De gevaren van muilezel rijden

In drie jaar tijd kan er veel veranderen. Onder invloed van raki en de oase van rust die Vuno is, lieten we ons ooit zó meeslepen door de filosofie van onze gastheer Ben, dat we ons tourplan bijna overboord gooiden. In Vuno waren ‘No plans allowed!’ Een week na ons bliksembezoek aan Albanië en de Ionische Zee had Ben weer een Nederlandse gast met wie hij het goed kon vinden. Zo goed dat Ellen en hij inmiddels een zoontje hadden, een huis in de oude binnenstad van Durrës en een plan. De filosofie mocht dan vergeten zijn; Daan, Gijs, Jaap en ik hadden een blijvende indruk achtergelaten. “I know this man!” riep Ben grijnzend toen we de bus voor het oude schooltje geparkeerd hadden.

Ben had Vuno nog niet definitief verruild voor Durrës en zag hier ook erg tegen op. Ook in Vuno had hij plannen genoeg. Van de zee aan verwilderde olijfbomen waar we op uitkeken een eigen olijfboomgaard maken, bijvoorbeeld, maar dit was wel een beetje “in and out of the law”. Een eigen muilezel had hij al. “Maar ben je daar wel oud genoeg voor?” vroeg ik. Op de Balkan zitten alleen hoogbejaarde mannetjes op muilezels. Ellen vond het ook om andere redenen een stom plan. Ben verdedigde zijn muilezeldroom: “Het kan hier ‘s zomers erg heet zijn, en om vijf uur ‘s ochtends moet ik dan al naar mijn werk.” Ellen herinnerde Ben eraan dat het om vijf uur ‘s ochtends nog helemaal niet warm is. “But I might be sleepy,” bracht Ben ertegenin. “Je bent gewoon lui,” vond Ellen. Nee, dat was het niet. “Als kind viel ik ooit van een muilezel. Ik wil die nooit verwerkte angst overwinnen.” Wauw. Ben mocht dan geen filosofie meer hebben; hij had wel goede argumenten.

Uit de reclamefolder (JS)

Ook met paarden moest je trouwens oppassen. Ik had al enkele glazen raki op omdat ik een oude man in het dorp geholpen had zijn nieuwe bierkoelkast de trap op te sjouwen, toen Ben nog maar eens inschonk om een mooi verhaal met ons te delen. “Een herder raakte eens zijn paard kwijt. ‘Wat een pech,’ vonden de mannen uit het dorp. ‘Ach, ik weet het niet,’ zei de jongen. ‘Misschien is het pech, misschien wel geluk.’ Een dag later kwam het paard terug, samen met een heleboel wilde paarden. ‘Wat een geluk,’ riepen de mannen uit het dorp. ‘Misschien wel, maar misschien brengt het ook wel ongeluk,’ zei de herder. De paarden werden getemd en iedereen in het dorp was blij, tot de jongen van zijn paard viel en een been brak. ‘Wat een pech,’ werd er geroepen, maar de jongen wilde zo snel nog niet oordelen. Een week later brak er oorlog uit en iedereen in het land met een eigen paard werd gerekruteerd om ten strijde te trekken. Alleen de herdersjongen bleef de oorlog bespaard.” Misschien was het met Albanië wel net zo. Het afval werd er nauwelijks gerecycled. Niet zo best, zou ik zeggen. Maar het land had simpelweg te weinig afval om het op grote schaal te recyclen. Pech of juist geluk voor Albanië? We hadden meer tijd voor dit filosofisch vraagstuk nodig dan er wodka in de fles zat.

Naast de gevaren van muilezels en paarden kregen we in Vuno te maken met een hond die met het ontbijt van een Duitser aan de haal ging, een groep ezels die de vuilniszak bij ons busje overhoop haalde en koeien en geiten die langs het terras van het hostel paradeerden. In de rivier wemelde het bij een oud boogbruggetje en vergane watermolen van de kikkervisjes en de krabben; vlakbij het oude schooltje kroop een schildpad traag door het gebladerte. En daarmee had je de attracties van het slaperige Vuno wel zo’n beetje gehad; op de stranden van Gjipe en Jalë na dan. Gjipe was minder verlaten dan de vorige keer. Op de plek waar Daan, Jaap en ik afhaakten, klauterde ik nog wat verder omhoog de kloof in, maar al snel vormden de grote rotsblokken onneembare obstakels. “Zo kom je de kloof ook niet door,” wist Ellen. Er was een pad door de kloof omhoog naar Vuno, maar dat vond je niet zonder gids.

