De politie, extreem goed van vertrouwen

De elektriciteit deed het niet, behalve dan het verwarmingselement in de emmer water die werd opgewarmd voor ons ‘bad’ en daar moest je dan weer niet te dicht bij in de buurt komen. In Georgië worden de mensen een stuk minder oud dan in Nederland. Er waren alweer nieuwe gasten in Vano’s huis. Een Zwitserse en een Australische die maar doorgingen over India, de spiritualiteit die je er om de oren gierde, daar moest je gewoonweg heen. Of duiken in Israël, dat moest je echt gedaan hebben. Europa was veel te duur en veranderde niet meer nu het verpest was. Ach, donder toch op. Er gaat niks boven Europa. Ik hou van Europa.

Avontuur ligt nog overal op de loer in mijn lievelingscontinent, maar zonder schotelexpert Vano en met toeristen die het beter wisten niet in Stepantsminda, met uitzicht op de grijze muur die Georgië hier van Tsjetsjenië scheidde. Al vroeg namen we daarom een taxi naar Sioni, een kleine vijftien kilometer naar het zuiden, waar Eva via sms-jes (Hé, is dit dan na tien jaar reisverhalen schrijven de eerste keer dat ik dit woord gebruik?) met Olga had afgesproken. Ze verbleef daar samen met enkele andere Polen in het huis van Guram, die hen vandaag in de Trusokloof zou rondleiden. Khachapuri, vers gebakken brood, groente uit eigen tuin – we arriveerden op het juiste moment. Onze groep bestond nu uit ongeveer vijftien personen. Met één auto tot onze beschikking betekende dit twee maal rijden van Sioni naar Okrokana om iedereen bij het beginpunt van de tocht te krijgen.

Het pad liep geleidelijk omhoog de vallei in, met de Terek beneden ons stromend. Ik raakte aan de praat met Alexander, journalist in Tbilisi maar nu enkele maanden logerend bij oom Guram. Hij was niet zomaar journalist, maar sportjournalist, de meest edele positie onder de verslaggevers. Alexander kon zich niet voorstellen zonder ESPN te moeten leven en was helemaal gek van basketbal en rugby. Mooi, dan was dat vanaf nu ons gespreksonderwerp. Alexander raadde me aan me op mijn queeste naar een Georgisch rugbyshirt direct tot de nationale rugbybond te wijden, mochten de vele winkeltjes nabij het stadion van Dinamo Tbilisi geen uitkomst bieden. Moeilijk voor te stellen, want heel Georgië was rugbygek, tot en met president Saakashvili aan toe. Onlusten in opstandige regio’s? Slechte infrastructuur? Valt er nog iets te verbeteren aan educatie of gezondheidszorg? Zo bedroevend was de situatie nou ook weer niet, dus de overheid kon best wat geld op de bankrekening van de rugbybond storten. “Lelos, lelos, lelos Sakartvelos!”, scandeerde Alexander.

Oom Guram hield ook van rugby, maar had een hekel aan mannen met lang haar, deelde hij mede. Dat gold voor Alexander met zijn halflange coupe, maar zeker voor mij. “Stoere mannen hebben geen lang haar”, mopperde de veteraan van vijf oorlogen, waarvan hij er zelf waarschijnlijk een paar had aangesticht. Afghanistan en Irak kwamen me bekend voor, dan was er nog Abkhazië en dat zal ook wel kloppen, maar wat was er dan in Tadzjikistan gebeurd? De vijfde oorlog deed in het geheel geen belletje rinkelen, maar Guram had er gevochten en was zo te zien klaar voor oorlog numero zes. Hopelijk tegen een land vol langharig tuig, als het aan hem lag.

