Dan lust je wel een glas raki

Gids Mark had een wei. Erg fijn, maar wat heb je aan een wei als die op twee uur verticaal boven het dorp ligt? En als je 68 bent? Mark was er fier op en had adem genoeg om erover te vertellen. Hij had makkelijk praten. Doordat Mark veel sneller was dan ons (alleen Nevila kon hem een beetje bijhouden) kon hij telkens op adem komen.

De krasse opa kwam Eva en mij ‘s ochtends al ophalen. Veel zwaardere rugzakken sjouwend dan onze Albanese vrinden hingen de beruchte Oost-Europese shortcuts Eva al snel danig de keel uit. We moesten maar via de weg lopen, want die kwam ook bij de brug uit. Er is op zich niks mis met die redenatie, maar we gingen niet naar de brug. De shortcut leidde naar een plaats waar de rivier kon worden overgestoken, waarna de weg omhoog kronkelde, de vallei uit en naar de 1817 meter hoge pas naar de Valbonë-vallei.

De brug, twintig minuten dalen na de door Eva gekozen afsplitsing, was ons enige referentiepunt in Theth. Veel meer dan wachten konden we er niet, en het duurde meer dan een half uur voor Mark ons had opgespoord. Daarbij vergeleken verbleekt een 600-meter-fout, zou ik zo denken. Gelukkig had ik Mark twee dagen eerder op visite bij de familie van ons gasthuis gezien; anders weet ik niet of we met een wildvreemde bergbewoner aan het struinen zouden zijn gegaan.

Onze vrienden vonden het niet erg dat ze even uit mochten rusten. De echte tocht moest toen nog beginnen en met name Robo zag de humor van opmerkingen als “Al drie kwartier geklommen – nog drie uur en een kwartier te gaan” niet in. Die prognose van vier uur was overigens een Albanese. Albanese tijd is moeilijk te vergelijken met tijdsbepaling zoals normale mensen die hanteren. Zo rekken ze de tijd wat betreft gemaakte afspraken naar eigen inzicht op – over tien minuten wordt meestal over een half uur op zijn vroegst. Het inschatten van tijdsduur gaat ze ook niet bijster goed af. Zo deden wij zeven uur over de tocht die Albanezen in vier uur konden lopen. Bergbewoners wel te verstaan, want Robo kreeg al binnen een uur een ongezond rode tint.

Van Theth naar Valbonë (EH)

Robo motiveren was niet moeilijk. Tijdens de spelletjes Coloretto (ik moest en zou een spel meenemen en Ilir en Robo waren er helemaal gek van – Edvin niet want hij kon het spelletje nooit winnen door alleen roze kameleons te sparen) werd er menig glaasje raki genuttigd. Dat gaat er bij zulk vertier wel in. Ook bij de heerlijke Albanese maaltijden trouwens, of na een blokje om. Robo was verzot op raki en had er volgens de gastvrouw de avond ervoor verstand van. Als enige kreeg hij raki uit een andere fles. Beide waren huisgemaakt oftewel goed (en goed sterk). “Robo, je schiet er niks mee op door hier te blijven zitten,” sprak ik hem toe. “Je hebt raki achter je en raki voor je, maar waar we nu zijn is geen raki.” Robo had weinig bedenktijd nodig en hees zijn tas weer op zijn rug. “Ok, let’s go!”

Vanuit Theth naar Valbonë lopen is onmogelijk zonder gids. Mark kende het gebied op zijn duimpje en wist precies hoe we moesten lopen. Ik zeg bewust ‘hoe we moesten lopen’; niet ‘de weg’. Er was namelijk geen weg. Ook geen pad. Geen paadje waarlangs zo te zien wel eens schapen liepen. Niks, nakkes, nada. Laat me de route opnieuw lopen maar dan alleen en ik zal voor eeuwig ronddolen in de Vervloekte Bergen. Sommige plaatsen waar wel iets van een pad was geweest waren door de recente aardbeving in het noorden van Albanië onherkenbaar veranderd. Lawines van steen en gruis leunden in een precair evenwicht tegen de berghellingen. Dit was ‘hoe we moesten lopen’.

