Een ongepaste titel

Het leek nu al een slecht idee. Waarom wilden we ook alweer naar Oekraïne? We konden er op deze verlaten strook asfalt even niet meer opkomen. Geen rijen wachtende auto’s, alleen verveeld rondlummelende grenswachten en een gebouw waarvan het onduidelijk was of we ons er moesten melden. De Roemeense jongeman keek ons vrolijk verbaasd aan. “Op vakantie? Naar Roemenië? En nu naar Oekraïne? En dan weer naar huis?” Hij leek zich met moeite te kunnen bedwingen geen vinger uit te steken en ons uit te lachen. Ook de soldaten die rondliepen waren geen wandelende toeristen gewend, maar niemand vroeg iets en even later liepen we door het niemandsland tussen Roemenië en Oekraïne.

Dit was echt een kleine grensovergang. In geen enkele reisgids beschreven; op onze kaart onduidelijk gemarkeerd maar volgens e-mailcontact met Amerika ook opengesteld voor buitenlanders. De tax-free shop stond leeg en te koop. Al een hele poos, zo te zien. We zagen nu meer voetgangers. Oost-Europese types op weg naar Roemenië. Na een wandeling van een paar honderd meter sloten we achter een rijtje voetgangers en fietsers aan voor een groot hek. “Jullie daar, doorlopen!” gebaarde een soldaat naar ons. We hoefden niet te wachten, kregen een papiertje in de hand gedrukt en werden zonder uitleg verder gestuurd. Hé, waren de Oekraïeners zo milieubewust dat ze enthousiast recycelden? Het papiertje met vragen in het Oekraïens, Russisch en Engels zag er in ieder geval verre van wit uit.

Oekraïne, je moet ervan houden (EH)

Na wat gepuzzel en het papiertje naar beste kunnen ingevuld te hebben liepen we naar het volgende kantoortje. Een blonde vrouw sprak me in het Oekraïens aan. Of in het Russisch. En daarna in de andere taal. Ik probeerde Engels en Duits. Ze schudde haar hoofd. Dit kon nog wel eens lastig worden. Ik besloot in het Roemeens verder te gaan. Ze fronste haar wenkbrauwen, keek nog eens naar onze Nederlandse paspoorten en ging ook over op het Roemeens. Even verderop moesten we wachten met onze rugzakken. De soldaten bleken goedgeluimd. Om de tijd te doden tot hun meerdere de inspectie zou verrichten werd ons een paar woordjes Oekraïens geleerd. We hadden een Engels woordenboekje, maar Roemeens-Oekraïens was weer eens wat anders.

De lachende monden verstrakten toen er een communistisch ogende, lijvige bullebak met een met sombrero’s rivaliserende groene diensthoed op ons afstapte. Proberend niet teveel afgeleid te raken door die enorme satelietontvanger ondergingen we het verhoor. En daar we nu in Oekraïne waren hoefden we er niet op te rekenen een andere taal te spreken met de baas, tenzij we Russisch konden. Het standaardriedeltje was dit keer slechts met de grootste moeite te volgen. Oh, hij had het waarschijnlijk over drugs. We schudden beslist van nee. Had hij het nu over wapens? Ik gaf mijn beste kalashnikov-imitatie te berde. Daar kon Eva niet mee lachen. De dikke kerel keek zo mogelijk nog vernietigender dan daarnet en zag er de humor ook niet van in. Zonder iets te zeggen liep hij weg. Wat nu? Kwam hij nog terug, moesten we de rugzakken nog uitpakken, of was dit het? Hopende dat dit laatste het geval was liepen we naar het noorden, naar het volgende en laatste hek.

De bewapende douanier hield ons tegen en vroeg om onze paspoorten en bijbehorende papiertjes (goed bewaren of je krijgt trammelant bij het vertrek, vreesden wij). Niet in orde, schudde hij en wees naar een oningevulde regel. Terug bij de blonde dame bleek die regel zo ingevuld en mochten we het land in. Dat was toch relatief eenvoudig, om Oekraïne binnen te komen. Nu nog een slaapplaats. Taxi’s stonden hier niet, auto’s namen ons niet mee en het dorp maakte een afwachtende indruk. De dichtstbijzijnde stad, Vynohradiv, was twintig kilometer rijden en het werd snel donker. Na een gesprekje met de politie langs de schaars verlichte weg stopte er een bestelbusje. Anton en Marike wilden ons wel meenemen tot het volgende dorp. Ze kenden ook een hotel in Vynohradiv dat niet duur was. Zoiets moet je weten, als jong, verliefd stel. In het donker kregen we de volgende lift. De wegen waren hier een stuk beter dan in Roemenië. De rijstijl niet – het betekende enkel dat automobilisten hier veel, veel harder konden rijden. En die auto’s van Russische makelij voelen ook niet noodzakelijkerwijs veiliger dan Dacia’s.

