Een controversieel verhaal graag

De drie R’s van rust, reinheid en regelmaat gaan ontzettend slecht samen met die vierde R – de R van Roemenen. Zou elke dag in het leven van een Roemeen zo ongeorganiseerd zijn? Het zou erger worden voor het beter werd, want na de Dacische trekpleisters zouden we Cristi ophalen in het alsmaar mooier wordende Alba Iulia. Cristi werkte in het door gouddorst in twee rivaliserende kampen verdeelde Roşia Montană. Dat kon nog leuk worden, maar om de een of andere vage reden had Cristi ons vandaag nog niet verwacht. Hij moest morgen nog wat veldwerk afronden op Piatra Craivii, vertelde hij, maar liever had hij het over zijn nieuwe vlam uit Chişinău. Dit was de Cristi zoals wij hem kenden: gore praat uitslaand en nog altijd hopend op een blonde vrouw uit Nederland die strijken niet vervelend vond.

Niet alles was hetzelfde in Cristi’s leven, hoorden we in de Medieval Pub waar we ciorbă uit brood aten en Ilva op een portie papanasi van het huis werd getrakteerd. Cristi werd oud, vond hij. Na afloop van het jaarlijkse onderzoekskamp bij Piatra Craivii moest hij tijdens de colleges die hij aan archeologiestudenten gaf vragen of hij op kamp wel dronken was geweest. “Jazeker meneer, één avond was u ontzettend dronken.” Gelukkig maar. Dronken in de auto stappen was een mindere ervaring. Naar goed oud-communistisch gebruik werden wetsovertreders flink geïntimideerd. Cristi had geblazen en zijn fout bekend, maar inleveren van het rijbewijs volstond niet. Hij moest door naar een ziekenhuis om bloed te laten prikken, volgens de agenten. Dit weigerde Cristi, waardoor hij binnenkort voor het gerecht kon komen en geen duidelijkheid had of hij gewoon een jaar naar zijn rijbevoegdheid kon fluiten, of misschien veel langer.

Brood in je soep? Nee joh, andersom! (EH)

Uiteindelijk reis je in Oost-Europa altijd weer op dezelfde manier. Nu Cristi zijn Dacia noodgedwongen moest laten staan, kropen we met z’n tienen in een pick-up truck waarmee we opeengepakt achterin de hobbelige weg van Bucerdea Vinoasă naar Piatra Craivii opreden. Alina, Edmond, Ami, Jimmy en ik zaten gezellig om elkaar georigamied. En maar klagen, terwijl dit naar avontuurlijke maatstaven nog best een comfortabele manier van transport was. Wat een stadsroemenen. Ilva zat wat beter, bij Eva op schoot, maar Cristi had de beste plaats – verveeld onderuit gezakt op de bijrijderstoel. Bloed onder andermans nagels uithalen doet hij dan ook graag, al was hij zich er nu oprecht niet van bewust. “Was de weg niet te zwaar voor je?” vroeg ik hem. “Neuh, viel wel mee,” antwoordde Cristi. De nagelafdrukken stonden roodgloeiend in de handpalmen bij Ami en Edmond.

Tegen een Belg was Cristi laatst ook al weinig subtiel. De misstanden in de Belgische kerk waren de Roemenen niet ontgaan. “Waar houdt een Belg zich aan vast tijdens de seks?” had Cristi een Belgische toerist gevraagd. “Aan de schooltas!” Gelachen werd er niet. Terwijl Cristi zijn veldwerk afrondde speelden wij een potje Pedaalridders. Dat ik gewoontegetrouw in het geel reed kwam me op een verklaring van Alina te staan, die had uitgezocht dat op het tijdstip van mijn geboorte Jupiter en Leeuw of zo samenstonden en dat betekende volgens astrologen zeldzaam veel geluk. Ik dacht zelf dat ik vandaag gewoon goede benen had.

Dat had Cristi in ieder geval niet – en erg gelukkig zag hij er ook niet uit. Ilva’s koorts van de dag ervoor was gezakt, maar Cristi oogde bijzonder meelijwekkend terwijl hij aan zijn medicijn lurkte. Het heilbrengende middel was in dit geval een flesje palinca met fruit. Zeer gezond volgens Cristi, die dit waarachtig leek te geloven. Op zo iemand kun je eigenlijk niet boos worden wanneer hij halverwege Alba Iulia en Roşia Montană tot de ontdekking komt dat hij zijn huissleutels niet heeft meegenomen. Edmond dacht daar trouwens duidelijk anders over, toen we omdraaiden voor een extra uurtje over de bochtige wegen van Transsylvanië. Te ziek om me belachelijk te maken was Cristi niet: “This is the lowest speed I’ve ever seen on this road.” Zijn record van vijftig minuten haalden we dan ook bij lange na niet, al bleven we wel krap onder het dubbele daarvan. Het was opnieuw een record voor Cristi.

