Dit noem ik geen Oost-Europa meer

Drie broertjes en hun neefje ontdekten ooit de gigantische Škocjan-grotten. Hoe moeilijk kan dat zijn geweest? Vanuit een ingesloten kloof die in de tijd van de holbewoners al werd bewoond, was de ingang van de grot toch duidelijk zichtbaar. Echt lastig was het niet om de (her)ontdekking te reconstrueren. Bovenop een plateau lag een voetbalveldje. Eén goed bedoelde, maar weinig gecontroleerde poeier zou volstaan om de bal honderd meter lager in het ravijn te doen belanden. Na een beetje psychologische druk (fysiek is ook goed mogelijk) was gauw bepaald dat het neefje de bal op moest halen. Enkele halsbrekende toeren later stond deze oog in oog met een gapende opening in de rotswand.

Intussen voelden de drie broers boven op het voetbalveld de bui al hangen. Het onmiskenbare overwicht dat ze hier op het veldje hadden stelde thuis bar weinig voor en terugkomen zonder neefje zou wel eens desastreuze gevolgen kunnen hebben voor de uitbetaling van het wekelijkse zakgeld. Dat geschiedde in die tijd overigens nog niet in euro’s en ook niet in Sloveense tolars, waarvan Daan een muntje vond waarmee hij ons de komende 36 uur spelenderwijs het bloed onder onze nagels uit zou halen. Nee, de Slovenen uit die tijd kregen hun zakgeld nog in dinars – en daar vond Gijs dan weer een muntje van. Het geld ligt op straat in Slovenië. Terug bij de zojuist ontdekte grot hebben de broertjes zich inmiddels bij hun neefje gevoegd, die met de bal in de hand aanstalten maakt de duisternis te betreden. Wat zullen ze gebaald hebben dat ze zonder geïnstalleerde elektrische verlichting niet konden zien wat wij zagen.

Indiana Jones en de Grot der Grotten

Škocjan is zogezegd de Grot der Grotten en vormt samen met Postojna de grootste onderaardse attractie van het land. Het verschil zit ‘m in het feit dat Škocjan een stuk minder toeristisch is. Zo word je er niet per vrolijk treintje binnengereden en is de verlichting een tikje behoudender. “Het is hier allemaal wat echter,” sneerde de gids richting de concurrent in Postojna. Ja, misschien hadden de spelonkers hier wel wat meer hart voor de zaak door er geen kermis van te maken, maar waren we naar de andere grote grot gegaan, dan hadden we vast te horen gekregen dat het in Škocjan allemaal schrale zakken zijn. “Daar mag je geeneens foto’s maken!” Onze eerste indruk buiten was inderdaad al dat het er hier kalmpjes aan toe ging. Samen met een groepje oude Italiaanse mannetjes hadden we het grottenstelsel voor ons alleen.

Dat fotograferen er niet in zat was verrekte jammer. Via een megazaal met de gebruikelijke stalagmiet en -tietpartijen en rotsformaties waarvan onze tamelijk ongeïnspireerde gids droogjes vertelde wat we erin moesten zien, daalden we langzaam af naar een kolkende, onderaardse rivier. Weggedrukt tegen de gedeeltelijk verlichte rotswanden zagen we resten van de eng steile trappetjes van weleer. Wanneer boomstammen de uitgang versperden kon het waterpeil hier binnen de kortste keren meer dan zestig meter stijgen, zagen we op een plakkaat op de muur. We hoopten voor de avontuurlijke broertjes en hun neefje dat hun bal niet al te ver naar beneden was doorgerold, want na een lange afdaling waanden we ons figuranten in een Indiana Jones-film. Vijfenveertig meter boven de wild stromende rivier stak een smal bruggetje het ravijn over. Indrukwekkend, maar niet genoeg om ons helemaal van ons stuk te brengen. Bij het betreden van een bruggetje zetten Joost en ik de theme song van Indiana Jones in, terwijl we diep onder ons de opspattende schuimkoppen dramatisch verlicht zagen.

Eenmaal bovengronds zetten we koers naar de Kroatische grens. Joost moest zonodig de Secovlje-zoutpannen zien met een draak van een argument. Als je iets drie keer (vrijwillig?) doet, dan is het een hobby. Omdat hij eerder al op twee plaatsen zoutpannen had gezien, wilde hij er hier, aan de Sloveense kust, ook heen. Aan vogeltjes geen gebrek boven zoutpannen. De rest van het gezelschap zag de meerwaarde van een bezoekje aan dit toch wat saaie landschap niet echt in en mij leek het – juist met Joosts eigen argumentatie in het achterhoofd – zaak er vooral níet heen te gaan. Nu was diens zoutpanbezoek immers nog géén hobby. Gingen we vandaag, dan zou Joost tijdens elke toekomstige vakantie met mij een zoutvlakte willen bezoeken. Helaas is Joost net zo eigenwijs als ik en om van de lange discussie af te zijn gaven we hem zijn zin.