Voor de ingang van het hotel parkeerden we. Geld wilde de jongen niet en toeterend nam hij afscheid. Dat was alvast een positief begin. Al onze natte plunje uit het Apuseni/gebergte kon mooi drogen op de hotelkamer, terwijl ik me vermaakte met dansende soldaten op tv. Dit zag er erg oldschool uit, al waren de nagesynchroniseerde films behoorlijk lam. Vlak voor sluitingstijd wist ik in het restaurant van het hotel voor een euro nog twee halve liters bier te bemachtigen. Morgenochtend zouden we wel geld wisselen en vragen welke bussen er richting Karpaten gingen.

Suikerzoete kasteeltjes (EH)

De receptioniste wist ons te vertellen hoe laat er een bus naar Rakhiv vertrok. Waar het busstation was kon ze ons niet uitleggen, en geld moesten we wisselen bij een bank. Bankautomaten bestonden niet, dus pinnen konden we wel vergeten. Ja ja. Als je mensen op straat vroeg of ze Engels spraken keken ze je spottend aan. Of ze negeerden je en liepen gewoon door. Zelfs jongeren wisten hooguit een minachtend glimlachje te produceren alvorens je te laten staan. Geef mij maar Albanezen, die met handen en voeten elke vraag beantwoorden. Als je een Albanees in het hooggebergte vraagt of je er ergens kunt pinnen zal ie positief antwoorden en uren met je mee lopen, intussen bedenkend hoe hij dit recht zal praten. In Oekraïne vertellen mensen dat pinnen niet kan, waarna je binnen een kleine ronde door het centrum vier pinautomaten tegenkomt. Goed, werkt het hier zo.

Er waren ook voorbijgangers die wel behulpzaam waren. Doordat ze behoorlijk in de minderheid waren was het lastig hun aanwijzingen te verifiëren. De tijd begon te dringen en weinig hoopvol liepen we door een modderige, smalle zijstraat. Warempel, het station lag op de minst logische plaats in Vynohradiv. Samen met een zestal andere reizigers wachtten we tot de bus naar Rakhiv, tachtig slingerende kilometers verderop in de Karpaten, door de plassen aan kwam rijden. De bus bleek door te rijden over het Chornohora-gebergte en het Carpathian Biosphere Reserve naar Tatariv, een dorp van waaruit wij op Hoetsoeljacht konden.

De Hoetsoelen zijn een volk dat in het Oekraïense deel van de Karpaten woont. Teruggetrokken levend doen ze de hele dag niet veel meer dan houtsnijwerkjes fabriceren en toeteren op een soort waldhoorns die ze van door de bliksem getroffen bomen maken. Nou, dat wilden wij wel eens van dichtbij zien. Voor we het mooie gedeelte van de bergen zouden bereiken moesten we eerst nog uren door hetzelfde landschap zonder afwisseling, maar met bergen afval in de berm rijden. De Oekraïeners leken hun huizen met nog minder plan dan de Roemenen te bouwen. Nee, dit is geen compliment voor de Roemenen. Roze, lichtblauwe, suikerzoete kasteeltjes van chaotische en met elkaar vloekende bouwstijlen vormden ons uitzicht zolang grauwe luchten de horizon vervuilden. De bouwwerken verkeerden in diverse stadia van niet afgebouwd zijn.

Het gebrek aan ruimtelijke ordening werd er niet minder op toen we bergachtiger gebied aandeden. De Karpaten leken één langgerekt dorp, waardoor je geen moment het idee kreeg gebieden te bereiken die de moeite waard zijn voor de liefhebber van het platteland en/of natuur, of zelfs maar vooruit te komen. Rakhiv, uitvalsbasis voor tochten naar enkele van de hoogste bergen van het land, maakte een uiterst rommelige indruk. We waren blij besloten te hebben dat we door zouden reizen naar het kleinere Tatariv, dat we enkele uren later pas bereikten. Het Chornohora-geberte waren we inmiddels over een pas overgestoken, maar dit moesten we afleiden uit het bestuderen van de landkaart. Geen fraaie vergezichten, indrukwekkende bergtoppen of zelfs maar rustieke, groene heuvels. Overal stonden huizen, hutjes en andere vormen van bebouwing een eventueel mooi uitzicht te blokkeren.

