we de volgende dag weer onze eigen Earl Grey Superieur van Simon Levelt drinken. In onze eigen bus, wildkamperend bij Barkhan Sarykum. Het is gruwelijk heet en Ilva is ziek. De Tataarse parkwachters waarschuwen dat het veel te heet is om het hoogste alleenstaande zandduin ter wereld midden op de dag te beklimmen. We kunnen beter in de schaduw van de bomen bij hen aanschuiven voor vis en meloen. De lokale Koemukse bevolking is het daar helemaal mee eens, waarna we een tafel opschuiven voor kip en wodka. Zelfs de Levantijnse adders waar iedereen ons voor waarschuwt laten het vandaag afweten. Alleen de agamen vinden het niet te warm en trippelen vrolijk door de zee van golvend zand.

Het is beduidend koeler in Dubki, dat een stuk hoger in de bergen ligt. Dagestan heeft – net als de Verenigde Staten, Mexico en Tibet – de diepste canyon ter wereld. De toeristen uit Makhachkala worden per marshrutkalading aangevoerd. Aan de ene kant ligt een vuilnisbelt, aan de andere kant het uitzicht op het azuurblauwe water van de Sulakskiy Canyon, waar iedereen poseert voor selfies. We zijn van Dagestan gaan houden en zouden er veel langer willen blijven: speurend naar de geheime schoonheid van verborgen valleien en te gast bij al die nationaliteiten in deze republiek die niet echt bij Europa hoort, maar ook niet bij Azië. In een dorpswinkel krijgen we een laatste kop bergkruidenthee van een vrouw die meteen ziet dat Ilva zich niet goed voelt. Zelf heb ik ook een onbestemd gevoel. Het is nog een uur rijden naar Tsjetsjenië.

Tsjetsjenië
Kalmukkië

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*