Een echte grot is donker en alles

Wij dachten dat van Alba Iulia naar Rîmeţ lastig was. Ha! Zes keer naar Roemenië geweest en nog altijd kan ik geen fatsoenlijke routes plannen. Salciuă de Jos ligt aan de grote autoweg die dwars door het Apuseni snijdt. Het Bihor-gebergte ligt er zo’n tachtig kilometer vandaan, aan de westkant van het gebied. De treinverbinding tussen Turda en Abrud waarover enkele reisgidsen reppen is jaren geleden al opgeheven, zo leerden we in het dorpje. Er ging wel een bus, maar pas laat in de middag. Dat werd dus weer liften. Wat zouden we nu graag een Lada Niva tot onze beschikking hebben gehad.

In Spanje werkende Roemenen pikten ons na een kwartiertje op. Ze reden naar Abrud en zouden ons vlak voor Câmpeni, hoofdstad van de Moţi, afzetten. Misschien kwam het stadje ooit voor die titel in aanmerking, maar nu leek het eerder de hoofdstad van de zigeuners te zijn. Overal werd gebedeld en gehoereerd tegen de achtergrond van de zwaar vervuilde Arieş. Gauw weg van hier, maar de bus naar Oradea hadden we net gemist. Een clandestiene taxi bood aan ons helemaal naar het Padiş-gebied te brengen. Ik had mijn reserves, maar vroeg naar de prijs. De handelaar noemde er een in oude lei. “Da’s dus twintig nieuwe lei,” rekende ik om. Dat kon haast niet. Veel te goedkoop, leek mij, maar de man knikte. We liepen naar een andere auto en legden onze rugzakken in de kofferbak. Voor de zekerheid vroeg ik het nog één keer na. Het klopte dus niet – meneer had een rekenfout gemaakt. Blijven jullie hier dan maar mooi bij de zigeuners. Wij lossen het zelf wel op.

Het is ook verdomd lastig, dat omrekenen van oud naar nieuw geld in Roemenië. Daarom heeft de regering overal handige omrekenposters opgehangen. Het groene briefje van 10.000 oude lei met daarop een man met baard is nu ineens vervangen door een groen briefje van 1 leu met daarop een man met baard. Rood van 100.000? Is nu rood van 10. Er is geen touw aan vast te knopen en alle Roemenen zijn in de war door het wegstrepen van vier nullen. Dat wordt nog lachen als ze hier de euro krijgen en met factor 0,28 gaan rekenen. Hoe dan ook, dan maar weer liften en even later stopte er een vrouw om haar buurjongen, die naast ons stond, een lift te geven. Met dertig eieren op schoot reden we naar Albac.

Het geluk van een lange lift was ons niet gegund, want in Albac werden we opgepikt door een touringbus vol bejaarden. Op weg naar Peştera Ursilor, waar 140 skeletten van Holenberen zijn gevonden. Blits hoor – wij wilden best mee! Voorin naast de gids gezeten stond ik in het middelpunt van de belangstelling. De bejaarden, allen uit Bucureşti, vroegen me het hemd van het lijf. “Ben je wel eens in de ijsgrot van Scărişoara geweest?” Jazeker wel. “En bij Turda, bij die schitterende gorges?” Ben ik geweest. “Maar minder bekend zijn de gorges bij Tureni; niet zo groot maar werkelijk prachtig!” Vind ik ook. Daar was men even stil van (maar niet lang). Doordat de groep achterliep op schema (Roemenen…) besloten ze ineens morgen pas naar de grot te gaan en in Arieşeni te overnachten. Midden in een modderrivier die een geërodeerde skihelling afstroomde werd de bus geparkeerd. In de stromende regen gingen we verder.

Vanaf hier, cabana Vârtop, konden we in zo’n zes uur naar cabana Padiş lopen, maar het was al laat en pokkenweer. Al met al was het een weinig enerverende dag en we waren er nog lang niet. Een dure Škoda stopte voor ons en dit keer ging de chauffeur wat verder: naar Oradea. Dat betekende dat we tot Beiuş konden blijven zitten om van daaruit naar Padiş of Stâna de Vale te gaan (Plan B). De vriendin van de chauffeur studeerde in Cleveland, thuishaven van mijn favoriete footballteam, de Browns. Spelend in de kekke retro-kleurencombi van bruin en oranje. Zelf volgde ze alleen het basketbal, dus over sport waren we snel uitgepraat.