Aanstootgevend gekleed, deel 2 (EH)

Na een stroompje te zijn overgestoken was het tijd om respect te betuigen aan Sint George. Aan de rotswand bevond zich een gedenkplaats voor deze heilige, naast een boompje waarin voorbijgangers hun wensen in lintvorm hadden gebonden. De lapjes stof hingen er op deze hete, windstille dag lusteloos bij. Petten en hoeden gingen af; glaasjes werden tevoorschijn gehaald. Een bevriende beroepsmilitair die met ons mee wandelde schonk de glazen vol, Guram wendde zich tot Sint George en hief een toast aan. Respect betuigen valt niet mee op zo’n hete dag. De enige man bij de Polen moest mee drinken, net als ik. Het bleef de vrouwen bespaard, evenals alle volgende drankjes. Ieder diende voor zichzelf de heilige George aan te spreken en op hem te drinken. Natuurlijk konden we pas verder toen de fles leeg was.

Het lijkt me sterk dat de drank er iets mee te maken had, maar de kleuren van het landschap werden steeds fantastischer. Helderrode en witte steenplateaus wisselden elkaar af. Stroompjes sprankelend water liepen over de terrassen heen. Zout- en ijzerafzettingen zorgden voor een psychedelisch effect waar geen chacha tegenop kon. Het frivole samenspel van steen en water werd begrensd door de frisgroene heuvels tussen deze kloof en het dorpje Ketrisi. Twee eenzame grafstenen rezen op uit het het hoge gras. Guram wees waar we nu heen zouden gaan: een azuurblauw meertje dat uitnodigend onder ons lag. In onze ogen was het wellicht een probleem dat de toch niet al te flauwtjes stromende Terek daar beneden tussen ons en het meer lag. Guram dacht daar duidelijk anders over en stond al in zijn onderbroek aan de rivier.

Het stond al in onze gids: laat in de zomer is de rivier doorwaadbaar. Het was begin augustus en de Terek deed er alles aan om het tegendeel te bewijzen, maar alle Georgiërs leken er klaar voor. We gingen het Kaukasus-style aanpakken: in de onderbroek, broek in de tas, schoenen om je nek. De truc was om het rustig aan te doen, schuin en tegen de stroming in. Langzaam je volgende voet verzetten zodra je weer stevig stond, met je voetzool de scherpe stenen op de bodem aftastend om te voelen waar ze niet zouden verschuiven. En elkaar vast blijven houden in de woest beukende rivier die ons hier helemaal niet wilde hebben. Het water golfde tot halverwege onze bovenbenen; trok aan alle kanten aan onze wankele lichamen, maar uiteindelijk bereikten we de overkant. De broeken mochten weer aan.

Om vijftig meter verderop weer uit te worden getrokken. Het koolzuurhoudende water dat uit de diepte van het meer opborrelde was helderblauw. Alsof iemand een meertje van Spa rood had aangelegd, alleen enigszins onwelriekender. Guram, de andere militair en Alexander stonden al klaar in hun bepaald niet sexy te noemen witte ondergoed. “Erin duiken en zwemmen in het koolzuurgashoudende water is gezond,” riep Alexander. “Het maakt je sterk!” Dat mocht ook wel, want voorzichtig met de teen voelend naast het rood uitgeslagen gesteente voelde het als Spa rood met de nodige ijsklontjes. Het water smaakte sterk metalig, met andere woorden vies. Ja, ik was bereid deze nu toch moeilijk serieus te nemen heren te geloven – dit water moest wel gezond zijn. De Polen toonden geen enkele intentie uit de kleren te gaan. Twee Georgiërs geloofden het ook wel, maar met deze drie er al in kon ik moeilijk achterblijven.

Mopperend kleedde ik me uit tot het mij niet slecht staande sloggi-ondergoed. Waarom moest ik me altijd zo snel op laten naaien? Bergmeren op 2150 meter hoogte zijn over het algemeen niet de warmste zwemgelegenheden. Als ze erg diep zijn en het water van ik weet niet waar naar boven borrelt wordt het er niet beter op. Diep inademen en springen dan maar. Het water was ijskoud, stonk en bezorgde me een tintelend gevoel over mijn hele lijf. Vlakbij de overzijde stonden Alexander en de militair op een uitstekend stuk rots. In plaats van te juichen riepen ze me verwoed van alles toe en maakten driftige gebaren. Ik had geen idee waar het over ging, maar met deze temperaturen was ik toch niet van plan lang in het water rond te blijven dobberen. Zo snel mogelijk zwom ik naar ze toe, waarna ze me uit het water hesen.

