Domačija produkti

Voor mijn gevoel had ik pas zes meter gereden in Montenegro, maar er was nu al meer gebeurd dan in Kroatië. Een rokende douanier heette ons welkom, achter de vangrail aan de doorgaande weg zwommen mensen in de Boka Kotorska, een chauffeur parkeerde zijn bus vol passagiers om aan de overkant van de weg even boodschappen te doen en auto’s en bussen braakten dikke, zwarte rookwolken uit. En iedereen had de grill aanstaan. We kregen er honger van en stopten in Perast, de zelfbenoemde parel in Montenegro’s kroon. Voor we op zoek konden naar huisgemaakte specialiteiten werden we echter aangesproken door de parkeermeneer net buiten het voor gemotoriseerd verkeer afgesloten plaatsje. Het sign of approval van UNESCO kwam met een prijskaartje en die prijs was vijf euro per uur om een busje te parkeren. Gelukkig was alles hier een stuk minder goed geregeld dan in Kroatië en een wildparkeerplek was gauw gevonden.

Misschien had wildkamperen ook wel gemogen (JS)

Op gebied van ‘domačija produkti’ moesten we ons uiteindelijk tevreden stellen met het uitzicht op de eilanden Sveti Đorđe en Gospa od Škrpjela. De twee met bootladingen rotsen gebouwde eilandjes waren indrukwekkende staaltjes huisvlijt waar nog jaarlijks heen werd geroeid met boten vol stenen en boompjes. Aan de prijzen van de restaurants in de 16e en 17e eeuwse gebouwen aan het kalme water van de baai konden we afleiden dat ze in Montenegro wel toeristen gewend zijn. Op Ilva’s verjaardag hadden we toch niet meer nodig dan pizza’s, ijs en een bord vol inktvisjes. Nou ja, een camping misschien, maar die was er geen in het dure Perast. Ook in het grotere Kotor zochten we tevergeefs, waardoor het inmiddels donker was toen we langs onverlichte wegen de kustlijn van de Boka Kotorska verder afreden. Hier moesten we even wennen aan de minder strakke regelgeving in Montenegro – wat heet, het was hier pure chaos. De weg naar Stoliv was anderhalve auto breed en waar de breedte twee hele auto’s benaderde, stond steevast een rij voertuigen tegen de kade of pal tegen de weg aan gebouwde huizen geparkeerd. De bus hier met passen en meten zonder schaafplekken door manoeuvreren was een uitstekende oefening voor de terugkeer naar İstanbul, over twee jaar op onze wereldreis.

Terwijl ik hevig transpirerend even op adem mocht komen, informeerde Eva ergens langs de weg naar de prijs voor een kamer. “Maar er is ook een camping hoor,” kreeg ze te horen. “Over 500 meter!” Dat waren dan Balkanmeters, wat omgerekend naar het metriek stelsel alles tussen de 500 en 1500 meter kan betekenen. Op de meter af 1500 meter verder reden we een mutjevolle zigeunercamping op. Tientallen auto’s stonden kriskras tegen elkaar geparkeerd; drukke muziek dreunde over de camping. Een oud mannetje liep met een geheven wijsvinger op ons af en maakte me duidelijk dat het hier vol was. We konden beter naar de buren gaan. “De buren?” vroeg ik. Ja, die hadden ook een camping. Een rustige bejaardencamping waar bijna niemand stond en de harde muziek van ernaast op een alleszins acceptabeler volume klonk. Maar wacht, er was meer: de douche was er een midden boven het gras opgehangen douchegordijn waar je alleen met koud water kon douchen en de toiletten waren gaten in de grond. Gebruikt wc-papier behoorde in een roestige emmer gegooid te worden. Dit begon op de Balkan te lijken.

Na ruim een week onderweg kwam het beloofde Albanië langzaam maar zeker in zicht. “Gaan we naar Albanië?” wilde Rune weten. Ja, vandaag was het zover. “Joepie!” juichte hij. Eerst moest onze bus nog wel de Ladder van Cattaro beklimmen; een serie van 25 haarspeldbochten die ons hoog boven de Boka Kotorska voerde. Via de bergen, Cetinje en Podgorica naderden we de grens tussen Tuzi en Hani i Hotit. Zei ik dat er in Montenegro weinig geregeld was? In Albanië deden ze er graag een schepje bovenop. Geld wisselen of eten kopen was aan de grens niet mogelijk en met slechts kleine dorpen in de onmiddellijke omgeving aangegeven op de borden langs de weg, kozen we voor de afslag naar Vermoshi. Een dorp in een wilde, afgelegen vallei in het uiterste noorden van het land. Hoe wild en afgelegen? Nou, een pinautomaat of bank hoefden we in Vermoshi niet te verwachten, vertelde een man op een ezeltje ons. En het dorp was nog zeker tweeëneenhalf, drie uur rijden, beweerde hij.