Nattigheid (EH)

Het verliefde stelletje was op weg naar de ouders van het meisje in Oradea. Over een paar dagen vertrok ze weer naar Amerika, waar ze duidelijk een haat-liefde verhouding mee had. Ze verachtte de Amerikanen en hield van haar mooie Roemenië, maar had een betere toekomst in het verschiet door daar te studeren. De Amerikaanse samenleving deugde van geen kanten. Negers wilden niet werken en lieten zich graag een slachtofferrol aanmeten. De Afrikanen die niet in de Verenigde Staten geboren waren en andere immigranten werkten keihard. Zij hadden armoede gekend en waren dankbaar een nieuwe kans te hebben gekregen. Maar de Afro-Amerikanen die al hun hele leven in de steden woonden teerden op uitkeringen. In Cleveland, maar ook in Chicago waar ze vaak kwam, hingen ze op straat rond bij hun dure auto’s. Die hadden ze dan weer wel. En als je er wat van zei was je een racist.

Niet dat zoiets in Oradea niet voorkwam. Daar had je zigeuners, steeds meer. Sinds enkele jaren waren werkgevers in Roemenië verplicht zigeuners werk aan te bieden. Na enkele weken vertrokken de zigeuners in de regel weer; ze staan dan ook niet bekend als harde werkers. Dat er niet meer geklaagd kan worden dat niemand ze werk wil geven weerhoudt de zigeuners er niet van zich nog steeds gediscrimineerd te voelen. De zigeuners huisvesting aanbieden was ook geen goed plan, hoorden we. Ze woonden nu vooral in de Joodse huizen van Oradea. Die werden door hen niet onderhouden en raakten in steeds verdergaande staat van verval. Als ze het beu waren verhuisden de zigeuners gewoonweg; smerige en onbewoonbare huizen achterlatend. Misschien moet Roemenië ook maar eens oprotpremies van zes ton per zigeunergezin uitloven, zoals wij in Nederland doen. Het probleem lekker verplaatsen in plaats van oplossen.

We hoefden ons dus niet te vervelen op de achterbank, waar het stelletje zo te zien liever zelf had gezeten. Wat een gefriemel en gekus tijdens het rijden, maar ze zagen er gelukkig uit in de korte tijd die ze met elkaar door konden brengen. En wij waren in Beiuş, waar geen bus of maxi-taxi naar Padiş of Stâna de Vale reed. Wilden we naar Padiş, dan ging de bus de volgende ochtend niet verder dan één dorp eerder, Pietroasa. Op de kaart leek het dan nog tien kilometer te zijn. Naar Stâna de Vale reden de volgende dag helemaal geen bussen, dus besloten we een taxi te zoeken.

“Hé, wat gaan jullie doen?” riep de dorpsbemoeial ons vanaf zijn bankje toe. “We zoeken een taxi,” verklaarde ik. “Hier komen,” gebaarde de man. Hij kende een mannetje. Baat het niet, dan schaadt het niet, dacht ik. Na een tijd kwam er een taxi voorrijden. Het was zowaar een gele, dat wil zeggen een echte. Een tijd lang stonden de chauffeur, de bemoeial, een oude knar met een glas sterke drank en ik over de kaart gebogen. Het was ver. De weg was vrijwel over de gehele lengte wit gekleurd. De chauffeur was er nog nooit heen gereden, en helemaal tot de cabana kon zowiezo niet volgens de oudere man. Hij wees een plek aan waar we heen gingen. Canton Glazvoi. Daar was een winkeltje en je kon er kamperen. Daar bracht de taxi ons heen voor maximaal 100 nieuwe lei.

Als je in Roemenië 28 euro voor een taxi moet betalen, dan is dat veel. Dan kost dat duur. Je wordt dan schandalig afgezet, of het is elke cent dubbel en dwars waard. Wij werden niet afgezet. Met de eerste vijftien kilometer, naar het dorp Pietroasa, had onze jonge chauffeur weinig moeite. Elk jaar had hij een Spaanse klant die ook altijd zo ver weg wilde. Cluj, Braşov, Bran – in zijn taxi reed hij hem het hele land door. Het was goedkoop en verstandiger dan je eigen auto aan gruzelementen rijden op de Roemeense wegen, vond de Spanjaard. Rechts van ons zagen we de weg naar Peştera Ursilor voorbij flitsen. “Pfff, de Berengrot,” sprak de chauffeur minachtend. Het was dan wel een enorme grot met prachtige druipsteenformaties, maar hem deed je geen plezier met een bezoekje. Hij vond het geen echte grot. “A real cave is dark and everything.” Hier was alles verlicht en een gids verplicht.

