De grond was er vast goedkoop

Slim: eerst kijken hoe laat de bus gaat, daarna (eventueel) naar het café. Niet slim: wat wij deden. Geduldig: netjes twee uur in stoffig Akhaltsikhe wachten op de volgende bus naar Vardzia. Ongeduldig: wat wij deden. Een taxi naar Vardzia kostte volgens de gids 45 tot 60 lari voor een retourtje. Een euro of vijfentwintig dus, maar wij wilden een enkele reis. Het was al middag en wij zochten aldaar te kamperen of iets. Niet op de hoogte van onze plannen sprak een chauffeur ons desalniettemin aan. Als we hadden geweten hoe ver het was naar de 12e eeuwse grottenstad hadden we ons niet zo misdragen tegenover de geschiedenisleraar die hier een centje probeerde bij te verdienen, maar na keihard onderhandelen waren we voor twintig lari onderweg over de in jammerlijke staat verkerende wegen. Uit schaamte gaven we de man twee uur later wat extra lari, maar we waren pas opgelucht toen we hem in Vardzia een groepje toeristen zagen spreken dat grif met hem mee liep. Hield ie misschien toch nog wat over aan vier uur autorijden.

Hier in Samtskhe-Javakheti reden we in het verlengde van Armenië. De dorre hoogvlakte met zijn roestbruine heuvels en bergen ging ‘s zomers gebukt onder een verzengende hitte. ‘s Winters was het er stukken beter. Echt koud werd het er niet – het vroor er hooguit een graad of twintig. De streek maakte een uitgestorven indruk. Gaandeweg maakten ook de laatste bomen plaats voor nog meer rotsen, zand en stof. En toch leefden hier mensen. De grond was er vast goedkoop. Een imposant kasteel markeerde de plek waar de Javakheti Mtkvari en Artaani Mtkvari samenvloeiden. Ook dit fort stamde grotendeels uit de tijd van de op handen gedragen koningin Tamar, uit de tijd dat Georgië nog heel wat voorstelde. Haar koninkrijk strekte van de Zwarte Zee tot de Kaspische Zee, ze versloeg de Turken meerdere malen en plunderde Constantinopel. Eigenlijk liep alles toen op rolletjes voor de Georgiërs, tot ene Dzjengis Khan en de pest er in de 13e eeuw radicaal andere plannen op na hielden.

De erfenis van koningin Tamar in Samtskhe-Javakheti (JS)

Het kasteel stond nog trots overeind in de hoogvlakte waar de meeste bergen niet meer overeind stonden en nog slechts in de vorm van rotsen en stenen alomtegenwoordig waren. Hier in Khertvisi was het ook gedaan met de – naar Georgische maatstaven – goede weg. Arme geschiedenisleraar. Als je zeeziek wordt van een weg kan dat zelfs voor een Lada verregaande gevolgen hebben. Het uitzicht maakte veel goed. Na een kilometer of tien reden we door een nauwe kloof met de naam Tamars Poort. Ver beneden ons slingerde de Mtkvari; hoog boven ons sloten bergwanden de vallei in. Het kasteel van Tmogvi of wat daar nog van over was (drie keer raden wie dat had laten bouwen), lag strategisch op de top van de hoogste berg. Een paar bochten later werd het allemaal nog mooier, voor degenen die om het geraamte van het monsterlijke Intourist Hotel heen konden kijken. Aan de overzijde van de rivier lag de grottenstad Vardzia.

Wat de onderdanen van koningin Tamar en haar vader bezield heeft om hier in de 12e eeuw een complete stad in de bergwand uit te houwen bleef voor ons een beetje vaag, maar hier viel je mond ontegenzeggelijk van open. Vergeet de vele verdiepingen van het witte Gondor uit The Lord of the Rings – Vardzia was groter en indrukwekkender. Was, want van de dertien verdiepingen die de stad ooit telde, resteren er nu nog zes. Van de 3000 vertrekken is nog één vijfde deel intact. Nadat Eva met enkele militairen op de foto moest, die helemaal opfleurden bij het zien van een blond meisje, klommen we langs de resten van kerkjes, badhuizen, fonteinen, trappen en onderaardse gangenstelsels. Vele van de stallen, winkels en huizen waren de diepte ingestort, afgebrokkeld. De groeven in de vloeren waren er nog wel, maar hier vloeide al eeuwen geen water en wijn meer door. Vardzia was niet langer een stad van duizenden in een onherbergzaam gebied. Slechts een handjevol monniken was gebleven om de wind door de vol gebedslinten gehangen bomen te zien waaien. Agames, gigantische spinnen en slangen waren nu de bewoners van de grottenstad.