Na een aantal dagen lummelen aan de Ionische kust hadden we voldoende energie om de lange rit van Vuno naar Peshkopia in één ruk af te leggen. Ben en Ellen vertelden dat onze vriend Ilir bezig was een hostel in Peshkopia te openen, in een oude villa. De reis langs de Llogorapas en Karaburun, met uitzicht op het in de verte liggende Sazan, was een nostalgische drive down memory lane. Vanaf Vlorë was het gedaan met de mooie omgeving, maar rijden in Albanië is nooit saai. Of je nu poortjes in de vangrail wilt knippen om de snelweg makkelijker over te steken, er wilt spookrijden op een brommer, in een kruiwagen op de vluchtstrook wilt slapen of een gigantisch restaurant in de vorm van een boot wilt bouwen op honderd kilometer afstand van de kust – het mag er allemaal. Of in ieder geval, er zijn geen regels die zeggen dat het niet mag.

Een verhaal over Albanië is niet compleet zonder bunker (JS)

Pas na Milot werd het landschap weer spectaculairder. Bergen sloten de vallei van de Mati aan weerszijden in, terwijl de weg dieper en dieper het binnenland in kronkelde. Hier leken zich niet veel toeristen te wagen: er werd getoeterd en gezwaaid naar ons busje. Met een petje in je hand zwaaien bleek onverstandig bij 90 kilometer per uur en een stevig briesje, maar ik prees het enthousiasme van de Albanees in kwestie. De grootste bron van inkomsten in deze regio was het aanbieden van geroosterde maïs en menig verkoper keek dan ook hoogst verontwaardigd toen we niet stopten. Waarom zou ik geroosterde maïs willen kopen? Nee, laat ik die vraag anders stellen: Waarom zou ik wèl maïs bij maïsverkoper 4 t/m 38 willen kopen als ik bij de eerste drie ook al niet stopte?

Via stoffige stadjes en langs weilanden vol hooimijten bereikten we de Drini i Zi, de Zwarte Drin, waar een imposante bergmuur de grens met Macedonië vormde. Het geïsoleerde Peshkopia was niet ver meer, maar het hostel hadden we voorlopig nog niet gevonden. Het adres dat we hadden gekregen bleek enkel een straatnaam te zijn. Helaas was de Bulevardi Elez Isufi de langste straat van de stad. Niemand sprak hier Engels, politieagenten wisten van geen hostel en lesauto’s met een zwart/wit raceblokjespatroon en blauwe neonverlichting getuigden van een algeheel gebrek aan praktisch toepasbaar verstand. Tenslotte bevond ik me met een Albanees ver boven de straat bij een uitgestorven ogende villa achter een gesloten hek. Hoe nu verder? Misschien was het hier wel, dacht de man. Ontmoedigd keerde ik terug bij de bus, waar we Ben belden. Twee minuten later stonden er twee Albanese jongens bij ons om ons naar het hostel te brengen. Het bleek inderdaad de villa van zo-even te zijn, die ooit van Enver Hoxha was geweest. Een privétrap leidde van het centrum naar het huis, waar een groot terras uitkeek over Peshkopia. We waren de eerste gasten in de gerenoveerde communistische villa, vertelde Ernest. Enver Hoxha mag dan ook een algeheel gebrek aan praktisch toepasbaar verstand geëtaleerd hebben; op de marmeren vloeren en statige, hoge deuren konden we weinig aanmerken.

Ernest ging even mee de stad in, waar een minuscule draaimolen het onbetwistbare hoogtepunt van vermaak vormde voor Ilva en Rune. Ernest was moslim, net zoals de overgrote meerderheid van de bevolking van Peshkopia. “Doe je dan ook mee aan de ramadan?” wilde ik weten. “Nee joh!” lachte Ernest. “En je drinkt ook bier, zie ik.” Ja, alcohol was geen probleem. “Bid je wel eens?” Ernest barstte nog net niet in lachen uit. “Maar ik ben wel moslim!” Ja, zo kan ik een land ook voor 80% met moslims vullen. Zijn definitie van Albanië was al net zo rekbaar als die van zijn religieuze overtuiging. Zo was Ernest nog nooit in het buitenland geweest, maar wel in Macedonië en Kosovo. “Maar daar praten ze Albanees!” verdedigde Ernest zichzelf. Het deed me denken aan een magneet die ik in een kraampje in Berat zag, met daarop een grote rode vlek dwars over Albanië, Kosovo en delen van Montenegro, Macedonië, Servië en Griekenland. ‘United States of Albania’, stond erop.