Waar de Balkan begint (JS)

Tijd voor plan B. In Koplik kochten we voldoende water en voedsel in om een paar dagen in Thethi door te kunnen brengen. Negen jaar geleden reden we hier in een IFA heen, over een verschrikkelijk slechte weg. Het zou er nu niet beter zijn, had onze vriend Ilir ons gewaarschuwd, maar we wilden toch een poging wagen. De eerste indruk hier in Koplik was in ieder geval goed: we waren het winkeltje met vier man personeel amper binnen gelopen of Ilva en Rune werden al op ijsco’s getrakteerd. In Kroatië kreeg je nergens ijsco’s cadeau. Langs geurende lavendelvelden en een luguber monument waaraan twee stroppen bungelden reden we tot het einde van de geasfalteerde weg in Bogë. Ik herkende het dorp niet meer, maar volgens een chauffeur die zich voorstelde als Pashko Pishu konden we bij een bar kamperen. Morgen moesten we ons in Thethi maar bij hem melden, want hij had een guesthouse. Wat het moest kosten wilde hij nog niet verklappen.

De meneer van de camping in Bogë was van de talen. Naast Albanees konden we ook met Italiaans en Grieks bij hem terecht. Het duurde niet lang voor Ilva en Rune chocolaatjes kregen. In Kroatië kreeg je nergens chocolaatjes cadeau. Voor ons en de Nederlandse lifters Bart en René was er raki in royale porties. Het was fijn om te eten met uitzicht op de Bjeshkët e Namuna, om de Vervloekte Bergen na zoveel jaar weer terug te zien. Drie Tsjechen waren juist blij ze te verlaten. “Het is een jungle daarboven! Maar dan zonder apen,” haastten ze zich om het beeld te verduidelijken. Na een trektocht van Gusinje in Montenegro naar Bogë wilden ze niets liever dan strand, bier, pizza en disco.

Dat was precies waar wij ver weg van wilden zijn, dus vanaf Bogë reden we over een tamelijk egale grindweg naar de Qafa e Terthores. Dankzij het af en aan rijden van vrachtwagens die grote rotsblokken van de weg verwijderden en bulldozers die het geïsoleerde noorden klaar maakten voor de komst van asfalt, was de pas snel bereikt. De diagonale pas maakte zijn naam nog altijd waar, maar de beklimming herinnerde aan niets meer aan de verschrikkingen die we jaren eerder achterin een vrachtwagen doorstonden. Die kwamen nu pas tijdens de afdaling. Over de laatste zestien kilometers, in de eerste en tweede versnelling over grote, onregelmatige rotsblokken hobbelend en ons op de centimeter nauwkeurig tussen rotswanden en vrachtwagens door persend, deden we twee uur. Het uitzicht op de Vervloekte Bergen werd met elke traag gereden kilometer fantastischer.

Idyllisch plekje (JS)

In Thethi zagen we Eva’s vrees bewaarheid: de vallei was de laatste jaren een stuk toeristischer geworden. Jimmy vertegenwoordigde ThethiPark (“Our job is your safety”) met zijn gladde Amerikaanse babbels en heette ons welkom. Zelf was hij jaren dj geweest in Miami, maar had zijn koptelefoon aan de Amerikaanse wilgen gehangen om terug te keren naar het stukken aangenamere Albanië. De folder van ThethiPark, waar we konden kiezen uit 22 hotels en guesthouses, bestond uit een satellietfoto (zowaar in kleur) met daarop een stip bij Thethi en verder geen enkel aanknopingspunt. Geen verdere informatie. Behoorlijk amateuristisch, maar ja, er wàs wel een folder. Albanië was wat mij betreft toch al wat van zijn pretparkstatus verloren aangezien je bij de grens geen tientje entree meer hoeft te betalen en geen complimentary cd met Albanese toeterfluitmuziek meer krijgt. Het getal van 750.000 toeristen in 2005 was in korte tijd verveelvoudigd tot 3.500.000 in 2012. Dit Balkanland zat duidelijk in de lift.