Diverse stadia van niet af zijn (EH)

In Tatariv stapten we uit, om meteen een kopje thee te bestellen. Het barretje aan de verlaten ogende rand van het dorp werd door Eva prompt tot ‘Little Texas’ bestempeld. Op haar bestelling kreeg ze geen reactie, het volk dat er rondhing leek rechtstreeks uit The Texas Chainsaw Massacre weggelopen en op het toilet had ze sterk het gevoel begluurd te worden. Zonder op de thee te wachten wilde Eva ervandoor gaan. Ik had een oude man inmiddels naar hotel Pihy gevraagd, volgens de reisgids in het centrum van het dorp. “Dit is het centrum,” gebaarde de man naar de bushalte, het barretje en de verlaten weg. Op een weinig inspirerend uithangbord ontcijferde ik echter ‘Pihy’. Een pijl wees weg van de hoofdweg langs een door dennnenbos begrensde asfaltweg.

De roepende serveerster deed ons terugkeren naar het ongure barretje, waar beleefdheid ons gebood in ieder geval de helft van onze wel erg vieze thee op te drinken voordat we ons uit de voeten maakten. Na een flinke wandeling bereikten we het – in ieder geval van buiten – verzorgd ogende hotel. Al bij binnenkomst raakten we in gesprek met een nieuwsgierige Oekraïener. De receptionist sprak enkel Oekraïens, maar Viktor woonde en werkte in Duitsland en wilde alles van ons weten. “Das ist wirklich umsonst!” vond hij. Elke zomer vierde hij vakantie in zijn vaderland, maar buitenlanders kwam hij er nooit tegen. En dat terwijl je er goedkoop en goed (veel) kunt eten en drinken.

Ook toen we even later wat wilden eten (binnen – het begon weer eens te regenen voor de verandering) schoof Viktor bij ons aan om te helpen bij de bestelling, of gewoon om wodka te drinken. Nederlanders die Oekraïne wilden zien – het was reden genoeg een fles te bestellen bij de ober. De fles Khortytsa (in 2006 uitgeroepen tot beste wodka van het land, en dat is niet bij gebrek aan concurrentie) werd opengedraaid, er werd geproost en al snel zaten we aan het tweede glas. Ons tweede glas, want Viktor lag zo te horen aardig op ons voor. Behalve met een proost ging de consumptie van wodka in Oekraïne, waar elke ervaring een extreme ervaring is, gepaard met een waarschuwing. Na enig aandringen vertaalde de praatgrage drinkebroer zijn uitspraak als volgt: “Neuk je vrouw niet dood!” Een mooie titel voor een reisverhaal, ware hij niet zo ongepast. Bovendien zetten Eva en ik sterke vraagtekens bij de afrodiserende werking van wodka. Viktor zat er na het eten tamelijk lusteloos bij op zijn plastic terrasstoel.

Hiervoor had hij nog kans gezien honderduit te vertellen over zijn geboorteplaats Chernivtsi. “Klein Parijs!” roemde hij de stad na ons derde of vierde glas. Grijnzend zag hij hoe ook Eva haar best deed het drinktempo bij te houden. De fles was inmiddels half leeg (half vol) en het hoofdgerecht moest nog komen. Viktor vertelde hoe erg hij zijn vrouw miste, die nu nog of al in Duitsland zat. En of we zin hadden in zo’n typisch Oekraïense, extreme ervaring. Dan moesten we vanavond mee gaan. Waarheen kon hij nog niet zeggen.

Inmiddels stond er een vriend bij hem die ook aandrong op ons gezelschap. Igor had zijn vrouw aan de telefoon en gaf deze aan mij om voor Oekraïeners wellicht begrijpelijke redenen. Ik wist echter niet wat ik moest beginnen met de zwoele, verrassend jong klinkende vrouwenstem aan de andere kant van de lijn die ik niet kon verstaan en gaf de telefoon terug, terwijl Viktor de serveerster in haar billen kneep. We waren nog niet echt enthousiast over het voorstel. Teleurgesteld beloofden de heren dat de chauffeur nuchter zou zijn, maar Eva bedankte vriendelijk (doch duidelijk) voor het aanbod van een extreme ervaring. Of we teveel wodka op hadden of juist te weinig weet ik niet, maar op onze kamer vielen we als een blok in slaap.

Dan maar over een andere boeg
Een echte grot is donker en alles

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*