De droom voorbij

Dagen gaan voorbij, uren tikken weg. Dag 140 komt in zicht. Het einde van een droom. Ik denk er liever niet aan. Jarenlang leefde ik naar onze grote reis toe. Nu zitten we in het wel erg nabije oosten en hoeven we al een tijd geen Russisch meer te spreken. Afstanden van 1720 km zien we niet meer op de borden langs de weg. Lastige rekensommetjes met vreemde valuta zijn bijna verleden tijd. Toiletten hebben weer brillen; je kunt je wc-papier zelfs gewoon doorspoelen. De droom is bijna voorbij – en wat dan? Daar durfde ik nooit aan te denken, aan het leven na de reis. Nu moet ik wel. Het liefst zou ik omdraaien. Terug naar Centraal-Azië. Terug naar landen die ver buiten de comfortzone van de meeste mensen liggen, maar waar ik me als een vis in het water voel. Doorgaan in tegengestelde richting.

Servië is onze laatste stop van betekenis. Daarna in één streep naar huis, door Hongarije, Oostenrijk en Duitsland. Maar eerst bezoeken we onze vriendin Olivera in Novi Bečej. Met het geheime vak van onze bus tjokvol flessen palinca nemen we afscheid van onze Roemeense vrienden. We zijn de enige auto bij de kleine grensovergang tussen Comloşu Mare en Kikinda. “Waar komen jullie vandaan?” vraagt de Servische douanier. “Uit Oezbekistan,” antwoord ik. “Fantastisch!” reageert de douanier enthousiast. “Dus met jonge kinderen kun je best reizen?” De man is net vader geworden en heeft een meisje van vijf maanden thuis. Hij droomt ook van reizen, maar dan wel in een iets rustiger tempo. “Twee nachten in Servië is veel te kort,” vindt hij. “Over een week is er een groot festival in Novi Bečej. Blijf in ieder geval tot dan.” Het is haast een traditie dat Servische douaniers me uitgaanstips geven.

Het noorden van Servië is zo plat als een pannenkoek. Topzware zonnebloemen laten hun kop hangen in de drukkende zomerhitte. De wegen zijn leeg, op af en toe een trekker na. Maïsvelden reiken tot aan de horizon. Plaatsnamen staan in het multiculturele Vojvodina vaak in het Servisch en het Hongaars aangegeven. De bevolking bestaat voor dertien procent uit Hongaren en de Europese Unie ligt slechts een korte rit over de A1 verderop. Die nabijheid doet de Servische economie geen goed. Van onze vrienden in Roemenië hoorden we dat je daar een Hongaars paspoort kunt aanvragen als je voor een kwart Hongaars bloed hebt. “In Servië is het nog eenvoudiger,” vertelt Olivera. “Je komt al in aanmerking voor een Hongaars paspoort als je geboren bent in wat ooit Hongaars grondgebied was.” Vrijwel heel Vojvodina kwalificeert zich op deze manier voor een enkele reis EU. “Alleen al uit Subotica zijn vorig jaar 10.000 mensen geëmigreerd.”

Olivera schetst een gitzwart beeld van het huidige Servië. De braindrain en het verlies aan ambachtslieden heeft zijn weerslag op het dagelijks leven in Vojvodina – nog niet zo lang geleden het meest welgestelde deel van Servië. Wat overblijft is een cultuur van politici die hun diploma’s kopen en een jonge generatie die zich enerzijds geconfronteerd ziet met dit voorbeeld van een route naar succes en anderzijds de lage salarissen wanneer ze in Servië blijven en niet toegeven. “Een salaris van €250 per maand is degelijk; er zijn genoeg mensen die maar €150 per maand verdienen,” zucht Olivera. “Voor jou tien anderen als het je niet bevalt,” zeggen werkgevers. Je hebt geen been om op te staan, want banen zijn er nauwelijks. Vluchten naar Hongarije wordt zo erg verleidelijk.

De Tisa biedt verkoeling na verhitte discussies over politiek. Olivera’s ouders hebben een woonboot gebouwd en brengen hun zomer door op het water van de rivier. Vier hengels liggen met in de Tisa uitgeworpen lijnen te wachten op het avondmaal. Op de tafel onder het canvas dak staan glaasjes palinka. Olivera’s vader Branko stookt verschillende soorten: van abrikozen, pruimen, peren en zelfs walnoten. “Als kind leerden we al om nooit uit petflessen zonder etiket te drinken,” lacht Olivera. Langzaam zakt de zon achter de beboste oevers van de Tisa. De lucht kleurt goud, dan oranje, daarna zachtroze en tenslotte dieppaars.

Ik voel me beroerd, de volgende ochtend. Het komt niet door de palinka. Na 140 dagen, twintig landen en 26.276 kilometer over veelal abominabele wegen rijden we naar huis. De droom is voorbij. Het is tijd om verder te gaan. De afgelopen maanden was thuis altijd waar we de bus parkeerden; nu wordt ons eigen dorp in Drenthe weer thuis. Ik ben dankbaar dat ik deze kans heb gekregen om zoveel verschillende culturen te mogen ervaren, zoveel fantastische landschappen te mogen zien. En ik ben dankbaar voor de ontmoetingen met al die vriendelijke, warme en gastvrije mensen onderweg. Al ben ik de weg op dit moment misschien kwijt, de wereld zelf is dat veel minder dan op tv, in kranten en op internet vaak wordt beweerd. De meeste mensen doen liever goed dan kwaad. Zelfs gezworen vijanden zouden vriendschap willen. Hoe anders we ook zijn, de meeste mensen kijken naar wat ons verbindt en openen hun deuren. Onze reis heeft me nieuw vertrouwen in de mensheid gegeven.

The VVitch: A New England Folktale
Altijd thuis

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*