Toch hoefden we niet te constateren dat Thethi verpest was door massatoerisme. In ieder geval niet bij onze gastvrouw Djona. Haar oudste zoon leidde onze bus dwars over bergweiden, een rivierbedding en steile hellingen naar het huisje waar Djona met haar drie zoontjes woonde – een weg die we zonder hulp nooit als dusdanig herkend zouden hebben, maar met wat aansporing lukte het ons de bus tot het grasveld voor het witte, stenen huis te rijden. Varkens en kippen liepen rond het huisje; de dreigende pieken van het Bjeshkët e Namuna omsloten de vallei aan alle zijden. Djona’s gezin was straatarm en als drie meter sneeuw het dorp ‘s winters afsloot van de buitenwereld was het leven hier vast niet eenvoudig. Nu was het moeilijk ons een idyllischer plek voor te stellen.

Na de lunch met lente-ui, feta, worst, eieren, salade, frietjes en Birrë Tiranë, liepen we de laatste kilometers bergaf naar waar de Shala door de vallei stroomde. De vorige keer dat we in Thethi waren vonden we zowel het Dukagjin etnografisch museum als de kulla gesloten. Valentin, een tiener die met vakantiebaantje als gids mooi zijn sigaretten kon betalen, wilde het museum wel voor ons openen. Eerst konden we wat drinken bij zijn oom Jovalin. “Koffie en raki?” Ik wist nog niet dat “Pse nuk?” Albanees was voor waarom niet, dus schudde maar bevestigend mijn hoofd. Hoog boven ons cirkelden vier adelaars in de lucht, wat reden voor enthousiasme was voor de verzamelde lokale hangjeugd. Ook Rune verwonderde zich over de grote vogels: “Ze maken rondjes!” Van tieners die hem knuffelden was hij minder gecharmeerd. Zijn blonde haren (“Rune is niet blond! Hij heeft witte haren!” stampvoette Ilva keer op keer) kwamen hem op heel wat ongewenste handtastelijkheden te staan hier op de Balkan.

Neem voldoende raki mee (JS)

Het etnografisch museum stelde met wat instrumenten, een oude wieg en een ontsnappingstunnel weinig voor, maar de kulla was interessanter. Voor de verdedigingstoren blies een man in klederdracht op een boomblad, waarmee hij een trillende, snerpende melodie produceerde. Toeterfluitmuziek in zijn puurste vorm. Je moest jezelf natuurlijk wel kunnen vermaken vroeger, in zo’n kulla. Wanneer je verwikkeld raakte in een bloedvete en een rivaliserende clan het op je voorzien had, bood eenzame opsluiting in de zware, stenen torens je de beste overlevingskans. Door de ladders achter je omhoog te trekken en bij de nauwe ramen c.q. schietgaten de wacht te houden zat je hier best veilig. Het interieur leek veel op dat van de kulla waar we in Kosovo in sliepen: in de schemering zou het zittend op de kleurrijke tapijten best gezellig zijn met voldoende raki in huis. Als Jimmy er tenminste niet bij zat. Een glas hield ik het die avond bij Djona thuis nog wel met hem uit, maar het ontbreken van een taalbarrière maakte communiceren met Jimmy erg lastig.

Met Valentin hoefden we een dag later niet veel te communiceren, ook al was hij onze gids. Een rol die hij niet echt overtuigend speelde, want Valentin had zich duidelijk verkeken op het wandeltempo van mensen met jonge kinderen. Na het stoffige centrum van Thethi met zijn schaapskuddes achter ons gelaten te hebben, reden we het dorp uit in zuidelijke richting. Dit was de alternatieve route naar Shkodër, maar een weg die de dorpsbewoners meden als de pest en slechts in uiterste noodgevallen gebruikten. Tot de Grunasikloof was het niet ver, maar de twijfel of we die laatste afdaling ook bergop weer zouden halen op de terugweg bleef aan me knagen. De scheidslijn tussen de grenzen van de bus opzoeken en onverantwoord rijgedrag begon langzaam te vervagen. Voorlopig was het zaak Valentin bij te houden, die vol ongeduld voor ons uitbeende naar de waterval boven Thethi. Ook hier waren we niet de enigen. Een Britse van in de zeventig die voor het Balkan Peace Project werkte, dat zich inzet voor duurzaam toerisme in het grensgebied van Albanië, Kosovo en Montenegro, zag ook dat de vooruitgang hier in hele kleine stapjes kwam. Ja, er was minder afval, maar er is geen Albanees die bij duurzaam aan kleinschalige guesthouses bij gezinnen thuis denkt. Als er elke dag zeventig toeristen naar je dorp komen, dan moet je een hotel bouwen met zeventig bedden. Zo denkt de buurman er trouwens ook over.

