Een pond per punt

Acht jaar passief en drie jaar actief American football. Hele zondagen en hele nachten mezelf voor de buis gedragend als zat ik zelf in het stadion. Alsof ik Eva daarmee nog niet genoeg tegen de haren in strijk ook nog een kledingkast met een bonte verzameling American footballshirt in alle kleuren van de regenboog en nog een paar andere, karrenvrachten boeken, tijdschriften, ballen en andere dingen waar je welbeschouwd niet bijster veel aan hebt. En nu ging ik eindelijk naar een wedstrijd van de NFL, de National Football League. Niet zomaar één. Eén die telde, die ergens om ging. In Wembley zouden de San Diego Chargers (finalist in de AFC in 2007) morgen tegen de New Orleans Saints (finalist in de NFC in 2006) spelen. En ik had er bar weinig zin in.

Sinds 2000 zag ik menig wedstrijd op tv, maar er zelf bij zijn was een droom die ik niet bijzonder haalbaar achtte. De Verenigde Staten lagen iets te ver westelijk op mijn persoonlijke As van het Kwaad. Maar toen kwam de NFL naar Londen. Net iets minder eng. Ik heb door de kamer gedanst toen het me gelukt was vier tickets te bemachtigen, nadat er online genoeg kaartjes waren aangevraagd om Wembley zeven keer uit te verkopen. Maar nu had ik dus geen zin meer. Zo vlak na een potje rugby in Polen zat ik net zo lief thuis bij mijn lief. Erop vertrouwend dat de feestjes waar je geen zin in hebt uiteindelijk de leukste blijken, stapte ik zaterdag toch maar in de Starlet van de buren, om in Nijmegen achter het stuur van coach Patricks Subaru te kruipen.

Puur zodat iedereen weet dat dit verhaal over Londen gaat (JS)

Coach Patrick heet eigenlijk gewoon Patrick. Samen met hem en Iwan zouden we in Londen met Alex een soort mini-reünie van de Nijmegen Pirates vormen. Zonder uit de hand gelopen barbecue en flessen rum, maar met beter American football dan we zelf ooit hebben laten zien. Na een vertraagde vlucht van Ryanair (wat overigens door de crew glashard werd ontkend, waardoor de ambetante on-time-toeter van Ryanair ons niet bespaard bleef), reden we door een niet zo donker Londen. Sinds we de buitenwijken bereikt hadden reden we al vijftig minuten lang door hetzelfde met neon verlichte stadslandschap. Lang genoeg om van huis naar Groningen te rijden. Ik vond Londen nu al een kutstad. Overal felle lichten, kebab, Indisch eten; een kanker van fastfoodrestaurants leek bezit van de stad te hebben genomen. McDonald’s, Burgerking, KFC en daarna hetzelfde riedeltje tot in den treure herhaald. Hayfield, stond er ergens op een gevel. Waar dan? Hier waren zelfs geen grasveldjes te bekennen.

De taxi moest ons naar ons hotel bij metrostation Earl’s Court brengen. Wat een cultuurschok na Oost-Europa. Een wand van (kogelvrij?) glas schermde de chauffeur van ons af. Waar was dat goed voor? Door een nauwe gleuf mochten we even later £16 aan de man overhandigen om ons hotel binnen te kunnen stappen. Spijtig dat hij het gevonden had. Achter de deur wachtten ons schilderijen met naakte vrouwen en wellustige saters. Zoek je zelf een plaats in Londen om je lusten bot te vieren – of eigenlijk om wat voor reden dan ook – hoed je dan voor Earl’s Court Hotel. De overnachtingsstandaard ligt in Albanië en Moldavië beduidend hoger. We betaalden £20 per persoon voor een bed met veren die ‘s nachts in al je lichaamsopeningen probeerden te dringen en een gammel stapelbed dat vibreerde bij elke uithaal van Patricks gesnurk. Dat Roel thuis was gebleven leverde ons geen enkele korting op – was hij er wel geweest, dan hadden ze in plaats van mijn ligkuil gewoon een tweede, mogelijk nog bouwvalliger stapelbed geplaatst.