Alleen de nitroglycerine ontbrak (EH)

Ilir had het stervensdruk, maar toen Ben hem belde dat we in Peshkopia stonden, paste hij zijn plannen aan en vertrok de volgende ochtend vroeg uit Tiranë met een vrachtwagen vol nieuwe stoelen, tafels en banken voor het hostel. Onderweg stopte hij alleen om wat geroosterde maïs te kopen voor Ilva en Rune. En ondanks dat elke man in Albanië rookt (Ilir, zijn chauffeur, Ernest en alle mannen die vandaag hielpen om het hostel verder in te richten) was het goed om samen herinneringen op te halen. “Nu je hier een hostel hebt moet je de omgeving toch een beetje leren kennen,” bereidde ik Ilir voor op ons plan om de oude weg tussen Peshkopia en Kukës te rijden. Een weg die al een aantal jaren niet meer werd gebruikt, sinds de komst van een nieuwe asfaltweg langs de grens met Macedonië. Een weg door een wild gebied langs de Drini i Zi, een off-road klassieker volgens verschillende websites en volgens onze Bradt gids een onvergetelijke rit om meerdere redenen. De weg zou abominabel zijn, al sprak onze belangrijkste bron – een dikke Duitse toerist ergens op een Adriatisch zandstrand – dat tegen. In onze bus hadden we nog één zitplaats over.

“It is tempting,” gaf Ilir toe, maar hij had het veel te druk. “We hebben eten genoeg en kunnen je morgen in Kukës op het busstation afzetten,” voegde ik nog toe aan mijn pleidooi. Een half uur later had Ilir zijn (eveneens Nederlandse) vrouw een berichtje gestuurd en een slaapzak uit het hostel gegrist. “Let’s go!” We sloegen nog een paar noodzakelijke boodschappen in (vlees, bier en een petfles met anderhalve liter raki) en lieten de bus bij het tankstation volgooien. Ilva en Rune kregen van de pompbediende elk een blikje sap cadeau. Vergeet Kroatië – in welk land krijgen kinderen sap wanneer de ouders tanken?! We waren onderweg en al had elke bewoner van Peshkopia die we het vroegen deze route stelselmatig afgeraden, ook voorbij de splitsing met de nieuwe weg was de onverharde weg goed te berijden. We lieten een traditionele begrafenis waar alle mannen van het dorp buiten koffie en raki zaten te drinken en de vrouwen binnen weeklaagden achter ons en bereikten zonder problemen het achter notenbomen verscholen Arassi. Hier picknickten we met blikken Скопско bier (we zaten tenslotte vlakbij de grens), kaas, worst en vers brood in een zonovergoten weiland.

Er was de afgelopen negen jaar veel verbeterd in Albanië, vertelde Ilir. Veel wegen waren opgeknapt of nieuw aangelegd. Niet alleen snelwegen, maar ook wegen tussen plaatsen op het platteland. Het toerisme had een indrukwekkende vlucht genomen en Albanië stond steeds beter te boek in het buitenland. Albanezen werden zich zelfs steeds meer bewust van het afvalprobleem, al ging dit met heel kleine stapjes. Zo was er het initiatief ‘Albanië schoon in één dag’. Dat was weliswaar niet helemaal gelukt, maar alle beetjes helpen. Intussen zag Ilir overal om zich heen mogelijkheden voor toerisme aan de Drini i Zi. De rivier was een prima plek voor tubing. Een vervallen hangbrug bood prachtige survivalmogelijkheden. Je zou hier ook uitstekend trektochten per muilezel kunnen organiseren.

Smaakvol aangekleed (JS)

Voor de brug bij Zall-Reç waren we al gewaarschuwd. Volgens de Bradt gids was het uitzicht met de rivier er ver onder adembenemend. De adem stokte ons inderdaad in de keel toen we de brug van dichtbij aanschouwden. Moesten we hier met de bus overheen? Dwars door de vele gaten zagen we in de diepte het groenblauwe water van de rivier stromen. Gebroken stukken houten plank staken in diverse hoeken omhoog of slingerden gewoon rond op de gammel ogende brug. Voorzichtig eroverheen lopend zagen we dat een herder ons met zijn kudde schapen tegemoet kwam lopen vanaf de overzijde. “Wordt deze brug nog gebruikt?” vroeg Ilir hem. “Ja hoor, er rijden constant auto’s over.” Nu de weg al jaren nauwelijks meer gebruikt werd, reden zwaar beladen vrachtwagens er geen geulen meer in. Maar of er nog ooit iets aan de langzaam wegrottende brug werd gedaan, viel te betwijfelen.