Leuk en aardig allemaal, vond Valentin, maar was het niet eens tijd dat we terug gingen? Nee, vonden wij. Het was picknicktijd. Van een oude man hoorde Valentin dat er vijftien minuten verderop een brug met een mooie zwemplek zou zijn. Zelf was hij nog nooit in het volgende dorp geweest, wat voor ons in Nederland toch tamelijk onvoorstelbaar is, al woont er nog zo’n dom volk een dorp verderop. Na dertig meter hielden we deze weg echter voor gezien: te steil, te oneffen en met te grote rotsblokken. We keerden om, wat niet meeviel op een smalle weg met aan de ene kant een rotswand die eruit zag alsof hij niet meegaf en aan de andere kant een afgrond de Grunasikloof in. Dan liever te voet, wat voor de ongedurige Valentin het teken was om het voor gezien te houden. Mooi zo. De waterval hadden we zonder hem vast ook wel gevonden, maar van de zwemplek hadden we dan niet gehoord hebben. We waren blij toe dat we gingen lopen: de 4×4 die het na ons probeerde stond al snel stil met panne en een houten kruis voor een omgekomen Tsjech onderstreepte nog maar eens dat deze weg niet voor amateurs zoals wij was.

Toch nog een positief reisadvies voor Thethi (JS)

Zonder kaart of verdere aanwijzingen bleven we maar lopen, maar van een brug bleef elk spoor uit. Het was heet, de zon brandde en van de relatieve invasie van toeristen in Thethi was hier geen spoor meer te bekennen. Na een lange tijd kwamen we bij een waterkrachtcentrale, waar we prompt binnen werden gewenkt. De man die ons op een kleine rondleiding trakteerde sprak geen Engels, nam terecht aan dat wij geen Albanees spraken en deed daarom zijn mond waarin een sigaret bungelde maar helemaal niet open. Binnen in het betonnen gebouw dreunden de machines. In een kaal vertrek stond zijn bed, een waterkoker en een fles raki. Het kleine flesje raki in zijn handen had hij dus niet echt nodig. Drinken, gebaarde hij. Pse nuk, hè? Een dop zat er niet op, dus gebaarde de man nog maar eens. Voor Ilva en Rune plukte hij pruimen en toen hij zag dat ik echt geen zin had een limonadeglas raki achterover te slaan kreeg ik ook de dop met het fraaie opschrift Pitbull bij het flesje cadeau.

Even verderop vonden we eindelijk de brug en picknickten we aan de Shala met lamsvlees, lente-ui en raki. We waren nu vlakbij Ndërlysa, het eerste dorp ten zuiden van Thethi. Precies het soort dorpje waar ik wild enthousiast van word: klein, afgelegen en vooral onverwacht. Ik had nog nooit van Ndërlysa gehoord, maar het dorp had een eigen geïmproviseerde bar aan een kloof, met daaronder het azuurblauwe water dat daaruit stroomde. In een subtropisch ogende, maar eerder subarctisch aanvoelende poel zwom de lokale jeugd, of nou ja, ze zonnebaadden erbij. Op de rotsen stonden er een stuk of vier klaar om in het koude water te duiken. Je zag ze haast denken: “Ah verdraaid, nou ligt die gast er eerder in,” toen ze te lang doorgingen met uitdagingen na elkaar roepen.

Maar het meest onverwachte aan Ndërlysa was dat er vanaf hier gewoon een bus naar Shkodër reed. Het klinkt paradoxaal, maar je moet zelf in het Mercedesbusje gezeten hebben om dit ongeloofwaardig te vinden. Straffer nog: de chauffeur was Pashko Pishu, op wiens uitnodiging om in zijn guesthouse te verblijven we niet in waren gegaan, omdat we dachten dat de alleenstaande Djona het geld beter kon gebruiken. Mooi, zo krijgt toch iedereen wat, dacht ik. Bummer, dacht Eva, dit gaat ons geld kosten. “For you, it will cost a lot,” zei Pashko inderdaad. Hij had wel humor, al verging het lachen je snel als je deze route vrijwel dagelijks moest rijden. Het was hier prachtig, maar niet als chauffeur. Na zeventig cent per persoon te hebben betaald, mochten we met onze eigen bus het laatste stukje terug naar Thethi proberen. We waren blij dat we hier niet elke dag hoefden te rijden.

Allergisch voor veiligheid
Het Italië van de Balkan

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*