Dönerloos badderen met nazi’s

In twee dagen waren de beuken op onze camping van kaal naar frisgroen gesneld. De heldere nachten waren ijskoud, zodat we Ilva telkens halverwege de nacht met verkleumde vingertjes uit haar warme slaapzak moesten halen om haar tussen ons in te leggen, maar ’s ochtends verwarmde de lentezon ons bij het ontbijt. Vandaag was de dag dat er gezwommen moest worden. Vandaag was het immers nog zonnig; morgen zou het weer een stuk slechter zijn. De paarse en lichtblauwe toeristentreintjes negerend – wat moet Rügen een hel zijn in het hoogseizoen – liepen we naar Vitt, aangeprezen als authentiek vissersdorpje. Dat was dan waarschijnlijk gebaseerd op de rietgedekte dorpskerk en de holle weggetjes die omlaag voerden naar het strand. Niet op eerdergenoemde treintjes of het aantal kioskjes met vis en prullaria.

Hier was dus een strand, een zandstrand, al bestond de zeebodem ook hier uit rotsen en zwerfkeien. Mijn tactiek om toch vooral als eerste het koude water in te duiken was met een baby op de rug niet langer houdbaar. Daan en Jaap waren al kopje onder voor ik mocht. Ook Gijs en Maarten trotseerden het Oostzeewater dat later 6,3 °C bleek te zijn, terwijl Joost hoofdschuddend op het strand bleef staan. Janine hield het bij pootje baden en overdreef schromelijk dat ze geen hartaanval wilde riskeren. Met Daan in bevallige zeemeerminpose op een met algen overwoekerde rots die uitstekend dienst deed als glijbaan vermaakten wij ons prima, terwijl Ilva in de zon het losse zand verkende.

Oostzee, fijne zee (EH)

Opgefrist beklommen we de steile kust naar Kap Arkona en de Jaromarsburg. De aan Svanevit gewijde tempel uit de 6e tot 8e eeuw was opnieuw een fraai staaltje Slavische bouwkunst. Dat de helft van het fort inmiddels in zee was gestort deed daar niets aan af. De indrukwekkende verdedigingswerken stonden vijftienhonderd jaar later nog altijd trots overeind, al hielden ze Gijs deze keer niet buiten. De oude Slavische goden Svanevit, Rugievit, Perun en Baba werden vroeger door de West-Slaven op heel Rügen vereerd. Hier leek het zo gek nog niet dat het Russische Arkona zo ver buiten de landsgrenzen op zoek was gegaan voor hun bandnaam. Op het hoogste punt herkende Eva de vuurplaats van de cover van Arkona’s nieuwste plaat, Goi Rode Goi.

Een vuurtje zou de ervaring inderdaad compleet maken, maar we kozen voor een goed alternatief in de vorm van bier, curryworst en nog meer bier. Met een Erdinger Weißbier was het goed plannen maken voor een volgende trip. Bomen over brommers, want Jaap wilde per brommer langs alle trappistenbrouwerijen. “Ik heb getwijfeld over België,” gaf ik toe, maar het was een schitterend plan. Een waardige opvolger van de Kleine Landen Tour.

Voor Gijs en Nelleke zat de vakantie er alweer haast op. In Saßnitz bezochten we nog het U-Boot museum (minder vet dan in Kaliningrad want zonder gepensioneerde communisten en marsmuziek, maar nog steeds de moeite waard), alvorens ons te vergapen aan DDR-brommers. Daarna reden we naar Prora voor onze laatste gezamenlijke bestemming. Een bezoekje aan het voormalige KdF-monument was een idee van Daan en leek me gruwelijk saai. Ik had het mis. Prora moest in de jaren ´30 omgebouwd worden tot jodenvrij badderparadijs van de nazi´s. Kraft durch Freude zou hier 20.000 appartementen met zicht op zee bouwen, zodat miljoenen arbeiders jaarlijks op een welverdiende vakantie getrakteerd zouden worden, leerden we van de expositie MACHT Urlaub. ‘Macht Urlaub, kein Krieg’ was volgens mij nooit een geliefde slogan van Hitler en van het vakantieparadijs aan de Oostzee is nooit iets gekomen. Wie om de nooit afgebouwde, betonnen monstruositeit wil lopen heeft een wandeling van negen kilometer in het verschiet. Waar Hitler ooit de joden een duik in het 6,3 °C warme water wilde ontzeggen zat nu een Anatolische dönertent. Het soort ironie waar ik wel van hou.

