De toerist uithangen

Lezen in een herdershut (JS)

Dit weekend ben ik maar eens flink toerist gaan spelen. De vrijdag was flink in het water gevallen, dus ik kon wel wat ontspanning gebruiken. Die dag probeerde ik ten derde male het Baiu-gebergte te bedwingen. De eerste keer lag er nog sneeuw, en al hadden we de poel waar Dan het over had toen wel gevonden, in het koude water was geen spoor van leven te bekennen. De tweede keer was de jacht op het fantoommeer. Na een vermoeiende dag vond ik om vijf uur ‘s middags de reeds bezochte poel terug, deze keer helaas met salamanders, wat betekende dat ik nog een keer terug moest. Aangezien Bogdan ‘s avonds langs zou komen had ik die dag namelijk geen tijd meer om de beestjes aan een nader onderzoek te onderwerpen.

En dan vrijdag dus de derde keer, en we weten allemaal dat driemaal scheepsrecht is. En een schip was met dat weer geen overbodige luxe geweest. Na het zware, steile stuk bergopwaarts kwam er uit het niets een onweersbui opzetten. Rennend probeerde ik enigszins droog een verlaten herdersstal te bereiken, maar in t-shirt en zomerjas viel het niet mee om daar warm te blijven. Na twee uur Edgar Allen Poe te hebben gelezen gaf ik de moed dat het nog ooit droog zou worden op. En dat bleek nog niet zo’n verkeerd idee. Door de regen en over glibberige bergpaadjes bergaf naar Sinaia ontdekte ik maar liefst vier vuursalamanders. Het leuke aan die beestjes is dat ze veel mooier zijn dan de soorten die onderzoek en dat ik er gewoon van mag genieten zonder ze te meten en te wegen!

Mijn dag was goed (JS)

‘s Avonds besloot ik een kalender te gaan tekenen, een soort zoveel-dagen-tot-Sinterklaas-afteller, maar dan zonder Sinterklaas. Al krijg ik op het eind als ie vol is Eva en dat is toch wel een mooi cadeau. Afijn, voor de kalender had ik kleurpotloodjes nodig, dus die heb ik zaterdag maar gekocht in Sinaia. Chinese. Dus ik was een half uur bezig om ze geslepen te krijgen met een punt die blijft zitten (meestal maar heeeeel eventjes, bleek gisteren). Voor gebruik varieerde de lengte al van acht (roze) tot twintig centimeter (zwart, gelukkig).

Zaterdagochtend bracht ik een bezoekje aan onze buren van het Casa Memoriala George Enescu, de kerel die op het briefje van 50.000 lei staat. En volgens mij heeft die villa aardig wat van die briefjes mogen kosten. Maar ja, da’s dan ook geen kunst als je George Enescu bent. Dan plak je gewoon een pasfoto op een velletje papier, koopt een paar (liefst geen Chinese) kleurpotloden en geeft het geheel een vrolijk paars/roze kleurtje en je hebt weer geld in de portemonnee. Daarna ben ik linea directa doorgegaan naar het Bucegi Natuurmuseum en me voorgedaan als Roemeen opdat het me weer 50 cent zou schelen. Dat werkte, maar eigenlijk had ik voor die drie opgezette vogels en een hertje niet naar binnen hoeven gaan. Ach, het geheel was leuk aangekleed met neprotsen en hout (vast ook nep).

In het Zoologisch Station waren nog een vader en zijn zoon uit Cîmpulung Moldovenesc over van een ecologische vergadering van gisteren en vandaag, en daar heb ik ‘s avonds mee zitten praten. Het manneke, dat voortreffelijk Engels sprak, was me erg dankbaar dat ik een tv-gids had gekocht, daar hij in de waan verkeerde dat Interviu cu un Vampir morgen pas op tv kwam. Niet dat een van ons beiden wakker kon blijven tot het einde. Als ik nog naar kloosters in Bucovina zou gaan, was ik altijd welkom om bij hen te overnachten.

Geen weer voor een vampier (JS)

Zondag ging ik naar het nepkasteel van Dracula. In de Lonely Planet stond haarfijn uitgelegd hoe je er met het openbaar vervoer kon komen, alleen klopte het niet. De bus vertrok van heel ergens anders, van een derde busstation dat ze speciaal hadden verzonnen om toeristen die geen Roemeens spreken in apen te laten logeren. Aldaar bleek al hoe toeristisch Bran is, want naast mij stonden twee Japanners (dat weet ik natuurlijk niet zeker, maar ze waren wel geel en de taal van het boekje dat ze bij zich hadden was Chinees voor mij) op de bus te wachten.