“Niet inademen!”, verstond ik nu. “De dampen uit het meer zijn giftig. Als je ze inademt, raak je buiten westen,” legde Alexander uit. Later zag ik het ook in de reisgids staan: ‘Niet naast het meer kamperen. Tijdens een windstille nacht kun je er stikken.’ Deze nieuwe informatie leek me toch wat in tegenspraak met de mededeling dat zwemmen in dit meertje zo gezond was. Nog dieper inademend dan daarnet dook ik er opnieuw in om als een speer naar de rode rotsplateaus in het ondiepe gedeelte aan de overkant te zwemmen. Zo kon ie wel weer. Guram kon er wel mee lachen. Hij drukte me plastic bekertjes in de handen en schonk ons een wodka in die we snel achterover sloegen, gevolgd door een tweede. Ik kreeg een goedkeurende klop op mijn rug. De lange haren waren me vergeven – ik had bewezen een echte man te zijn. Je moet er wat voor doen om vrienden te maken in dit land.

Uitkijktorens galore (EH)

Met de onderbroek langzaam opdrogend (geen ideale situatie op deze hoogte, met een stevig briesje langs kruishoogte) liepen we naar het dorpje Ketrisi. Veel meer dan een slordige verzameling merendeels verlaten huizen was het niet. Ergens hing wat was te drogen, maar op de modderige paden liepen alleen varkens. De vallei was hier nog niet ten einde, maar we mochten pas verder toen Guram terug kwam van een grote, witte tent in het vlakke gedeelte bij de rivier ergens beneden ons. Zo vlakbij Noord-Ossetië wilde een groep militairen opnieuw onze paspoorten zien. Net als de vorige keer werd alles keurig in het Georgisch schrift overgezet. Veel verder gingen we toch niet. Aan de horizon zagen we nog een verzameling uitkijktorens staan, maar we bezochten er alleen nog een in Abano. Het volgende dorp was de Polen te ver.

De toren waar we langs gingen was een nieuwe. Niet zozeer gerestaureerd, als wel volledig opnieuw opgebouwd. Trots wapperde bovenop het bouwwerk de nieuwe Georgische vlag: een rood kruis op witte achtergrond met in elk van de vier witte rechthoeken opnieuw een rood kruis. De toren mocht gezien worden en dat vonden de bouwers ook. We werden uitgenodigd in de met opmerkelijke precisie uit grove rotsblokken opgebouwde toren en beklommen de vier loodrecht omhoog lopende, houten ladders. De ladder naar het dak ontbrak. Guram en ik trokken onszelf omhoog en tilden vervolgens Eva door de opening. Een opstaande rand was er niet. Hier stonden we dan, op een plat dak bovenop de wereld, met vier verdiepingen onder ons wat kleine mensjes die vast minder last hadden van de wind die hier de Georgische vlag deed bollen.

De opstekende wind voerde regenwolken met zich mee en op de terugweg liepen we in een gestaag vallende regen naar Okrokana. Het was nu verder dan we dachten; zeker omdat we andere plannen hadden dan de Polen. Wij wilden morgen Khevsureti in, een grotendeels heidense streek waar oude tradities nog niet in onbruik waren geraakt. We wilden daarom nog naar Ananauri liften, ook al was het al laat op de middag. De Polen zouden bij Guram overnachten en dus vonden wij het logischer dat wij met de eerste auto terug zouden rijden. Zelf dachten de Polen daar geloof ik anders over, maar na het laatste stuk in de stromende regen te hebben gelopen zaten Alexander, Olga, Goscha en wij in de auto naar Sioni. Alexander verklaarde ons voor gek: “Zo laat liften heeft geen zin. Er rijdt nu niemand meer zo ver. Vergeet het maar!” We spraken af het eventjes aan te zien en anders terug te komen.