Eén van de monniken die we in de onderaardse kerk uit 1186 tegenkwamen nodigde ons uit met hem het gangenstelsel verder te betreden. Diep in de berg werd een deur voor ons ontsloten. Een poel met heerlijk koel water lag hier verstopt. De Tranen van Tamar. Zonde dat je zoiets moois weer zo snel kunt vergeten. Bij buitenkomst zagen we onder Vardzia, op de weg, namelijk een auto over de kop gaan. Het ding lag letterlijk ondersteboven op de weg. Blijkbaar had de chauffeur even niet goed opgelet en de berm ingestuurd. Tegenliggers waren er immers niet en we zagen het gebeuren. Een toestromende menigte keerde de auto weer om en even later was er al geen spoor meer van het hele voorval. Niet alleen de priesters waren hier trouwens gastvrij – opvallend voor mannen die afzondering zoeken. Onze rugzakken hadden we achtergelaten in een huisje bij de weg, onderaan de berg. De kaartjesverkoper was al weg, dus we vroegen een andere man of we hier mochten kamperen. Hij wees ons een plek aan tussen de witgeverfde boompjes aan de rivier. Vriendelijke Armeniërs zagen dat we hier de nacht door wilden brengen en vroegen zich af of we wel eten hadden. Ze hadden net gepicknickt en hadden nog een pan soep over. De soep was te eten, het orgaanvlees dat erin dreef gaven we liever aan een zwerfhond. Een fles wodka kregen we er zomaar bij.

Grottenstad Vardzia (EH)
Die fles dachten we ‘s avonds nog met twee Tsjechen te kunnen delen, maar de man die ons zo sympathiek hierheen had verwezen schreeuwde liever tegen deze jongens en joeg ze de vallende nacht in. Volgens de verbouwereerde Tsjechen verkondigde de man in het Russisch dat de ‘headmaster’ ons toestemming had verleend, terwijl zij een dikke “Njet!” kregen. Wie was die hoofdmeester dan? De kaartjesverkoper? De politieofficier die in de grottenstad zo graag met ons op de foto wilde? We dronken onze wodka in eenzaamheid bij het nu in duisternis gehulde Vardzia.

De gastvrijheid ging ‘s morgens gewoon door. Een Georgische familie liet me nog net een ochtendplas doen voor ze zich over me ontfermde. Khachapuri (vet kaasbrood), groente, brood en cake werden al in ruime mate voor me klaargezet, terwijl Eva nog ziek in de tent lag. Ze voelde zich nu al voor de vijfde of zesde dag niet helemaal fit. Duizelig, luidde de klacht, maar liever dan gelijk met een bus naar Tbilisi overschatte ze zichzelf. Een wandeling van tien kilometer, zegt een uur of drie, dat moest toch te doen zijn? Van Vardzia via Tmogvi naar de grotten van Jolda. En dan liften. Waar Eva geen rekening mee had gehouden was dat het warm was, zo niet heet. Ook ‘s ochtends al. Het wemelde van de sprinkhanen en hagedissen in het dorre gras. Beschutting tegen de zon was er nauwelijks. Verrekte mooi, zo’n hoogvlakte, maar als we nog ooit naar Armenië gaan, dan toch liever in het voorjaar of de herfst.

Uithijgend aan de rivier werden we ingehaald door een groep Georgische toeristen. Ah, Nederland! Ja, het Georgisch oorlogskerkhof op Texel, dat kende één van hen wel. Wij zagen het zelf pas een maand later, op bezoek bij een vriend die op het eiland woont, maar stonden de enthousiaste jongen op dat moment niet begrijpend aan te staren. Verderop, bij Tmogvi, was de weg ineens onvindbaar. Aan wandelroutes deden ze hier niet en met Eva ging het slecht. Ze wilde alleen maar slapen in de schaduw van de bomen, die hier aan de oever gelukkig wel stonden. Zodra ik het pad omhoog had gevonden trok ik er in mijn eentje op uit. Twee slangen waren me te snel af; het pad was moeilijk begaanbaar, later zelfs gevaarlijk. En ik moest snel klimmen, want eigenlijk wilde ik Eva niet langer dan twee uur alleen laten. Het was verder dan ik dacht en hierboven regende het zelfs. Lekker verfrissend, maar wanneer er een stukje alpinisme bij komt kijken toch weer flink zweten. Het wandelpad leidde helemaal niet tot in de ruïnes op de rotspunt, maar nu ik al zover was gekomen ging ik niet terug zonder voet binnen de muren te zetten. Balancerend op richels, springend en klauterend bereikte ik Tmogvi. Ver in de diepte zag ik Eva liggen. Zoals beloofd riep en zwaaide ik. Dat ik de halsbrekende toeren omlaag nog voor de boeg had hoefde ze aan mijn vrolijke gebaren niet af te lezen.