In vergelijking met deze gangkast had ik op mijn oude studentenkamer in Nijmegen pleinvrees kunnen ontwikkelen. Hoe had de bediening op deze halve vierkante meter weggeworpen vuilnis en achtergelaten vieze sokken van vorige slachtoffers, pardon – gasten, over het hoofd kunnen zien? De baliemedewerker veinsde een gebrekkige beheersing van het Engels (ik heb op weinig plaatsen op aarde mensen zó beroerd Engels horen spreken) en drukte ons op het hart vanavond toch vooral plezier te maken. De zaterdagavond was in Engeland de avond voor plezier. Plakken kots op straat onderstreepten dit statement. Ach, rook het tenminste even niet naar pis. Het plaatsen van dixi’s voor alle dertien miljoen inwoners van deze stad is ook onbegonnen werk. Toe aan een biertje liepen we de eerste de beste pub in, om drie tellen later weer buiten te staan. Twaalf uur en we kregen geen bier meer. Het verging ons de volgende twee, drie kroegen weinig beter. Tot zover het voornemen om plezier te maken.

Na een schamel ontbijt van achteloos in een mandje gekwakte marsepeincroissants en pakken melk, staand in een overbevolkt keukentje, gaf Patrick ons een rondleiding door de Engelse hoofdstad. Het was grijs, mistroostig weer. Doembeelden van de vorig jaar in het water gevallen initiële editie van de International Series van de NFL spookten door onze hoofden. Het eindigde die dag in een bedroevende 13-10 voor de New York Giants op een zeiknatte grasmat. Het was mooi weer om in de kroeg te gaan hangen, maar in tegenstelling tot de rugbyers vorige week toonden de American footballers wel een zekere belangstelling voor cultuur, of ten minste voor architectuur. Het bevestigde in mijn ogen eens temeer dat American football een heel wat intelligentere sport is dan rugby; een uitspraak waar je in Drenthe weinig vrienden mee maakt. Wat een poppenkast, daar in Londen. De inheemse fauna in St. James Park bestond uit brutale, grijze eekhoorns en pelikanen. De wisseling van de wacht was zoals je hem zou verwachten op een boulevard (als zo’n Franse benaming is toegestaan bij iets über-Brits als Buckingham Palace) die naar zoveel glamour leidt. Bij de rode dubbeldekkers en telefooncellen meende elke toerist komische foto’s te moeten maken. De Big Ben, Houses of Parliament en Trafalgar Square waren wat interessanter, maar leuker waren de vele American footballjerseys die we met steeds kortere tussenpozen in de nimmer aflatende mensenmassa ontwaarden.

De wedstrijd begint bijna (JS)

Lief lachende meisjes met het shirt van de Saints, leuke blonde meisjes in het shirt van de Chargers en verder zo’n beetje elk NFL team verblijdde het grauwe aangezicht van de stad. Zelf had ik gekozen om voor San Diego te supporteren met mijn jersey van defensive end Luis Castillo. Patrick koos uit tactisch oogpunt voor New Orleans, omdat dat beter was voor zijn Buffalo Bills. Om op adem te komen na de wandeling dachten we in een pub even een pint te pakken, maar eens temeer dachten de Engelsen daar heel anders over. “Sorry jongens, maar dat mag pas na twaalf uur.” Ach, kwam de NFL maar naar Boekarest. Al elf en een half uur waren we nu op zoek naar een simpel biertje.

Alex hielp ons tenslotte uit de brand. De oud-piraat wilde Roels ticket graag overnemen en wist ook waar we een goedkope Alpine Lager konden drinken. Alex was inmiddels al een keer of zeven verhuisd in Londen, had in nog beroerdere wijken gewoond dan Patrick, maar had het nu goed voor elkaar. Wij ook, want al kostten de hamburgers buiten Wembley een whopping £5, de wedstrijd zou bijna beginnen. Een forse kerel in het shirt van Arizona maakte dat we alle 32 teams vertegenwoordigd zagen in de voorbij stromende optocht. “Bingo!”, riep ik naar de man die voorzichtig glimlachte. Wat een feest om zoveel American footballliefhebbers bij elkaar te zien. En hoe grijs de luchten ook waren, het was tenminste even opgehouden met regenen.

Met £70 waren onze kaartjes lang niet de duurste, maar de plaatsen waren lang niet slecht. We zaten bijna bovenin het uitverkochte stadion, ter hoogte van de 25 yardlijn. Om ons heen zaten 83.000 toeschouwers klaar om God Save the Queen te zingen. Fans van de Chargers en Saints zaten gebroederlijk naast elkaar, opgetogen zwaaiend met zwarte vlaggetjes met het padvinderslogo van New Orleans en biertjes van £3,80 drinkend. Gejuich bij opkomst van de spelers van San Diego. Luider gejuich bij opkomst van de cheerleaders. Nog luider gejuich toen ook de spelers van New Orleans het veld betraden. Daarna plichtmatig het Amerikaanse volkslied, met ver onder ons een eenzaam wapperende Stars and Stripes. Nee, dan maakte het Engelse volkslied meer indruk, met zoveel eilandbewoners om ons heen.