Truso vallei (EH)

De tweede auto die langsreed was een marshrutka naar Tbilisi. Breed lachend deed Giorgi de deur voor ons open. Dat had ie beter niet kunnen doen – dat lachen dan, want hij had een gebit alsof ie ermee op een stoeprand was gevallen. De conversatie ging wat moeizaam, maar al snel begrepen we dat hij een trotse opa was en wilde weten of wij kinderen hadden (“Shvili?”). Het blijft raar voor de Oost-Europeanen, twee mensen die er zo ontzettend goed uitzien, in de kracht van hun leven en toch zonder kinderen. Kinderen zijn hinderen opzoeken in ons talenboekje duurde te lang, maar ‘hotel’ vonden we wel. We wilden bij voorkeur in Ananauri overnachten om morgen naar Khevsureti te trekken. Giorgi knikte (niet) begrijpend en reed lekker door over de drukke militaire snelweg. Auto’s zag je er nu niet veel meer, want op dit tijdstip was de weg publieke ruimte. Omaatjes keuvelden langzaam over straat lopend met elkaar, mensen stonden er hun auto te wassen en er werd badminton op gespeeld. Mochten de Georgiërs al ooit haast hebben, dan toch zeker niet zo aan het eind van de dag.

Ananauri bleek geen hotel te hebben. Giorgi vroeg wat rond, maar zonder resultaat. “Rij dan maar naar Zhinvali,” probeerde ik bij onze chauffeur, die opnieuw deed alsof wij een open boek voor hem waren. In Zhinvali hadden we evenmin succes. Hier liep de grote weg verder zuidwaarts naar Tbilisi, terwijl een kleine weg langs het stuwmeer in noordoostelijke richting kronkelde. Hier wilden we morgen verder reizen, dus in het donker zouden we op zoek gaan naar een plek om te slapen. Of desnoods om lukraak onze tent op te zetten. “Weet u een plek waar we de nacht door kunnen brengen?”, hakkelden we uit ons taalgidsje bij het eerste het beste winkeltje. “Loop maar mee,” antwoordde een dame. Ze begeleidde ons tot een politiebureau verderop in de straat, waar we onze vraag herhaalden voor een geamuseerde agent.

“Waar komen jullie vandaan?”, vroeg de politieman. Nederland was duidelijk het juiste antwoord. “Ooh, Nederland!”, riep hij verheugd uit. “Dan bellen we Sandra Roelofs toch even?” Lachend zwaaide hij met zijn mobiele telefoon. Hij stelde zich voor als Kakha en nee, die tent kon in de rugzak blijven. Een hotel was er hier niet, maar we waren welkom om de nacht op het bureau door te brengen. Helaas niet in een cel, maar in een kamertje achterin stond een provisorisch bed en er was ruimte genoeg voor mijn matje. De georganiseerde misdaad beperkt zich in Georgië misschien tot het ontvoeren en/of beroven van toeristen aan de grenzen met opstandige Kaukasus-republieken, want de politie was hier extreem goed van vertrouwen. “Hier heb je de sleutel van het bureau.” Verbaasd keken we naar de sleutel in onze handen. Ja ja. Je klopt in het donker aan, krijgt niet te horen dat het hier verdorie geen VVV is, maar wordt uitgenodigd om te blijven en krijgt als klap op de vuurpijl de sleutel van het gebouw. Een politiebureau. Waar we te midden van verzameld bewijsmateriaal zouden slapen.