Het schemerde toen we de troosteloze mijnbouwplaatsen Abrud en Zlatna passeerden. Hier was 80% van de bevolking werkloos en een minstens even zo hoog percentage zwaar aan de alcohol. Het residu van de goudmijnen bood een postapocalyptische aanblik – opruimen is nog altijd geen favoriet tijdverdrijf in Roemenië. In het donker reden we moe en hongerig Roşia Montană binnen. Een omgevallen boom had de elektriciteitsdraden omlaag getrokken en Cristi’s pittoreske huisje moest het zonder stroom stellen. Een huis vol afstandsbedieningen en gangen met vloerbedekking – dit was voor Ilva een droomhuis.

Rustgevend landschap (EH)

‘s Ochtends vroeg wandelde ik met Ilva in de rugzak naar Tăul Brazi, de visvijver van Roşia Montană. Het dorpje oogde net wat anders dan hoe Lonely Planet en Bradt het hun lezers willen voorspiegelen. Een spandoek met de tekst ‘Roşia Montană dankt haar bestaan aan de mijnbouw’ domineerde het centrale plein. Een mening die hier zo te zien op meer bijval kon rekenen, getuige de musea, monumenten en verschillende logo’s die een pro-mijnbouw standpunt uit leken te dragen. Nergens las ik de tekst ‘Our house is not for sale!’ zoals de auteur van de Bradt-gids zag. Plakkaten van Gabriel Gold, het mijnbouwbedrijf dat van Roşia Montană het grootste open goudmijnproject van Europa wil maken, waren wel alomtegenwoordig.

Het was dan ook simpel, Cristi: “99% of the local community is on the side of the project. The rest is stupid and knows nothing.” Dat klonk aardig genuanceerd, maar wie waren dan die tegenstanders? De Hongaren (altijd weer die vervloekte Hongaren!), Roemenen buiten het dorp en door belangengroepen betaalde tegenstanders in Roşia Montană zelf. De Hongaarse regering was faliekant tegen, met name om reden van ecologische bezwaren, maar had in de persoon van een voorname politicus haar mond voorbij gepraat. “Wat blijft er dan voor ons over?” scheen de beste man kwaad uitgeroepen te hebben nu het erop leek dat Hongaarse mijnbouwbedrijven konden fluiten naar exploitatie van de goudvoorraden in Roşia Montană.

Of de Hongaren nu gelijk hebben of niet, Gabriel Gold leek veel te doen aan het behoud van het patrimonium. Dit was ook de reden dat een beroemde archeoloog als Cristi zich inliet met dit bedrijf. Aardig wat opgeknapte huizen en een verzorgd museum dat de geschiedenis van de mijnbouw in de streek uit de doeken deed, sierden het centrum van Roşia Montană. De in eerder genoemde reisgidsen opgeworpen bezwaren dat het project niets heel zou laten van het erfgoed van het dorp werden hierdoor enigszins ontkracht. Het verval leek juist te worden tegengegaan en de stenen fallus en wijnvaas uit de Romeinse tijd (Cristi was er erg trots op) hadden we anders nooit te zien gekregen.

Cristi wilde ons graag vertellen over zijn werk en liet ons de keuze tussen twee verhalen: behoud van erfgoed of het mijnbouwproject zelf. “Wat is het meest controversiële verhaal?” trapte ik een open deur in. De powerpointpresentatie die volgde besteedde veel aandacht aan bescherming van het milieu en de authenticiteit van Roşia Montană, maar als het lastige publiek dat we waren bleven we met vragen zitten. Eva zette haar kanttekeningen bij de milieuaspecten, Jimmy vond dat mijnbouw de ziel van het land aantastte (“Fuck that,” kapte Cristi diplomatiek af) en ik snap het nut van goud nog altijd niet. Goud is van generlei waarde; enkel geschikt om sieraden van te maken en om mee te speculeren. En dat is gewoon stom. Edmond en Alina besloten dat als Gabriel Gold het niet doet, iemand anders het wel zal doen. Een trieste gedachte en waarschijnlijk nog waar ook. In dat geval kan maar beter iemand het doen die het milieu zo min mogelijk aantast.