Zoals verwacht was het maar een suffe bedoening in Secovlje. Je kon het ‘natuurpark’ van twee kanten in: van de oostelijke, Kroatische kant (dat kon niet, omdat we met de identiteitskaarten van Gijs en Nelleke de grens niet over mochten), of de westelijke, Sloveense kant. Weer zagen we hagedissen en tal van insecten. Na een dagje sneeuw scheen de zon vandaag volop. Vroeger werd het gewonnen zout hier met karretjes over rails de bakken uit gereden, wat meteen de enige attractie van Secovlje vormde. Alle karretjes waren met het oog op mogelijk baldadig gedrag van de verroeste en dikwijls omgebogen rails getild, maar door er samen de schouders onder te zetten kregen Daan en ik een karretje weer op het traject. Zo hadden we toch nog wat te doen in de zoutpannen, naast kijken hoe Daan met zijn tolarmuntje speelde.

Drie keer en het is een hobby (EH)

Nu we ons toch aan de verwaarloosbaar kleine kuststrook bevonden, wilden Daan en ik eigenlijk wel zwemmen. Woensdag langlaufen, donderdag ietsjes zuidelijker zwemmen in de Adriatische Zee. De volgende stop was dan ook Piran, een zelfs in maart al drukbezochte badplaats zonder geweldige stranden en zonder auto-ontmoedigingsbeleid. Of het moest volgens de Slovenen volstaan dat we betaalden om te parkeren. Stapvoets auto’s ontwijkend in de nauwe straatjes vonden we eindelijk een plekje op de verst in zee gelegen punt van Piran, pal onder de vuurtoren. Zo konden we de bus in ieder geval makkelijk terugvinden. Een oude man stond trillend stenen in zee te smijten. Hij leek ons niet op te merken en ging maar door met gooien. Grote wit met paarse kwallen lagen dood of stervend tussen de donkere keien waar golfjes tegenaan kabbelden.

Het duurde een hele tijd, maar uiteindelijk gaven we de moed een mooi zandstrandje te vinden maar op. Als er gezwommen moest worden, dan hier bij die weinig uitnodigend uitziende stenen. Vogelaars Gijs en Joost waren we inmiddels kwijtgeraakt, ergens tussen de enorme, witte kerk die boven Piran uittorende en de plek waar we de Adriatische Zee in zouden rennen. Nou ja, rennen was er niet bij met deze scherpe stenen. Eva en Nelleke keken grinnikend toe hoe we stapje voor stapje de stenen aftastten, kwallen vermeden en slechts langzaam het koude water in konden. En het wàs koud! Mijn initiële idee van zee inrennen, gillen en er weer uit sprinten moest naar de prullenbak verwezen worden. Centimeter voor centimeter beklom het frisse water mijn benen; toen het tot mijn buik reikte wist ik al lang niet meer waarom Daan en ik dit zo graag wilden. Daarna was het kopje onder, gauw een paar slagen de Adriatische Zee in en er weer uit. De schade viel uiteindelijk mee: geen kwallen geraakt, geen verkoudheid opgelopen, alleen Daan had een voet opengehaald en Eva zou de foto’s van mijn blote billen niet openbaar maken.

Een Sloveen kwam geamuseerd vragen waar we vandaan kwamen toen we de broeken weer aan hadden. Dat we niet uit Slovenië kwamen was voor hem duidelijk. “From Suomi?”, vroeg hij lachend. “Ah, Nederland! Ja, voor jullie is de temperatuur prima zo!” Daan en ik vonden dat we onze mannelijkheid voor vandaag wel weer voldoende hadden bewezen. Wat van Piran niet gezegd kon worden. Via een shortcut om ons toch nog een beetje een Oost-Europagevoel te geven) klommen we naar de stadsmuren, waar ontzettende homo-kantelen stonden. Geen stoere, rechte blokken, maar frivole puntboogjes waarmee de stad werd beschermd tegen vijandige belegeraars. Door ze over de grond te doen rollen van het lachen, waarschijnlijk. Ter verdediging van Slovenië: ooit behoorde Piran tot Venetië.

Omdat het alweer onze laatste avond was voor we op huis aan zouden gaan, wilden we in Postojna per se ćevapčići eten. Gekruide worstjes die ze bij de Aldi jammer genoeg niet meer verkopen. Altijd een uitstekende barbecue-hit; zeker als aan het eind van de avond de worsten zich als een soort transformers aaneen hebben gevoegd en je een vormeloze gehaktbrij onderuit de zak tovert. Onze fijne herinneringen aan de Balkanworstjes deden ons wat aan de ruime kant bestellen. Het werd vechten om alles binnen te krijgen, maar het leverde een beste bodem op voor de flessen wodka en slivovka die vanavond nog op moesten. Dat ging voor een groot deel op Eva’s conto. Allergisch als ze is voor het onderdanige, kruiperige gedrag dat bij het spelletje Dalmuti hoort (wij mannen konden blijkbaar wat beter relativeren) spoelde ze haar frustratie ruimschoots weg met sterke drank. Zelf ging ik met het hoedje slapen als Grote Dalmuti. Eva baalde de volgende ochtend nog van het spel.