We hielden het maar op “Dankjewel…”, maar Kakha was nog niet klaar. Hij had dienst en moest toch een ronde lopen. En wij hadden vast honger. Samen liepen we terug naar het winkeltje, waar Kakha wachtte tot we klaar waren met dingen aanwijzen. Twee tomaten. “Twee kilo?”, vroeg de bediende. Nee, twee stuks. “Twee?!” Ja. “Twee kilo,” verbeterde Kakha. Brood erbij. “En koekjes?”, wilde Kakha weten. Nee. Met brood, beleg, sap en water redden wij het wel weer een dag. Ik had de portemonnee nog niet in de aanslag of de pas werd me al afgesneden. Daar zijn agenten zeker in getraind ofzo, in het reageren op voorwerpen die plotseling uit zakken worden gehaald. Kakha zou voor ons betalen. “Doe dat pak koekjes er ook maar bij.”

Na een nacht tussen steenbokkoppen, met ander bewijsmateriaal gevulde plastic zakken en het onafgebroken getrippel en gestommel van ratten achter de muren bedankten we Kakha, die de hele nacht dienst had gehad. Ons plan: voor dag en dauw staan te liften om op tijd in Barisakho te zijn, of wie weet zelfs in torenstad Shatili. Beide liggen in Khevsureti, een van de meest heidense streken van Georgië. Priesters drinken bloed en heilig bier; dolken en klederdracht zijn geen abnormale verschijningen. Hier werden nog oude goden vereerd, zoals Dali, de godin van de jacht. Eerder zagen we in Svaneti de Poort van Dali, een opening hoog in de bergen die vanaf Mestia zichtbaar was. Hier had de godin afspraakjes met jagers, die nimmer over haar verschijning mochten spreken. Een twaalfjarige jongen was de eerste die de poort bereikte en mocht aanschouwen wat er aan de andere zijde van de bergketen lag. Ik zou drie maanden geen traktement hebben gekregen van mijn ouders, maar de jongen werd niet in zijn ontwikkeling belemmerd en groeide uit tot begenadigd bergbeklimmer in Georgië en daarbuiten.

Khevsuretische klederdracht (EH)

In het boek Bread and Ashes van Tony Anderson las ik een gedicht van de Khevsurs: A light rain has fallen / moistening the great field / If anybody says anything bad about us / Let our daggers rip his heart out. Vriendelijk volk. Pas tweeëneenhalf uur later kregen we een eindje buiten Zhinvali onze eerste lift. Een vrachtauto bracht ons een stukje op weg langs de enige weg die Khevsureti in leidt. De bus naar Barisakho was nog altijd niet verschenen. Liften bleek hier geen onverdeeld succes. Als er al eens iemand stopte, met dure, glimmende wagen, dan werden er astronomische bedragen gevraagd. Twee dames van Caucasus Travel maakten wel goede reclame voor hun zaak. Jaarlijks bezochten ze Utrecht voor een vakantiebeurs. Djoser en SNP werden genoemd en als ze niet op weg waren naar de Minister van Financiën in Magharoskari hadden ze ons graag helemaal naar Barisakho gebracht. Ik herhaal: vriendelijk volk.

Op deze show wilden we niet wachten, dus we lieten de televisiebusjes achter ons en liepen in een inmiddels rust uitstralende vallei over een brug toen er een bus voor ons stopte. Helaas op weg naar buurdorp Chargali. De twijfel over ons plan liet zich niet langer onderdrukken, zittend onder een geselende zon. Een auto huren was verstandiger geweest, want over deze weg reed verdomd weinig verkeer. Eindelijk stopte er een Duits sprekend Georgisch stel dat ons naar Barisakho reed. Over deze 51 kilometer hadden we acht uur gedaan. Opgelucht stapten we uit in het dorp, waar onze chauffeur voor ons naar de in de Bradt gids genoemde meneer Arabuli vroeg. “Iedereen heet hier Arabuli,” haalden de jongens hun schouders op. Dan kun je net zo goed bij ons in Drenthe vragen waar die boer met die trekker woont.

