Dat ruimen we nog op – echt waar!

Wie het stuk niemandsland waar we doorreden toebehoorde was ons een raadsel. Dat was het voor de autoriteiten van Montenegro en Kosovo trouwens ook. Vier jaar geleden verklaarde Kosovo – of Kosova, zoals de Albanezen prefereren en wij dan ook uitdagend op onze shirts hadden laten drukken – zich onafhankelijk. De definitieve grenzen waren nog niet overal vastgesteld, maar dat was misschien wel de minste zorg van het jonge land. Waarschijnlijk wilden beide buurlanden het ruige berggebied waar we door slingerden best hebben, maar daar hing dan wel een flink prijskaartje aan. De bermen aan weerszijden van de weg waren bezaaid met landmijnen. ‘Mina’, stond overal met koeienletters op de rotsen gekalkt, want dat was een stuk goedkoper dan de dingen lokaliseren en detoneren.

Smaakvolle monumenten (EH)

Zolang Montenegro en Kosovo het beide vertikten om de rotzooi op te ruimen, lagen de grensposten een slordige tien kilometer uit elkaar. Voor we het land in mochten moesten we ons verzekeren voor €30,- per auto. De Albanese tekst op het geïmproviseerde verzekeringshokje liet doorschemeren dat het ook voor €15,- moest kunnen, maar de ambtenaar schudde meewarig zijn hoofd. Zo werkte het natuurlijk niet op de Balkan. Ze konden het extra geld trouwens ook best gebruiken in dit land. Op de constatering dat Bosnië-Herzegovina weinig ordentelijk op ons overkwam moesten we hier terugkomen: in Kosovo, dáár was het een janboel. Bergen afval hoopten zich stinkend op langs de weg en het hele land wekte de indruk één groot industrieterrein te zijn, vol eentonige, zielloze bedrijfspanden die in een oneindige lintbebouwing de hele vallei vulden.

Het kon de Kosovaren niet bommen. Ze waren onafhankelijk en vandaag was het feest. Al gauw waren de vele bruiloftsoptochten van toeterende auto’s met wapperende Albanese vlaggen niet meer op één hand te tellen. Albanese vlaggen? Ja, de tweedeling van dit land was ook voor de vluchtige passant pijnlijk duidelijk. Met verlaten kerkjes, met zwarte verf doorgehaalde Servische plaatsnamen en zwaar bewaakte enclaves was de situatie in Kosovo nog verre van stabiel. Tussen betonnen wegversperringen en grote kuilen in het asfalt slalommend, passeerden we de gecamoufleerde uitkijktoren van een Italiaanse KFOR post. Bewapende militairen stonden voor de kloostermuren van Visoki Dečani gepositioneerd, terwijl vijandig kijkende Albanezen er stapvoets voorbij reden. De oorlog mocht dan voorbij zijn, de haat was er nog. Onze paspoorten werden ingenomen, waarna we door de grote poort het klooster binnen mochten.

Weinig stabiel Kosovo (GC)

Zodra de dikke kloostermuren ons afsloten van de buitenwereld, bevonden we ons in een oase van rust. Een piekfijn bijgehouden gazon omsloot de 14e-eeuwse kerk, die vreemd geel verlicht werd door een door rook omsluierde zon. Net als in Montenegro stonden er in Kosovo aardig wat bossen in brand. Een oude monnik stopte Ilva’s handen vol chocolaatjes bij een fontein waar helder bronwater uit stroomde. Alles leek vredig, maar de onverwoestbaar ogende 4×4 van de Servische aartsbisschop en zijn alerte escorte herinnerden eraan dan Visoki Dečani een enclave was waaromheen Albanese vlaggen fier wapperden. Volgens de monniken was er geen twijfel over mogelijk: dit was Servisch grondgebied. Joegoslavië telde zes landen, wat we ook beweerden op onze tourshirts. Het werd ons vergeven toen we een fles rakija uit Velika Hoča kochten, een pastoraal Servisch dorpje temidden van oude wijngaarden. Om toch vooral niet de indruk te wekken een commerciële instantie te zijn, deden de monniken ons een fotoboek vol Servische hoogtepunten cadeau.

Er was niets Servisch aan Dranoc. Dit dorp leek regelrecht uit een roman van Ismail Kadare afkomstig te zijn. Albaneser kon haast niet. Versterkte stenen huizen beschermden lang geleden – en misschien ook minder lang – hen die aan bloedwraak probeerden te ontkomen. Wij sliepen in de kulla van de familie Mazrekaj, een ondoordringbaar stenen fort met smalle ramen waar een geweer nog net door paste en zware deuren boven eenvoudig te verdedigen trappen. Zittend op de tapijten en rode kussens van het mannenvertrek bovenin de toren werden ons Kosovaarse gerechten, yoghurt en watermeloen gebracht. Buiten viel de nacht, met de gloed van smeulende bosbranden in de heuvels hoog boven de ommuurde binnenplaats.

Flaneertijd in Prizren (NC)

Voor we ons in Prizren opnieuw in het verleden mochten wanen, moesten we eerst weer over de wegen vol rotzooi (“Jawel, die stapel brandhout op de rechter weghelft ruimen we vandaag nog op – echt waar!”) en trage trekkers door het troosteloze landschap van Kosovo. Overal weer hetzelfde monotone beeld van fabriekjes en kantoren – hoe was het mogelijk in een land waar een onwaarschijnlijke 45% van de beroepsbevolking werkeloos was? En dat terwijl de eisen voor een aanstelling nochtans echt niet hoog waren. “En hier is je €14 wisselgeld,” zei de winkelier. “Nee, ik krijg vier euro van jou,” verbeterde Jaap hem. “Nee, veertien,” hield de winkelier eigenwijs vol. “Nee jongen, vier!” vond Jaap. Uiteindelijk bleek de man te hardleers voor Jaap zijn geduld en ook in Prizren hielden we geld over. Het kostte hier allemaal niks.

Prizren was een stad, een enorme stad. Zo leek het tenminste door de nauwe straten, het door KFOR geïnstalleerde netwerk van eenrichtingswegen – daarvoor was rijden in deze chaos vast nóg leuker – en de vele minaretten die overal tussen betonnen blokken uit rezen. En toch hadden we er als verzamelde stedenhaters geen spijt van dat we erheen waren gegaan. Een soort İstanbul in het klein, met moskeeën, boogbruggen en tekkes, en hoog boven de stad de ruïnes van het oude Kalaja. Er waren messenwinkels, Albanese vlaggen werden voor weinig verkocht en voor UÇK monumenten stonden bloemen in vazen. Een KFOR jeep stond vlakbij de Sinan Pashamoskee goed zichtbaar op een brug geparkeerd. De politieke spanningen leken ondanks dit alles weinig van doen te hebben met de inwoners van Prizren: dit was een levendige stad, met een bruisend centrum waar de hele bevolking ’s avonds massaal flaneerde. En hoe gelovig men hier ook was, rakija was overal verkrijgbaar – net als in de geïsoleerde Servische enclaves. Waarom kon niet iedereen gewoon vrienden van elkaar zijn in Kosovo?

Het ontbijt van kampioenen
’t Is helemaal niet eenzaam aan de top

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*