De puinhoop van de Paler

Zaterdagochtend begonnen we aan een grote tocht door het zuiden des lands. Omdat er vanuit Braşov volgens de Lonely Planet tweemaal daags een bus naar Curtea de Argeş reed meenden we met Fiepke-geluk wel op een goeie aansluiting te mogen rekenen. Gefopt! Er reed er maar eentje per dag en die was een half uur geleden vertrokken. Dat werd dus mooi anderhalf uur wachten op de bus naar Piteşti, want eenmaal daar ben je toch mooi in de richting. Na een puike tocht door de haarspeldbochten van de Karpaten moesten we in Piteşti, beroemd om zijn enorme Dacia-fabrieken, wederom een hele tijd wachten op de stoptrein naar Curtea de Argeş. Judith, Maarten, Eva en ik gingen met een taxi naar het centrum met de bedoeling een t-shirt van FC Argeş te vinden: knalpaars met een witte dwarsband in het midden, waar groot ‘Dacia’ opstaat. Maar ja, het was zaterdag na zessen en alle sport- en kledingwinkels waren al gesloten.

De Paler had geen hoogtevrees (JS)

Dat werd dus weer een biertje drinken, in het stralende centrum van Piteşti dat ons helemaal niet tegenviel. Ondertussen hadden de vier anderen die bij het station bleven wachten een heel ander beeld van de stad gekregen. In deze achterstandswijk liep een scala aan lijmsnuivers en zwerfkinderen rond en de trein kwam voor hen geen moment te vroeg. Curtea de Argeş is misschien ook niet ‘s werelds meest frisse plaats om ‘s avonds te vertoeven, maar de camping stelde niet teleur. Voor nog geen drie piek per tent hadden we een mooi plekje tussen de bomen en slechte achtergrondmuziek van een bruiloft.

Hier kwamen we Emil tegen, die in september naar Eindhoven zou gaan om architectuur te studeren (in Eindhoven heb je veel gebouwen). Hij had ‘connecties’ – daar hoor je de laatste tijd zoveel over – en zou deze proberen te benutten on twee FC Argeş shirts mee naar Nederland te nemen. Dus wie weet, Frank.

Elektriciteitsgod

Zondag begingen we de grootste fout van onze vakantie. We vertrokken om half acht ‘s ochtends met de bus naar Poienari, waar de ruïne van het kasteel van Vlad de Paler (dat klinkt vies) stond. Eva scheet bijna in de broek van de hoogtevrees, maar wreekte zich op Vlad door een stuk van zijn kasteel af te breken en mee naar huis te nemen. Waarna we naar Lacul Vidraru liepen, een enorm stuwmeer in het Făgăraş-gebergte. Hoogtepunt hier was het even immense als protserige, communistische en in de zon blinkende als-je-het-zelf-niet-hebt-gezien-zou-je-het-niet-geloven Electricity God-standbeeld. Een foto waard.

Allemaal leuk en aardig, maar ondertussen was de Wielerronde van Roemenië die ochtend vanuit Curtea de Argeş voor haar laatste etappe vertrokken en in plaats van de Nederlandse equipe aan te moedigen stonden wij van een stuwdam naar beneden te fluimen. Van het restaurant ‘s avonds mogen we de schitterende parasols nog vermelden, waarna het voor Judith, Maarten, Annelies (gekleed in charmant roze onderbroek), Elisa en Maaike einde verhaal was.

Mmmm, slagroomtaart (JS)

De volgende ochtend (wederom vroeg) namen ze de bus naar Sibiu, vervolgens de stoptrein naar Arad en aansluitend de trein naar de Westerse Wereld. Zo, dat hadden we ook weer gehad. Na wat slaap inhalen ontdekten we eindelijk de douche op de camping. Die zat in een apart gebouw, wat eerder een woonhuis leek en was zonder personeel van de camping of verkeerd geïnterpreteerde schatkaart onmogelijk te vinden.

Het klooster van de stad, bekend van de briefjes van 10.000 lei, was wel aardig. De stijl wordt getypeerd als ‘chocolate-box’, maar het lijkt toch meer alsof je op een enorme slagroomtaart afloopt. D’r zaten heel veel toeters en bellen aan. Met een gerust hart dit gezien te hebben keerden we terug naar het altijd vrolijke Piteşti, om hier over te stappen richting Drobeta-Turnu Severin. Waar ik nu spijt van heb, want da’s een hele lange naam om te typen.

Voortvluchtige bandieten
Bruine Donau

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*