Zelfs na talloze shortcuts kwamen we op onwaarschijnlijke hoogten nog verlaten huisjes tegen. Nu waren we op die hoogten trouwens nog niet eens halverwege. Onderweg naar de pas kwamen we verse wolvensporen en -uitwerpselen, een gladde slang die zich met enige moeite liet vangen, eeuwige sneeuw en heerlijke wilde aardbeien tegen. Die vruchten alleen al maakten het afzien de moeite waard. Zulke lekkere, zoete aardbeien heb ik nog nooit gegeten. Ze vormden een welkome aanvulling op ons enige andere voedsel, byrek. Byrek is een soort lembasbrood zoals die vieze, dikke hobbits het van de elfen mee kregen. Platte deegflappen gevuld met kaas, yoghurt en/of spinazie en ideaal voor tochten als deze.

Na viereneenhalf uur bereikten we eindelijk de pas die de twee valleien met elkaar verbond. Mark liep nog een stukje met ons mee tot we veilig een smalle richel die ons omlaag voerde waren gepasseerd en nam toen afscheid van ons. Alles wat we nu nog hoefden te doen was het pad volgen tot Rrogam, het gehucht voor Valbonë. Daar wou Edvin een auto regelen naar Valbonë. Het begon te regenen. Blijkbaar waren de her en der verspreid in het gras liggende stenen het pad. Meestal konden de stenen op meerdere manieren geïnterpreteerd worden, maar hoe eerder we beneden waren, hoe beter.

Niet ver beneden een idyllische bron in een weelderige, groene omgeving, zagen we de eerste tekenen van leven. Of liever, van menselijke bebouwing, want de uitlopers van Rrogam bestonden eens te meer uit verlaten bouwvallen. Na zeven uur onderweg te zijn geweest kwamen we eindelijk weer mensen tegen. De twee jongetjes waren wel toeristen gewend, vertelden ze. D’r kwamen er zoveel, alleen nooit van onze kant. Wat de jongetjes in werkelijkheid gewend waren was zwatelen. Er liep geeneens een weg naar Rrogam, en Albanezen en aantallen, dat gaat niet goed samen.

Gladde slang (EH)
Wereldvreemd, dat waren ze. En ze hadden nog groot gelijk ook, want wat verwacht je dan in een gehucht met vier families, onbereikbaar voor auto’s (zelfs de grote wagens met vierwielaandrijving redden het niet tot aan Rrogam)? De informatie omtrent vertrektijden van minibussen vanuit Valbonë en de veerboot vanuit Fierzë die we van hen kregen raakte dan ook kant noch wal. Zoals alle Albanezen bleven ze ons het antwoord niet schuldig – liever dan toeristen teleur te stellen door toe te geven het eerlijk waar niet te weten zogen ze een verhaal uit de grote duim.

Waar we meer aan hadden was het brood, de feta, groente en raki die we hen thuis lieten halen in ruil voor een financiële vergoeding. Raki, dat ging er wel in na zo’n ontspannende wandeling, al was de haven nog niet in zicht. Zonder weg kwam er van Edvins plan in Rrogam vervoer te regelen natuurlijk weinig terecht. Zonder raki had in ieder geval Robo het niet gered, maar met hernieuwde krachten en frisse moed (Ilir deelde zelfs paarse bloemetjes uit, al voelde Edvin zich hier ongemakkelijk bij) werd de tocht voortgezet.

Doel was het bereiken van het Komanimeer morgenvroeg, waar volgens de twee jongetjes om acht uur de veerboot zou vertrekken. Later ging er nog een, beweerden ze, maar daar hadden wij – volkomen terecht – zo onze twijfels over. Het pad naar Valbonë bestond uit een honderden meters brede steenvlakte. Een drooggevallen rivierbedding, of de eindbestemming van lawines in de winter misschien? Het zag er in ieder geval uit alsof er de afgelopen week een ijstijd flink had huisgehouden. De rotsblokken boden een vreemde, onnatuurlijke aanblik.

Nog onnatuurlijker was het rode busje dat we kilometers verder midden op de keien zagen staan. Een of andere joker uit Valbonë had besloten met zijn twee zoontjes een ritje te maken over een weg die niet eens een weg was en die volkomen nergens heen leidde. Waar je maar zin in hebt, maar met gevaar voor eigen uitlaat bood de man ons een lift naar Valbonë aan. Kilometers niets gleden – niet altijd even zachtzinnig – onder het busje door, tot we spookstad Valbonë bereikten. De vensters van vervallen betonnen gebouwen staarden ons als nietsziende ogen na. De uitgebrande karkassen van hotels en flats, vernield tijdens de opstanden in 1997, gaven Valbonë het uiterlijk van een dorp in oorlogstijd.