Stâna de Vale. Nog zoiets. Aangekondigd in onze reisgids als een lekker rustig wandeloord. Niks te beleven; we deden er goed aan naar Padiş te rijden. De chauffeur was wel eens naar Stâna de Vale geweest met zijn vriendin. Goed, je kon er het meer bekijken. Als je daarvan hield. Verder was er niks. Heerlijk zoals ie overal over kon klagen en intussen toch niet chagrijnig overkwam. In Pietroasa moest hij twee keer de weg vragen. Meteen daarna nam het aantal gaten in het wegdek toe. De te volgen weg werd onduidelijker en moeilijker begaanbaar. Onderwijl ging de chauffeur vrolijk door. Mensen uitlachen die hun fietsen niet al te stevig vastgezet leken te hebben bovenop het dak van hun auto. Tegemoetkomende automobilisten uitschelden die aan de verkeerde kant van de ‘weg’ reden. “Zijn we hier verdorie in Engeland?!”

De afgronden van Cetatea Ponorului (EH)

Op de kaart leek het toch echt korter. Het miezerde en de lucht was loodgrijs. Na een tijd kwamen we een bordje tegen: Boga 7 kilometer, Padiş nog 23. Nondeju, zo ver nog! In ieder geval zaten we goed, maar de tweede versnelling was vanaf hier de hoogst haalbare. “Toen mijn collega’s vertelden dat het een slechte weg was, dacht ik aan een Roemeense weg,” riep de chauffeur vertwijfeld uit. Rode rivieren van modder doorkliefden plaatselijk het wegdek, dat hier gemaakt leek te zijn van een in water oplosbare soort asfalt. We werden bijna zeeziek van het schudden van de auto. De Dacia (over dit automerk was de chauffeur opvallend positief; lachend vertelde hij dat je alles zelf kon repareren) had het moeilijk. Je kon dit dan ook niet langer met recht een weg noemen, kregen we te verstaan.

Toch haalden we nog auto’s in. Busjes met aanhangers zelfs, van Hongaren die dagtochten liepen en hun bagage van cabana naar cabana lieten rijden. Wat zijn het toch een luilakken, die Hongaren. Wij schaamden ons meer en meer dat we voor deze rit, die nu al anderhalf uur duurde, zometeen slechts 14 euro per persoon hoefden neer te leggen. In ieder geval wist de chauffeur nu waar zijn collega’s het over hadden. Het was de eerste en ook meteen de laatste keer dat hij deze rit zou maken. De terugweg zou straks in het donker plaatsvinden. “In ieder geval heb je een leuker uitzicht dan in de stad,” zei ik toen we de asfaltresten achter ons lieten en op losse stenen weer wat vaart konden maken. Daar was hij het roerend mee eens.

Canton Glazvoi was een grote weide die vol natgeregende tenten stond. Verdrietig kijkende Roemenen in oranje poncho’s zaten bijeen gekropen voor het winkeltje in een poging warm te blijven. Auto’s waren er ook genoeg. Als één Roemeen zo gek is het te proberen volgen er altijd meer. De chauffeur stopte bij een slagboom waar de openbare weg ophield en wilde zowaar nog 5 lei teruggeven. Op het moment was het weer even droog. Mocht de cabana anderhalve kilometer verderop vol zitten, dan konden we teruggaan en de tent hier opzetten. Na een stukje wandelen (wat was dat fijn, na de dag in zes verschillende auto’s te hebben doorgebracht!) zagen we cabana Ponorului akelig donker voor ons opdoemen. Nergens een lichtje te bekennen. Dat kwam doordat de stroom was uitgevallen. De cabana was open, maar helemaal vol. Hier konden we niet slapen.

Eten konden we er wel, en toen de peertjes weer aansprongen zagen we dat het kippenpoot met aardappelpuree en witte kool was. Jummie. De kok vond het bovendien geen enkel probleem als we even wilden douchen. Dat was nog een hele onderneming omdat we ons een weg door een tiental pubers moesten banen. Alcohol onder de zestien jaar wordt in Roemenië niet zo verketterd als bij ons. Als je pas op latere leeftijd aan de palinca en wodka begint word je nooit een echte Kampftrinker. Veel oefenen, dat is de truc.