Mooie plaatjes uit minder spannende landen (JS)

Nog een laatste punt over het mijnbouwproject: de relocatie van – volgens de reisgidsen – 2000 personen. Zou het er zo rooskleurig aan toe gaan als Cristi ons wil doen geloven? Hij vertelde over Kiruna in Zweden, waar de mensen volgens hem stonden te trappelen zich op te offeren voor het grote goed. In kleurrijke foldertjes viel te lezen over gezinnen die maar wat blij waren Roşia Montană te mogen verruilen voor steden als Alba Iulia, Arad of Oradea. Cristi geloven we niet helemaal, maar de jeremiërende tegenstanders van het project lijken me ook niet allemaal zuiver op de graat.

Wat we ook niet geloofden van Cristi was dat palinca als medicijn kan worden ingezet. De dokter was het met ons eens en constateerde problemen met de galblaas. Geen alcohol meer voor Cristi, die thuis bleef slapen terwijl Edmond, Eva, Ilva en ik naar Tăul Mare en in de richting van het meteorologisch station boven Roşia Montană liepen. De prachtig golvende, groene bergen slaagden er niet in hun rust over te brengen op Edmond. Eens temeer deed hij zijn beklag over de doortrapte streken van drummer Mufi, die zijn band Negură Bunget van hem afpakte. Uit de logeerpartijtjes van de band bij ons thuis wisten we al dat Mufi niet de leukste Roemeen is, maar dit lijkt de faam van de band vooralsnog weinig aan te tasten. Ik laat in ieder geval nog liever vrijwillig mijn bankpas skimmen dan dat er nog één cent van me naar de inferieure band gaat die zich thans Negură Bunget waagt te noemen.

Principes als deze zijn vervelend, want hierdoor kon ik de laatste cd die het originele Negură Bunget voor de coup van Mufi opnam niet kopen. Măiestrit werd uitgebracht als schitterend deluxe artbook – en kregen we nu zomaar als afscheidscadeau van Edmond en Jimmy. Eerder al gaven ze Eva en mij t-shirts van hun nieuwe band Dordeduh. De ruimte die in onze auto vrijkwam nadat we onze vrienden thuisbrachten in Timişoara, werd netjes opgevuld met de souvenirs en door Jimmy gemaakte sandwiches, akelig zure citroenlimonade en zelfgemaakt bananensap. Wat waren Ilva en ik blij met zulke vrienden. En zo namen we afscheid van Roemenië, waar het nog altijd goedkoper is een bordje ‘pas op, hobbels’ te plaatsen dan de kuilen in de weg daadwerkelijk te dichten. Ja, je moet over ontzettend veel geduld beschikken om een leuke tijd met deze mensen te hebben, maar wachten tot de volgende keer zou weer veel vervelender worden.

Via Groot Sinterklaas en kleine weggetjes reden we richting Szeged en daarna de hele nacht door tot Passau in Duitsland. Terug in een land waar de wc’s doorspoelen, mensen een gereserveerde afstand tot schattige kindertjes bewaren en inhaalmanoeuvres op de snelweg zelden tot hartkloppingen leiden. Het was gedaan met het avontuur. Dreiflüssenstadt Passau, waar de Donau, Inn en Ilz samenkomen (de Vrelo in Servië scheen me behoorlijk indrukwekkend in vergelijking met dit laatstgenoemde slootje), was mooi – niet spannend.

Het begon nog tamelijk veelbelovend met een Amerikaans stelletje dat bij het zien van mijn shirt de armen in de lucht stak en “Cleveland Browns!” uitriep, maar dit was gelijk de laatste uiting van spontaniteit die we in Duitsland mochten meemaken. De binnenstad was best suf en de talloze souvenirwinkeltjes gingen snel tegenstaan. Toch moest ik nog eens terug naar Passau. Een nostalgisch beeld van de stad die ik elf jaar geleden vanuit de trein zag, voor het eerst onderweg naar Oost-Europa, bleef door mijn hoofd rondspoken. En met Veste Oberhaus, het Mariahilf-Kloster en de protserige Dom was Passau ook een prima plaats om de lange reis van Roemenië naar Drenthe in tweeën te breken. Op blote voeten waadden we door het slib en het laagje koud water op de kade bij de Altstadt. De Inn stond hoog en wandelen mocht hier nu eigenlijk niet – of dit nu was omdat het vies, oncomfortabel of gevaarlijk was. Dan toch liever Servië en Roemenië, waar dingen wel mogen, wel mis kunnen gaan en ook mis gaan. En er was hier nog een laatste vriend waar ik afscheid van moest nemen – de Donau.

Le frisson des vampires
Cursus geduld uitoefenen, les 1: Roemenen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*