Burcht Tmogvi (JS)

Na het pad naar beneden in draf te hebben afgelegd troostte ik Eva. Ze was echt ziek. Verder lopen lukte niet, zo zonder pad langs de rivier. Terug wel, maar niet met die zware bepakking. Met twee rugzakken liep ik terug naar Vardzia, Eva voor me uit. Geen pretje, 35 kilo op rug en buik bij een temperatuur van 40 ºC, maar het feit dat we nu ongeveer even snel ter been waren was veelzeggend. Eva zat helemaal niet te wachten op mijn American footballwijsheden, maar ik kon het niet laten. “When the going gets tough, the tough get going!” en “Winners never quit, quitters never win!” roepend marcheerde ik door de verschroeiende hitte. Afkeurend gegrom als reactie, terwijl ik stevig doorstapte en de zon stevig doorscheen. Terug bij de grottenstad stortten we beide in, maar niet voordat ik van een jongen uit Tbilisi antibiotica voor Eva had gekregen. Waarvoor dat goed was weet ik niet meer, maar erg helder kon ik op dat moment dan ook niet meer denken. Volgende probleem: alle taxi’s zaten vol, marshrutka’s reden er vandaag niet. Na wat rust hadden we geen andere keus dan te gaan lopen langs de weg, hoewel er weinig hoop op een lift was.

Soms moet je een beetje geluk hebben. Na nog geen half uur stopte er een klein, blauw autootje. Met vijf personen aan boord was het al wat krap, maar ze namen ons met onze grote rugzakken toch graag mee. De vrouw woonde en werkte in New York. Wat was ze blij weer in Georgië te zijn, terug bij haar familie in Tbilisi. Ons geluk hield nog even aan toen we werden afgezet op het busstation in Akhaltsikhe. De marshrutka naar Tbilisi wilde net vertrekken en een minuutje later waren we onderweg naar de hoofdstad. Verveeld peuterde de man voor me in een gaatje in de bekleding van de bus, terwijl ik me opmaakte voor een spelletje hints. Ik raakte er aardig bedreven in, hier in Georgië. De man die me aansprak werkte in een lampenfabriek, raadde ik. De man voor me haalde intussen zijn vinger uit het gaatje in de bekleding en veegde hem met een vies gezicht aan zijn broek af. We gingen vrolijk verder met hints en tegen de tijd dat de lampenmaker uitstapte wist ik dat hij als chauffeur naar Nederland en Luik had gereden, Stalin een toffe peer vond en Gori als bestemming aanraadde omdat daar zo’n leujk museum stond.

In het guesthouse bij Irina werd ons helaas al even weinig rust gegund. Een taxichauffeur die ons bij aankomst in Tbilisi op een kaart zag turen bracht ons er zowaar gratis en voor niks heen. Iets hebben ze hier nog niet begrepen aan het hele principe van kapitalisme. Er waren zo’n vijftig gasten bij Irina en dat was meer dan het aantal bedden. Irina joeg haar rochelende echtgenoot weg, zodat Eva tenminste een bed had. Met oordopjes in was ze snel vertrokken. Voor mij zou het een plekje op de grond worden, maar dan pas na het feest. Want het was feest. Er was voor eten gezorgd – pizza, meloen, dat soort dingen – en verlegen als ik ben vond ik aansluiting bij een groepje Engelsen en Esten, zodat de tijd iets sneller ging. Hoewel geen Abkhazische vluchteling ging Mischa snel vervelen. Zo te horen had hij in Borat de meest hoogstaande humor ontdekt die hij zich in zijn wereldbeeld kon voorstellen. “Will you scratch my anus?”, bleef hij mij en de Engelse jongens dan ook vragen. Arme Paavo, die zo lang met hem op moest trekken. We begonnen te vermoeden dat Paavo het hele auto-ongeluk, dat hij in Estland vlak voor vertrek had, in scène had gezet. Hij kreeg steeds meer last van zijn ribben en zou misschien eerder terug naar huis gaan, verklaarde hij. Ik gaf hem geen ongelijk, want Mischa had intussen EstLok opgericht met een Slowaakse toerist. Ze verlangden alle Nederlandse ezels van me om niet nader omschreven dingen mee te doen, of de wraak van EstLok zou vreselijk zijn.

Mischa had al snel te veel gedronken om de dag erna wijn te kunnen proeven in Telavi. Ik kon het beter vinden met Helen, die ook leuker om te zien was, en de jonge biologiestudenten Sam en Rich. In het trappenhuis probeerden we zoveel mogelijk bier te drinken, tot twee intimiderende Letten met hun handen vol reusachtige boeketten bloemen voor Irina en flessen wodka voor zichzelf zich met het feest gingen bemoeien. De gespierde, kale, maar vooral dronken Letten namen een angstig ogende Sam in de houdgreep om hem hun levensverhaal te vertellen. Rich, Helen en ik vonden het maar wat amusant. Om twee uur ‘s nachts kwam ik tot de ontstellende conclusie dat ik mijn matje ook in het kamertje waar Eva lag te slapen op de grond kon leggen. Voor iemand die academisch geschoold is moet ik vaak erg lang nadenken over voor de hand liggende oplossingen.

Aanstootgevend gekleed op zoek naar UFO's
Vrolijk getinte misère

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*