We besloten eerst maar eens een duik in de Drini i Zi te nemen. Het water was koud en na een half uur in de sterke stroming te hebben gespeeld hadden we nog altijd geen enkele auto over de brug zien rijden. We besloten het erop te wagen en dronken ons moed in met een teug raki. Met Ilir voor me op de brug, aanwijzingen roepend en de grootste gaten afdekkend met extra planken, voelde ik me net de tot het uiterste gespannen chauffeur die zijn vrachtwagen in Sorcerer over een brug laat kruipen. Goed, ik had geen nitroglycerine in de bus, het stormde niet en dit was geen touwbrug, maar onder de wielen braken planken in tweeën en hoorde ik het geluid van versplinterend hout. Begeleid door het aanhoudende kraken van de brug en af en toe een glimp van de ver onder ons stromende Drini i Zi manoeuvreerde ik de bus over de stukken van de brug die Ilir en mij het meest stabiel leken. De laatste meters van de brug, een slecht passende puzzel van houtbrokken en fragmenten van wat ooit planken waren, hielden de spanning er tot het eind in, maar met een grommende motor beklom de bus de helling aan de overzijde. Dit had ik voor geen goud willen missen.

Uitgeput klopten we bij het eerste het beste huis aan met de vraag of we hier mochten wildkamperen. Van de vrouw mocht het, maar straks zou haar man thuiskomen met zijn valse herdershond. Dan moesten we het nog maar eens vragen. De herder en zijn gezin waren de laatste bewoners van Draj-Reç, klonk het wat weemoedig. In de tussentijd mocht Ilva op hun ezel rijden. Ze viel er gelukkig niet af, waarmee ze zich een trauma en mogelijk een carrière als olijfboerin bespaarde. Toen de herder en een andere man later aanschoven dronken we raki onder de sterrenhemel en werd er getoast op ons gezin. Of op onze gezinnen, want was het geen fantastisch idee om Ilva aan zijn zoontje uit te huwelijken? En dan dat blonde haar van Rune. “Is zijn haar echt?” wilden ze weten. “En waar is je kalasjnikov?” werd er aan mij gevraagd. Iedereen heeft er hier één. Gewoon, voor de zekerheid. Zo hoort een avond in Albanië te zijn, dacht ik terwijl ik nog een beker raki inschonk.

Faleminderit shumë, Albanië (JS)

De fles raki was halfvol, de weg tussen Peshkopia en Kukës half afgelegd, constateerden we bij het ontbijt dat voor Ilir uit koffie en sigaretten bestond. De rit van vandaag voerde langs veel steile hellingen, langs verlaten dorpen en langs herdersjongens die ons verbaasd nastaarden. Het wegdek was een stuk minder effen en bestond hier uit grotere rotsblokken, maar zo erg als in Thethi, waar we drie volle dagen in de eerste en tweede versnelling reden, werd het hier niet. Wel reden we minstens vijftig kilometer zonder ook maar een enkele tegenligger, wat de streek toch een zweem van verlatenheid gaf.

In Kukës verliet Ilir ons ook na samen een bord frietsoep te hebben gegeten, waarna we over de prachtige nieuwe snelweg tussen Tiranë en Kosovo naar Lezhë reden. “Jammer dat die meneer weg is,” vond Ilva. In Lezhë lag de tombe van Skanderbeg, Albanees volksheld van beroep. Na diens dood werd de kathedraal waar Skanderbeg begraven lag door de Ottomanen verwoest en zijn graf geschonden. Tegenwoordig wordt Skanderbeg door zowel moslims als christenen vereerd als de grote vereniger van alle Albanese stammen. Een grote bloedrode mozaïek met een zwarte, tweekoppige adelaar en 25 schilden voor alle veldslagen die Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht (en won) kleedden het geheel vrolijk aan.

Door wat al te opdringerige zigeuners voelden we ons in Lezhë niet helemaal op ons gemak, maar Albanië wilden we vandaag nog niet uit. Op honderd meter van de Montenegrijnse grens, met de kilometerteller van de bus op 99999, vonden we de ideale plek om te wildkamperen. We eindigden waar we begonnen: op de weg vol haarspeldbochten die naar Vermosh leidde. In de buurt van Tamarë, bovenop een bergpas, zagen we in de vallei ver onder ons een stukje groen gras en een huis. Onze navigatie liet een doodlopende weg zien, waarop we ons geluk beproefden. Al snel reden we op het weggetje tussen stenen muurtjes die nauwelijks verder uit elkaar stonden dan de bus breed was en over haarspeldbochten die we alleen met een keer achteruit steken konden nemen. Keren kon hier nergens en Eva begon zich af te vragen of dit wel zo’n verstandige keuze was geweest. Jawel, want waar een ondoordringbare muur van bergen de vallei omsloot, eindigde het pad op een stukje groen gras waar we onze bus parkeerden. Onder ons overspande een kabelbrug een turquoise bergrivier, waar we ons de volgende ochtend nadat de ochtendmist was opgetrokken wasten en waar we lekker konden naaktzwemmen. Een mooiere plek om te kamperen konden we ons niet wensen. Faleminderit shumë, Albanië!

Wij rijden liever om
Allergisch voor veiligheid

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*