Shota Arabuli was een kunstenaar die bij zijn museum net voorbij Barisakho woonde, in het gehucht Korsha. Het museum was een nieuw gebouwd kerkje vol schilderijen en traditionele gebruiksvoorwerpen. Nog voor Shota grote ogen op kon zetten over het lezen van zijn naam in de reisgids, werd het hek naar zijn tuin geopend om een hele stoet in klederdracht gehulde Georgiërs toe te laten. Ze hadden zojuist een orthodoxe doop in een Khevsuretische bergbeek bijgewoond en hadden nu dorst. Terwijl de vrouwen khinkali bereidden en mij al voor twee telden, legde de extraverte Davit beslag op ons. We moesten mee naar het museum en in een museum moest wijn worden gedronken. Dat hoorde nu eenmaal zo. Het was een redelijk nieuwe regel, kon dus zijn dat ik ‘m nog niet kende, maar Davit had hem net als eerste bedacht en hij gold nu dus wel.

Eerlijk is eerlijk, dus ik dronk mee. Davit toastte op de Khevsurs, toastte op bijzondere museumstukken, liet mij toasten en de inhoud van de fles verdween razendsnel in onze dorstige monden. Proeven, daar deden we niet aan; de wetenschap dat het zelf gebrouwen spul betrof moest dan maar volstaan om ons ervan te vergewissen dat het goede wijn moest zijn. Davit vertelde ons over de gebruiken van de Khevsurs. Tijdens festivals werden er vechtdansen opgevoerd, waarin met dolken bewapende Khevsurs om elkaar heen cirkelden in een dans waarin de ultieme beheersing van hun wapens aan elkaar werd getoond. Kinderen werden getraind in gevechten met minder schadelijke stokken. ‘s Nachts sliep het bergvolk met een dolk op hun borst geklemd, klaar om met het wapen in de aanslag uit bed te springen.

Davit hield van zijn volk en wilde die liefde aan de buitenwereld tonen. In Khevsureti stuitte dit niet op bezwaren, maar in Frankrijk werd er heel anders op gereageerd. Toen hij in een Parijse metro dronken met een dolk stond te zwaaien, kwam hem dit op een nachtje cel te staan. Een dure grap, mopperde Davit niet begrijpend. Het was straffe wijn, moest ik na het zoveelste glas concluderen, maar we waren nog lang niet klaar. Met drinken dan – in het museum bekeken we alleen nog de laatste heidense schilderijen vol goden en geesten. Davit leek me al behoorlijk dronken, maar deze fles wijn was ook vast niet zijn eerste vandaag. Door de stromende regen renden we naar het huis van Shota, waar we vrolijk doorgingen. De khinkali waren inmiddels gekookt. Wie minder dan vijf van de met pittig lamsvlees gevulde deegkoeken eet wordt uitgelachen dus ik at er acht, tussen de toasts op de gastvrijheid van de familie Arabuli, de bergen en de tradities van de Khevsurs door.

De avondmaaltijd bleek niet meer dan een opwarmertje, want na het vertrek van Davit en familie en na een avondwandeling door de natte vallei was het weer feest. De zwerm om ons heen verzamelde, nieuwsgierige kinderen op straat achterlatend werden we nu aangesproken door drie nieuwe gasten van Shota. Studenten die van Tbilisi naar Shatili waren gereisd en van daaruit te voet terugkeerden. Hun driepersoons tent waren ze kwijt geraakt. Hun tweepersoons tent was Chinese troep. En hun schoenen zagen er ook niet uit alsof het erg leuk was om daarop vijftig kilometer door de bergen te wandelen. “Ja, dat wilden we nog vragen,” sprak één van de studenten. “Waarom lopen jullie eigenlijk allemaal op tourist boots?” Bergschoenen kenden ze niet; toeristenschoenen wel. In het donker maakten we ons op om opnieuw te eten; dit keer met Shota, vrouw en de studenten. In het donker, omdat er na een regenbui altijd tijdelijk geen elektriciteit was in Korsha. Met een nieuwe fles wodka op tafel, nieuwe toasts en zoute kaas uit Shatili leek Khevsureti verdacht veel op de rest van Georgië, hoe heidens de mensen hier ook leefden.

Iedereen zoekt hier rugbyshirts
Aanstootgevend gekleed op zoek naar UFO's

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*