In Nederland geldt er voor bussen een maximaal aantal passagiers en in landen als Nepal lossen ze dit soort problemen op door een teveel aan reizigers bovenop de bus te planten. Zo niet in Roemenië: alles moest en zou er in passen. En daarna leek kasteel Bran nog best rustig. Mooi middeleeuws kasteel en aan de achterkant in het park ontdekte ik een tunnel die tot onder het kasteel leidt. Deze is vrij toegankelijk (al is dat vast niet de bedoeling), maar verder dan een meter of tien ben ik er niet in geweest omdat het pikdonker was. Volgende keer neem ik een zaklamp mee.

Als vierde toeristische attractie van het weekend (bus niet meegerekend) bezocht ik de ruïne van Râşnov. In het stadje kwam ik langs “Ioop, cartofi prăijiti la olandez”. Nederlandse friet van Joop, dat is vast een overblijfsel uit de 14e eeuw, want in de burcht zag ik dat men vroeger in Transsylvanië met guldens betaalde! Dit kasteel was veel minder toeristisch, op een stuk of twintig Roemeense jongens en meisjes na die een radio met keiharde manele-herrie bij zich hadden (Roemeense tekst, Turkse jengelmuziek; iedereen baalt ervan behalve het Roemeense equivalent van onze house/gabber-liefhebbers, denk ik). Ze hadden daar een put van 146 meter diep, waar ze vroeger Turken in bewaarden. Leuk om steentjes in te gooien!

Ik ruik friet (JS)

Zo, dit weekend alles bezocht wat ik wou zien; alles ging min of meer volgens plan, alleen de trein naar Sinaia miste ik. Het ergste is dat mijn horloge verkeerd stond en ik hem misschien nog best had kunnen halen. Toen ik na Bran en Râşnov weer op het Zoologisch Station aankwam, zaten er twee biologieprofessoren in de keuken. Of ze nou typische biologen of juist typische Roemenen waren zou ik niet weten. In ieder geval hadden ze zo’n twee liter zelfgestookte palinca bij zich en een treetje eieren. Want die avond moesten ze zelf voor het avondeten zorgen. De deur naar de eetzaal hadden ze al geopend en het licht er al aangedaan, maar toen de eieren gebakken waren was het eigenlijk toch wel veel moeite om nog eens naar de eetzaal te lopen. Dus pakten ze maar twee krukjes en aten (en dronken) in de keuken.

Ze waren op doorreis naar het noorden (Maramureş), en sliepen nu een nachtje in Sinaia. Omdat ze alleen Roemeens, Frans en Russisch spraken was het gesprek best ingewikkeld en na een glaasje palinca (nou ja, glaasje – ik zei ‘puţin’, wat in het Roemeens zoveel betekent als ‘weinig’, maar een Roemeens beetje vertaald naar Nederlandse hoeveelheden is nog altijd een heel behoorlijk glas), vond ik het bedtijd. De professoren hadden door het hele eieren eten blijkbaar weer voldoende energie om te lopen, want de tocht ging nu verder naar het café om blikken bier te halen.

Maandag ging ik naar Ploieşti voor mijn visum. Toen me verteld werd dat ik in Bucureşti moest zijn zakte de moed me best wel in de schoenen. Universiteit van Bucureşti is visum in Bucureşti, zo simpel was het. Gelukkig was er een collega van Dan, Sorana, bij me om me te helpen. Nou vooruit dan, ze zouden eens bellen en dan moesten we over twee uur maar eens terugkomen. Sorana had niet zoveel geduld en na anderhalf uur probeerde ze het alvast nog een keer. Nee, de grote baas moest er eerst nog naar kijken. En toen kreeg ik gelukkig te horen dat ik mijn visum kreeg. Omdat ik in Bucureşti had betaald konden ze het me nu uiteraard nog niet geven. Donderdag moet ik terugkomen om mijn paspoort, eindelijk met visum als ze geen nieuwe regeltjes verzinnen, op te komen halen.

Van uw ijshockeyverslaggever in Roemenië
Driedaagse

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*