Met de haartjes weer fris gewassen beneden vertelde Eva me dat we toch konden blijven slapen. Fijn, want het was al donker. Een Spaans stel had tot hun verrassing ook ineens een kamer aangeboden gekregen. Ons stapelbed stond in een hal waar gasten uit drie kamers door liepen. Omdat het technisch gezien geen kamer was hoefden we er ook niet voor te betalen. Ook de palinca die we met de Spanjaarden dronken was van het huis. Alberto en Nuria waren met een camper door heel Europa aan het rijden. Slowakije, Polen en Duitsland stonden nog op het programma, maar voorlopig vertrokken ze nog niet uit Roemenië. Samen met Bulgarije was dit land tot nu toe het hoogtepunt van hun reis. Vooral over de gastvrijheid en de natuur waren ze erg te spreken. De palinca smaakte ze ook goed. Even later kregen we ook nog een toetje aangeboden. Een soort pasta, maar dan zoet. Met vanille, appel en room. Dat we dat nooit zelf hadden bedacht. Ook dit smaakte wonderwel met palinca.

Een dag later ruilden we Alberto en Nuria in voor twee Roemenen. We waren van plan via Cetatea Ponorului, een afgrond van 120 meter diep, naar Cheile Galbenei, de gele gorges, te lopen. Daarna zouden we naar Lumea Pierduta gaan, de verloren wereld. Er was in de omgeving van Padiş zoveel te zien: een karstlandschap met vreemde rotsformaties, door de natuur gevormde ‘citadels’ en ‘kerken’, de grot van het Levende Vuur, nog meer ijsgrotten. Geen wonder dat het hier zo toeristisch was. En wat jammer dat we voortijdig de stekker uit onze plannen moesten trekken. Vanaf laat op de ochtend kwam de regen met bakken uit de lucht.

Een hele dag samen in een tent - dan moet je elkaar echt leuk vinden (EH)

Daarvoor konden we nog net de balkonroute bovenlangs Cetatea Ponorului afleggen. Vanaf vermolmde balkons keek je ruim honderd meter recht naar beneden, de diepte in. Via een gevaarlijke route daalden we af, de doline in. Hier kon je nog dieper, tientallen meters dalen binnen een grot. Deze grot bleek een tunnel te zijn, maar doordat er een rivier door stroomde moesten we via dezelfde helling van gruis weer omhoog. De regen kwam nu zo hard naar beneden dat er geen lol meer aan was. Kletsnat zochten we de toevlucht tot onze tent. Daar zaten we dan, zeven uur lang met elkaar en een fles wodka, voor we gingen slapen. Kan leuk zijn, maar het was toch een beetje een sneu einde van ons verblijf in Roemenië. Toch durfden we er niet op te gokken dat het weer morgen plotseling om zou slaan. Dan maar naar Oekraïne.

Dit verhaal begon met een moeizame tocht van Salciuă de Jos naar Padiş. Van Padiş naar Oekraïne is echt niet zoveel eenvoudiger. Om te beginnen mochten we er niet op rekenen zo snel van Canton Glazvoi in Beiuş te geraken als andersom. De wekker stond daarom al om 6:15. Tijd te over om te lopen naar Pietroasa, mocht dit nodig zijn. We kregen bij het winkeltje echter te horen dat we met een Jeep mee konden reizen tot het dorp. Vertrektijd: 9:30 of 10:00, wat in Roemenië zoveel betekent als ‘wacht nou maar even, hij gaat heus wel’. Alle andere Roemenen die met eigen vervoer vertrokken hadden zogenaamd geen plaats, dus de Jeep leek ons de snelste optie. Het was echter zo’n oud bakbeest dat eerst een half uur stationair moest draaien (ik overdrijf niet) alvorens de chauffeur de trip aandurfde.

De Roemenen waar we gisteren mee optrokken waren de nattigheid ook beu en zaten met ons in de Jeep. In de aanhanger was plaats voor de avonturiers die na afloop graag ergens over wilden opscheppen. Ik herinnerde me de ongemakkelijke heenweg, als ook de tocht achterin een vrachtwagen door de bergen van Albanië. De warme optie, binnen op de dwarsbankjes, leek mij in dit geval de verstandige keuze. Het drietal achterin grapte eerst nog of er iemand kaarten bij zich had, maar na twee bobbels in de weg keken ze al minder vrolijk. Met dit trage en weinig comfortabele voertuig zou de reis twee uur duren. Door de carrosserie heen zag ik de hobbelige weg onder ons voorbij glijden. Alle wijzers op het dashboard stonden in een bevroren houding naar links; een achteruitkijkspiegel was er niet. Telkens wanneer er van de eerste naar de tweede versnelling werd geschakeld en andersom klonk het alsof er iets afbrak.

