Een Abkhazische vluchteling gaat snel vervelen

Argwanend werden de ogen van een veertigtal grotendeels ongeschoren mannenhoofden op ons gericht. Sigarettenrook kringelde naar het hoge plafond; de plastic stoelen en foute, gouden kettingen vormden een ongemakkelijk contrast. We vielen uit de toon, zoveel was duidelijk. In plaats van ons op intimiderende wijze aan het verstand te brengen dit gokhol per ommegaande te verlaten, zagen de sjacheraars hun kans schoon. Nieuwe gezichten, nieuw geld. Wat kon Interbet voor ons betekenen?

Allemaal varkens (EH)

Het antwoord zou luiden, naar wij hoopten, niet meer dan een snel vertelde anekdote in een tweederangs reisverhaal. We wilden overnachten in Kutaisi en dan snel doorreizen naar Mestia, hoofdstad van rovershol Svaneti. Kutaisi leek op papier preferabel boven Zugdidi, aan de grens met het losgeslagen Abkhazië. Geen veilig oord en alleen in noodgevallen te gebruiken als plek om de nacht door te brengen. Maar nu bevonden we ons tussen gokverslaafden die ons niet konden vertellen hoe we morgen in Mestia konden komen, met een verdieping onder ons wel erg jonge bedelaartjes, ongure sujetten, vijandig kijkende reizigers en een drukkende hitte op dit vieze busstation. Na een blik van verstandhouding spoedden Eva en ik ons naar beneden, waar de minibus naar Zugdidi al bijna vol zat. Uitstel van executie.

Welke rampspoed ons ook te wachten zou staan in Zugdidi, we zouden het niet met z’n tweeën hoeven te doorstaan. De Israëliërs Noam en Liz zaten in hetzelfde schuitje, al nestelde een Abkhaziër zich naast Eva op de achterbank zodat er van praten met deze toeristen weinig terecht kwam. De vluchteling deed wel pogingen tot converseren. Toen dit vruchteloos bleef ging hij zingen, klappen, stelde dan weer vragen, praatte honderduit tegen niemand in het bijzonder en herhaalde deze stappen vervolgens. In het begin lachte iedereen nog, maar al snel was de lol eraf. Zugdidi telde ruim 50.000 inwoners toen de Sovjetunie uiteen viel, maar na het conflict met het alleen in naam nog niet onafhankelijke Abkhazië waren dat er nu meer dan 120.000 geworden. Met zoveel uit de separatistische regio verdreven vluchtelingen geen prettige stad om te vertoeven – misschien dat het negatief reisadvies van het ministerie van buitenlandse zaken in deze wel gerechtvaardigd was. Normaal gesproken is zo’n op internet te lezen advies toch een ver van je bed show, maar hier in de benauwende minibus werd het vluchtelingenprobleem ons iets te tastbaar. Gek werd je van die kerel.

De Svan-toren kondigde aan dat we Zugdidi bereikt hadden. Dit busstation vormde de toegangspoort tot het nog meer dan vijftig kilometer verderop in de Kaukasus gelegen Svaneti. Een beruchte streek waar je als toerist een makkelijk doelwit bent van bandieten. Tot één, twee jaar terug echt off-limits, nu slechts mild afgeraden. Het duurde tien tellen voor we ruzie hadden. Een dikke man schold ons uit, al was ons en de Israëliërs niet voor de volle honderd procent duidelijk wat we misdaan hadden. Onze vlucht met een taxi had niet het gewenste effect: beide guesthouses uit de reisgids bleken onvindbaar. In een hotel in het centrum waren ze aardiger. “Chow aargh you? Welcome to the most beautiful part of Georgia – Mingrelia!” “Dat kan wel zo zijn,” vonden onze reisgenoten, “maar hier tegenover is het goedkoper.” Prima, daar waren ze ook sympathiek. Ik probeerde een woordje Georgisch, werd getrakteerd op een stralende glimlach, een ansichtkaart en de naam van een restaurant – Shavi Tita.

De toegangspoort tot Svaneti (EH)

Uit eten gaan in een stad waar één op de twee inwoners vluchteling is, waar soldaten onafgebroken patrouilleren, waar we helemaal niet hadden willen zijn? “Als je maar voor het donker thuis bent jongen,” zou m’n moeder gezegd hebben. Een dronken man wees ons blaffend de weg, we lieten het centrum achter ons en vonden na een beste wandeling een groep van vijf soldaten en een politiecommandant voor restaurant Shavitita. “Waar komen jullie vandaan?”, vroeg de verraste groep. Nederland en Israël dus. “Wij uit Zugdidi,” lachten ze. Shavitita bleek een sjieke tent met zowaar een Engelstalig menu en Kazbegi-bier in hippe, lichtmetalen ‘flesjes’. Met deze hitte moesten ze in noodtempo weggeglokt worden opdat er optimaal van genoten kon worden. En hier konden we tenminste vlees op z’n Oost-Europees eten – veel dus – na het vegetarische debâcle. De Israëliërs deden vrolijk mee en aten varkensvlees op de sabbat.

Dat was niet het enige typische aan dit stel. Ze zagen nogal wat beren op de weg en niet alleen sporen in de modder. Is het hier niet te duur, het is wel ver lopen, we moeten op tijd slapen… Jammer, dat laatste, want met het vallen van de schemering flaneerde de Zugdidische jeugd er op los onder de in diverse kleuren verlichte kunststof palmbomen. Iedereen keek ons daarbij strak aan. Kan ik ‘t helpen dat ik wèl gegroeid ben. Van slapen kwam niet veel in deze stad waarin elke bouwval bewoond werd en waarin vanuit de tot woonruimte omgebouwde fabriek ogen terugstaarden naar onze hotelkamer. Eindelijk ingedommeld in de zweterige hitte wekten nachtelijke geweerschoten me uit mijn ondiepe slaap. Dat scheelde weer – in Zugdidi heb je geen wekker nodig om de bus te halen.

Gaumarjos!
Kleine Kaukasus, grote bulten

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*