Duister avontuur

Zelfs een miniem gehucht als Pui gaat op den duur vervelen, dus om dit gevoel voor te zijn vertrokken we net een paar uur eerder. Van dat soort slimme streken hielden ze bij de Roemeense spoorwegen blijkbaar niet, want ze lieten de eerstvolgende trein expres pas vier uur later vertrekken. Vier uur wachten op een station waar ze je bij het woord ‘railtender’ alleen stom aan kunnen gapen. Hier in Nederland klagen we al als de trein een scheet vertraging heeft, maar op de oncomfortabele houten bankjes op station Kip kwam zoiets niet bij je op.

Kekke kleur

Treinsgewijs verplaatsten we ons naar Vulcan. Kun je daar dan komen met de trein? Geloof je de kaart, dan luidt het stellige antwoord ‘neen’. Maar wij geloofden de kaart niet. Helaas viel het heuglijk feit dat het Retezat Nationaal Park niet ver meer van ons verwijderd was samen met het uitgeven van onze laatste lei. We besloten dat de snelste manier om aan Roemeense flappen te komen de manier was die door alles en iedereen sterk wordt afgeraden: op straat geld wisselen met willekeurige voorbijgangers. Niet alleen worden toeristen aldus vaak genept, het is ook nog eens illegaal.

Edoch, wij wisten beter en de huidige koers, en aan willekeurige voorbijgangers geen gebrek. Een dame van middelbare leeftijd en bovengemiddeld gewicht was wel geïnteresseerd in onze dollars (een bankgebouw wist ze zo één twee drie namelijk niet). Uitgerust met nieuwe lei vertrok, na een tijdje op een terras met enge mannen gezeten te hebben, de bus naar Cîmpu lui Neag. Een soort Grădiştea de Munţe in het groot: ook dit dorp lag aan het eind van de weg, met als enige keus terug naar de bewoonde wereld of de bergen in.

Uiteraard heeft een dorp dat zo dicht bij het Retezat gebergte ligt (op de Donaudelta na het grootste natuurpark in Roemenië) geen camping. Aan het grauwe, betonnen hotel in het mijnwerkersdorpje konden we niet zien of het open was, gerestaureerd werd, nog nooit open was geweest of permanent gesloten was, dus besloten we wild te gaan kamperen. Na enkele western-achtige cafés ver buiten het dorp zelf vonden we een geschikte plaats voor onze tent. Boven op een boven de weg gelegen vlakke wei, vlakbij een stroompje en uit het zicht. En ondanks de frontier-setting toch tam genoeg om tijdens wandelingen al onze spullen onbewaakt achter te laten (of we hadden gewoon geluk – het resultaat was eender).

Grijze motregen maakte overnacht plaats voor vrolijk schijnen van de koperen ploert. Zo’n lekker weer, dat mocht wel wat minder. Zweterig, plakkerig, geen douche binnen handbereik. We vonden verkoeling in de schaduwen van een kloof waar het wandelpad met een grote boog omheen liep. De mooiste gorges die we ooit zagen werden angstvallig voor ons verborgen gehouden. Na een poosje over de stenen van de rivierbedding te hebben geklauterd, ingeklemd tussen hoge bergwanden, liep het ‘pad’ dood. Door het koude water met kleine vissen en roodbruine kikkertjes (Rana dalmatina) en na het overwinnen van enkele zwerfkeien belandden we in een wit marmeren, door de eeuwen heen door de rivier afgesleten Mediterraan landschap. Grieks of Turks ofzo. Gladde witte stenen met azuurblauw doch kolkend water. Alwaar verder survivalen ons door de kracht van het water onverstandig leek.

Dat de zon het een dag later schromelijk liet afweten was eigenlijk best jammer. Het was namelijk 11 augustus 1999, en wie in Roemenië ooit met een plastic briefje van 2000 Lei heeft betaald weet waar ik het over heb: een totale eclips. Uit alle krochten verschenen ineens toeristen. Ze hadden haast en marcheerden ons in hoog tempo voorbij. Een eclips is natuurlijk pas echt leuk vanaf een bergtop van minimaal twee kilometer meter hoogte.

Spelers af. Lichten uit.

Het centrum van de zonsverduistering die vanaf veel plaatsen wereldwijd (gedeeltelijk) zichtbaar was, lag exact in het Retezat gebied. Maar: wat is mooier? Een eclips bijwonen vanaf een bergtop waar je door de fanatieke mensenmassa bijkans wordt afgeduwd, of vanaf een bergweide vanwaar je uitzicht hebt op omringende bergpieken en dit magische moment met z’n tweetjes kunt beleven? We hadden plezier voor tien met het behulpzaam mededelen hoe ver cabana Buta nog van ‘onze’ bergwei verwijderd was. De meeste toeristen zouden de afstand van viereneenhalf uur niet in de resterende twee tot drie uur overbruggen. Wij kenden geen stress. Liggend in het hoge gras tussen een paar naaldboompjes zagen we de zo populaire bergtoppen gehuld in nevelen. Ha ha, lah-hoo-sah-hers!

Er was al een uur niemand gepasseerd toen er iets raars gebeurde met de lichtintensiteit. De zon stond nochtans op een voor dit uur normale positie. Door onze speciale eclipsbrilletjes zagen we dat de maan langzaam voor de zon schoof. De schemering trad snel in. Nachtvlinders kwamen tevoorschijn, vogels en de overdag zo drukke sprinkhanen en krekels vervielen in stilzwijgen. En toen was het nacht. Voor heel eventjes, want al gauw fladderden de motjes in het teruggekeerde zonlicht. Het duurde maar tweeëneenhalve minuut, maar Eva en ik zagen het samen en hoefden het met niemand te delen.

En dat vat onze eerste ontdekkingstocht naar Roemenië zo’n beetje samen. Natuurlijk hadden we nog een schier eeuwigdurende reis naar huis voor de boeg (zie Waarom ik Cîmpu lui Neag – Duizel geen leuke reis vond) waarop het mijmeren over onze ervaringen begon (en daar ga ik nu, vijf jaar later, met het optekenen van deze herinneringen nog steeds mee verder). De reis duurde lang, maar niet zo lang als het wachten op het weerzien met dit fascinerende land. Nooit eerder had ik zo’n last van heimwee: Roemenië was voor Eva en mij een nieuw thuis. Vanwaar deze episode tot ons genoegen afgesloten mag worden met een welverdiend wordt vervolgd!

Waarom ik Cîmpu lui Neag - Duizel geen leuke reis vond
Fietsbandsoep

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*