Kap Arkona (NC)

Wij kozen echter voor Eisvergnügen, zolang het nog kon. Vandaag was het immers nog zonnig; morgen zou het bewolkt zijn. En ’s avonds wodka, want die fles had ik eerlijk gewonnen. Joost stoefte hoe netjes hij het Volkswagenbusje in en uit kon parkeren; ik waagde dit te betwijfelen. “Voor een fles wodka laat ik het nu zien!” riep Joost zelfverzekerd. Daar de accu leeg bleek te zijn ging de fles naar mij.

Met nog twee dagen te vullen wilden we Hiddensee zeker niet missen. Joost had al een week op de Parel van de Oostzee mogen vertoeven en hoefde niet zo nodig, al verheugde hij zich er wel op overal uit te mogen roepen: “Dat heb ik al gezien!”. Het bleef bij “Vorige week was het toch mooier weer…”. De beloofde bewolking was namelijk in ruime mate voorhanden. Vroeger voer de boot vanuit Schaprode naar Fährinsel, waarna het eilandvolk nog een half uur naar hun huizen mocht waden. Dergelijke avonturen bleven ons bespaard, waardoor we al gauw in Kloster stonden, waar zandpaden de norm waren. Dat oogde gelijk een stuk authentieker dan de authentiekste dorpjes op Rügen.

Over de Dornbusch en de Swantiberg liepen we naar het noordelijkste punt van Hiddensee, dat veel meer dan Rügen als een waddeneiland oogde. Het weer werd slechter, de wind harder en de landtong Albessin aflopen was een slecht idee. Naast de beloofde bewolking kregen we nu als extraatje horizontale slagregens, wat Ilva deed huilen onder de poncho en ons deed nadenken over hoeveel soorten regen we eigenlijk kenden. We kwamen met wat moeite tot vijftien. Dit overigens binnen, want het bleef gestaag doorregenen. Joost wist een leuke tent waar niet alles naar kots smaakte. Het gebak van Annelies wel. “Nee joh, heerlijk,” mompelde de eigenaar met een stalen gezicht nadat drie van ons anderszins hadden geoordeeld. De hap braaksel smaakte zoals hij hoorde te smaken, vond hij. Eilandvolk.

Vast nog erger in het hoogseizoen (JS)

“Heel Duitsland is een gekkenhuis, maar de centrale zit op Hiddensee,” verklaarde Uwe Kasten later die avond. Uwe schoot op alles wat bewoog, dus we spraken hem niet tegen. Geen plekje op de muur van zijn restaurant of er was een schedel of opgezet dier tegenaan geplakt. Als we morgen wilde zwijnen wilden zien konden we Uwe misschien meevragen, maar eigenlijk zagen we de beestjes liever levend. Of als spareribs, zoals nu op ons bord. De tussenfase is alleen wat minder. “Morgen wordt het beter weer,” beloofde Uwe nog.

Overdag 5 °C noem ik geen beter weer. Als de eilandbewoners hier ergens slecht in waren, dan was het wel in het voorspellen van het weer. Omdat het de rest van de week niet veel beter zou worden zagen we af van ons plan door te reizen naar Wolin in Polen – net nu Ilva een beetje aan het kampeerritme gewend was geraakt. En omdat we de highlights van Rügen wel zo’n beetje gezien hadden gingen we naar Putbus. Althans, we wilden naar Putbus, maar we hadden een kutbus, om één van de meer poëtische uitspraken van Jaap te citeren. Gelukkig was de ADAC snel ter plaatse, zodat ook Joost en Annelies mee konden genieten van de verzameling aristocratische, neoklassieke gedrochten in onbevlekt wit. Dan nog liever het beton van Prora.

Binz was niet veel beter. “Een oord voor de rijken en schonen,” volgens Uwe. Jaap en Janine waren rijk, schoon was na een week kamperen niemand meer, maar misschien bedoelde Uwe ‘mooi’. We waagden het erop, maar dat hadden we beter niet kunnen doen. Onder het loodgrijze wolkendek bood Binz een troosteloze aanblik en tot overmaat van ramp realiseerde ik me dat we hier helemaal niet moesten zijn. De kitscherige zeebrug uit de reisgids lag in Sellin, niet in Binz. In ieder geval klopte de thermometer hier beter dan bij Kap Arkona. Het water was 8 °C, maar niemand zwom. En wat dan nog – een strandvakantie is toch niks voor mij. Dan liever op de brommer door België.

Kick-Ass
Fahrvergnügen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*