Vooraf hadden we gehoord dat er twaalf man tegelijk mee konden, als je flink propte. In Boga stapten er nog een hoop lifters in, waarmee het totale aantal passagiers nu op zestien stond. Afijn, we waren blij toen we in Pietroasa uit mochten stappen. Net toen we het liften hadden opgegeven en vlak na enen naar de bus liepen, stopte er een Hongaar voor ons. Het is niet anders: ik moest mijn mening wat betreft Hongaren een tikkeltje bijstellen. De achterzitting van zijn Suzuki met vierwielaandrijving werd vrijgemaakt en we waren onderweg naar Oradea. We zwaaiden nog naar de twee Roemenen die geen geluk hadden met liften en haalden al snel andere passagiers uit de Jeep in minder snelle vehikels in. Dit was fijn. De Hongaren gingen terug naar huis en dat was een heel eind in de goede richting.

Jammer dat ze geen woord over de grens spraken, vader en zijn ietwat gezette zoon. Al bumperklevend werden we met de Suzuki, waarin elke oneffenheid in het wegdek in een klap werd vertaald, vlak voor Oradea afgezet.Waar prompt de grenspolitie, die nog altijd het ganse land als grensgebied beschouwt, moest weten wat we van plan waren. Liften natuurlijk. “Dat werkt hier niet,” legden ze uit. Het viel inderdaad tegen deze vakantie, en ook hier gelukte het ons niet een rit naar Satu Mare te krijgen. De taxi naar het station was al de tweede auto die het begaf deze vakantie. We kregen korting.

Op het station zag men meteen aan onze rugzakken dat we toeristen waren. “Taxi?” Ik verklaarde in het Roemeens dat we veel te ver weg gingen voor een taxi en dus per trein zouden reizen. “Ah, je spreekt de taal,” klonk het enigszins teleurgesteld. “Nou, zeg dan maar wat je wilt dan kijk ik wat ik kan regelen.” Ik wond er geen doekjes om en vertelde dat we naar Oekraïne gingen. Oekraïne… alleen het uitspreken van de naam is al voldoende elke Roemeen het zwijgen op te leggen. Geen afkeurende uitlatingen zoals over Moldavië, geen waarschuwingen, geen vragen. Doodse stilte was tot nu toe telkens het gevolg geweest op de aankondiging van onze plannen. Alsof we naar Mordor wilden.

Dit keer ging het anders. Er werd een jonge, kale chauffeur bijgehaald. Type Oekraïener, om je er wat bij voor te stellen. Hij kende er de weg en al gauw spraken we af dat we er 35 euro voor over hadden. Veel geld, maar de rit ging over ongeveer 150 kilometer en spaarde ons een treinreis naar Satu Mare, een busreis naar Halmeu en een wandeltocht naar de grensovergang uit. Plus een slordige vijf uur reistijd – bij een optimistische inschatting van het openbaar vervoer. We hadden een deal: pal aan de grens zouden we worden afgezet. Toch vrij goedkoop al met al. Douaniers zouden de chauffeur wel eens lastig kunnen vallen en onze alternatieven waren niet aanlokkelijk.

De chauffeur verschafte opheldering: eerder vandaag had hij twee Chinese toeristen van Baia Mare (niet zo heel ver van Halmeu) naar Oradea gebracht. Ze moesten de trein naar Boedapest en aldaar een vliegtuig halen. Die spraken geen woord Roemeens en hadden vast goed betaald. Nu reed hij, zowaar met betalende passagiers, terug richting zijn eigen stad. Het was een reis door levenloos gebied tot Satu Mare. Toegegeven, af en toe stak er een koe over volgens de bordjes. Satu Mare, zusterstad van Zutphen, staat bekend als de lelijkste stad van Roemenië. Als een mislukt communistisch architectuurexperiment. Na Satu Mare was er niets meer te zien. Af en toe een dorpje, en die rode cirkel naast Halmeu op de verkeersborden. Oekraïne stond nergens aangegeven; Oekraïense auto’s reden hier niet. “Pas op, het zijn een beetje bandieten aan de grens,” waarschuwde de chauffeur ons. “Un pic bandits…” Terug konden we niet meer, toen onze taxi omdraaide en wegreed. Langs het verlaten wegdek stonden enkele vrachtwagens en auto’s geparkeerd; vanuit een cafeetje werden we argwanend aangekeken. Voor ons lagen de grijze gebouwen van de douane. En Oekraïne. Te voet liepen we de bandieten tegemoet.

Een ongepaste titel
Kabouterhuisjes (kabouters niet meegeleverd)

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*