In Valbonë zochten we familie van één van Edvins collega’s om bij te overnachten. We troffen het, want de man waar we naar op zoek waren was een oom van onze chauffeur. Omdat er geen openbaar vervoer van Valbonë naar Bajram Curri bestond bood de chauffeur aan de volgende dag om vier uur ‘s ochtends op te staan en ons een tweede lift te geven. Gillian merkte op dat we sinds we met deze groep onderweg waren extreem veel geluk hadden gehad. Eva en ik zijn er door de jaren heen wel een beetje aan gewend geraakt.

Rrogam (JS)

Het hostel van Ilir en Edvin bleek niet het enige in Albanië. De Tropoja-streek, hoewel geridiculiseerd door Gillian, zou binnenkort ook over een hostel beschikken. Het Tirana bier stond al koud en de tent zag er skihutterig doch netjes uit. Edoch, daar het nog niet gebruiksklaar was sliepen wij in één van de drie gebouwen op het erf van oomlief. De avond was reeds gevallen en om de tijd tot het avondeten te doden had druktemaker Ilir alweer iets bedacht: een potje Skënderbeu. In onze contreien beter bekend als armpje drukken of armworstelen. De liefhebbers moeten het boek Joe Speedboot maar eens lezen.

Ilir pakte twee houten blokken op, plempte ze voor de houten tafel buiten neer en nam zijn plaats tegenover Robo in. Geen schijn van kans, dacht ik. Robo was groter en een stuk breder. Binnen drie tellen lag Robo’s hand echter tegen de tafel. Ilir pakte de houten blokken op, schoof zijn geïmproviseerde kruk een plaats door en pakte Nevila’s hand. Ik had geen stopwatch tot mijn beschikking, maar volgens mij duurde dit duel zo mogelijk nog korter dan het eerste. De blokkentoren werd opnieuw verplaatst en Ilir daagde mij uit. Onze handen sloegen ineen. De greep verstevigde zich terwijl de opmaat tot het gevecht klonk: “Try – dy – një!” De spieren in beide armen spanden zich en het gegrinnik van Edvin en de andere toeschouwers verstomde tot verbaasd gemompel. Blijkbaar hadden ze Ilir nog niet vaak zien verliezen, want het trillende equilibrium boven de tafel hadden ze duidelijk niet verwacht. Ombeurten behaalden Ilir en ik minimale voordelen van hoogstens luttele centimeters ten opzichte van elkaar. Het geschuif van onze ellebogen over het ruwe tafelblad dreef centimeters lange splinters in onze huid.

In opperste concentratie zagen onze toeschouwers dat de aderen op onze armen zich verdikten en druppels zweet op de rug van onze handen begonnen te parelen. De strijd ging gelijk op, ten koste van alle wilskracht en energie die Ilir en ikzelf nog op konden brengen. Na de afmattende bergtocht bestonden nu alleen de spiergroepen in onze boven- en onderarmen nog. Ons publiek ontwaakte en liet zich horen. Luidkeels werden beide armworstelaars aangemoedigd, terwijl het duel nog altijd voortduurde. Het wankele evenwicht begon na enkele minuten vervaarlijk over te hellen; nu eens in Ilirs voordeel, dan weer met mijn hand bovenop.

Uitgeput waagde Ilir een laatste wanhoopsaanval, terwijl Eva me toeschreeuwde niet op te geven. De aanval parerend voelde ik het verzet van Ilir gebroken. Met een kreet van ongeloof hoorde hij zijn hand tegen het tafelblad slaan. Terwijl we onze pijnlijke armen masseerden bagatelliseerde ik de overwinning door op te merken dat Ilir al drie partijen had geworsteld en ik pas één. Het deed Gillian in ieder geval even terugdenken aan haar thuisland, voor we uitgeput in slaap vielen in de twee tot slaapvertrek omgetoverde kamers.

Kielhalen, die Albanezen
Geweerschoten

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*