Jammer van die poepdoos (JS)

Nu was het weer daar ook wel een beetje naar, ook als je geen kater had. Waarom moest het tijdens onze laatste dag hier ineens regenen? Net nu we het liefst de hele dag met open deuren en ramen hadden rondgereden in onze Volkswagenbusje, omdat er na zo intensief vakantievieren een ontstellende lucht in hing? Nou, omdat na regenbuien vuursalamanders ook overdag actief zijn. Zelfs begin maart al, zo te zien. In de herfstachtig aandoende bossen boven Predjama trapte Eva het eerste exemplaar bijkans plat, waarna ik even later een tweede vond. Daarna hield de regen op. Ik was in mijn nopjes; Joost was in zijn sas met een rotsklever die hij tegen het grijze gesteente ontwaarde. Ons eigenlijke doel in Predjama was het kasteel dat hier tegen de bergwand was aangeplakt. Het Kasteel der Kastelen, na de equivalenten op kerk- en grotgebied al eerder te hebben bezocht, leek een identieke kopie te zijn van een ridderkasteel uit een Lego-catalogus. Het kasteel waar de Sloveense Robin Hood komisch aan zijn eind kwam.

Erasmus Lueger runde zijn kasteeltje verdienstelijk, mede dankzij geheime, onderaardse gangen. Ja, je verzint het niet, maar ook hier lieten de Slovenen hun voorliefde voor clichés niet varen. Waarschijnlijk brandden er nimmer dovende fakkels, daar onder de grond. Wanneer Predjama weer eens belegerd werd, vond onze held het humor om na een week of wat verse kersen naar de vijand te gooien. “Jullie zullen wel honger hebben!”, grapte hij dan. Maar de vijand was ook niet vies van een keer goed lachen. Toen ze wisten waar de wc zich bevond in het kasteel wachtten ze net zo lang tot Lueger het niet meer op kon houden. Een goed gemikt kanonschot later was het overduidelijk wie er het laatst lachte.

Ondanks de pittige kater waagde Eva graag haar leven op de gladde rotsen in een grot, waar een klein riviertje in verdween. Haar zoektocht naar vleermuizen verbande de hoofdpijn even naar de achtergrond. Daan, altijd in voor ondoordachte acties, sprong haar achterna. We wachtten gedwee af. Verstandig genoeg om niet te volgen; geen zin om een ticket voor het kasteel te kopen. Het was allemaal al duur genoeg deze week. ‘s Zomers vonden er riddertoernooien plaats in Predjama, compleet met lansrijden en zwaardvechten; nu was er geen kip te bekennen. We vielen dus wel op als winterse toeristen en werden uitgenodigd om op een terras schnapps (of sap, voor de chauffeurs) te komen drinken. De gastrvrijheid in dit land was tenminste Oost-Europees.

Met de discussie hoe Oost-Europees Slovenië nu eigenlijk is, waren we de rest van de dag zoet. Natuurlijk, vroeger waren het nog simpele boeren die geen flauw idee hadden hoe het kwam dat het Cerknica-meer er nu eens wel lag en dan weer niet, al sloeg je ze dood. Het gebeurde nogal eens in die tijd. Een grauw, moerassig landschap waar mistflarden afwachtend in de sombergroene bossen op de achtergrond lagen was voor ons een mooie, laatste bezienswaardigheid. Paadjes verdwenen onder water; een zompige vlakte deed vermoeden dat het water vaak hoger stond. De poreuze karstbodem en verdamping zorgen ervoor dat Cerknica jaarlijks vrijwel opdroogt. Dergelijke hekserij laat de Slovenen van vandaag de dag koud – onaangedaan door het vreemde natuurfenomeen baggerde een gelaarsd omaatje met grote boodschappentassen door de velden.

Meegaan met de tijd heeft ook heus wel voordelen. De televisie maakt je het eten tenminste niet onmogelijk door keihard aan te staan in elk restaurant. Veel dingen die op het menu staan kun je ook daadwerkelijk bestellen. Het geld ligt op straat in Slovenië, al waren we Daan zo langzamerhand wel beu. En in forten en ruïnes kun je rondlopen zonder in drollen te stappen, want de sanitaire voorzieningen zijn hier dik in orde. Maar het is een wankel evenwicht tussen deze westerse luxe en de charme van het oosten. We mochten maar weinig alcohol-gerelateerde taferelen aanschouwen. En wat we zagen, daar moesten we veelal zelf voor zorgen. De attracties waren duur en de moeite waard – we misten de man die op een synthesizer lukraak toetsen indrukte om ons te vermaken, de stinkende herder die ons in de bergen om sigaretten vroeg en de chauffeur die ons liever uit de auto had getrapt dan dat ie ons had toegestaan een gordel te dragen. Al was dat laatste misschien wel onze eigen schuld. Hadden we maar geen auto moeten huren, waarmee je overal zo makkelijk en comfortabel kunt komen. We hadden er zelfs dobbelsteentjes in gehangen, al waren we vergeten die eruit te halen, realiseerden we ons toen het al te laat was. De discussie was toen al lang geen discussie meer, want we waren het roerend met elkaar eens. Nee, dit noemen we geen Oost-Europa meer. Rest de vraag waarom we dan tóch zo’n goeie zin hadden in Slovenië.

Secret Window
Goeie toelie

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*