Geslaagde middag (ID)

Een verblindende waterval van flitslichten, afkomstig uit duizenden fotocamera’s, zorgde voor een stroboscopische begeleiding bij de kick-off. Vanaf de eerste minuut werden we getrakteerd op sprankelend football van de meest uitgesproken luchtaanvallen in de league. Quarterback Drew Brees van de Saints en Phillip Rivers van de Chargers deden niet voor elkaar onder. Beide defensies evenmin, zij het in onbekwaamheid. Het bleef de rest van de dag droog, maar het regende touchdowns. New Orleans had het betere van het spel. De special teams gaven de Saints een comfortabele marge door de bal te heroveren bij de kick-off na een touchdown pass op Devery Henderson. Runningback Deuce ‘Deeeeeuuuuuce!’ McAllister mocht het karwei afmaken. Receiver Lance Moore bracht met de vierde touchdown van de partij een eerbetoon aan het Engelse voetbal maar vond hiervoor weinig begrip van de arbitrage. Onnodig feestvieren – penalty! Zijn glijpartij op beide knieën bij de hoek van de endzone had er nog wel zo fraai in geresulteerd dat Moore abusievelijk met zijn ballen een pylon van de endzone om had gekegeld.

Pas laat in de tweede helft vond San Diego weer aansluiting. Spectaculaire touchdowns van LaDainian Tomlinson vlak voor rust en Vincent Jackson hadden de score inmiddels naar 37-30 getild. Nog één touchdown en we zouden wellicht overtime krijgen! Dat zou betekenen dat we een pond per punt betaald hadden- waar voor ons geld; zeker met de schamele 23 punten van vorig jaar in gedachten. Het mocht niet zo zijn – Rivers gooide in de slotfase een interception en New Orleans kon de wedstrijd op het gemak uitspelen. Fout! De verdediging van San Diego gaf plots geen yard meer toe en Drew Brees gaf in de slotseconden om onverklaarbare redenen een safety cadeau. In plaats van te zigzaggen en tijd van de klok te laten lopen, sprintte de goede man in een rechte lijn het veld uit via zijn eigen endzone – score 37-32, ofwel 69 punten in totaal. En dan te bedenken dat kicker Mehlhaff in de eerste helft een extra punt miste door de bal tegen de palen aan te schoppen – een zeldzaamheid in het professionele American football die ons zonder meer een pond waard was. Met nog één seconde op de klok mochten de Chargers een Hail Mary pass de endzone inslingeren, maar een stunt bleef uit. New Orleans op het tandvlees en een uitzonderlijk mooie middag, wat ons betreft.

De terugweg naar het nabijgelegen metrostation nam een kleine drie kwartier schuifelen in beslag. Daarna nog enkele malen overstappen naar Earl’s Court, waar we besloten het na een bezoekje aan de supermarkt een avond te noemen. Heel even leek Londen zo groot niet te zijn. Na eerder oud-teamgenoot Henri gedag gezegd te hebben in de file naar metrostation Wembley, liepen we voor ons hotel coach Richard tegen het lijf. Ook hij heet eigenlijk niet coach Richard maar gewoon Richard. In de supermarkt draaide ik me om na op mijn rug getikt te zijn. “Hi, we are the family of Luis,” vertelden twee Latijns-Amerikaans ogende meisjes me. In het hele stadion was het Tomlinson en Rivers wat de klok sloeg op de jerseys van de San Diego-fans – een tweede shirt van Castillo had ik niet gezien. De meisjes zo te zien ook niet. De volgende ochtend vroeg zouden ze terug naar New Jersey vliegen.

Vroeg vliegen was er voor ons niet bij. Ryanair had het nodig gevonden onze vlucht te verplaatsen naar de late avond. Ik zat dus een extra dag in Londen. Nog maar wat ‘cultuur’ dan, of wat daar in Engeland voor door moet gaan. English breakfast met worst en witte bonen in tomatensaus, een ritje bovenin een dubbeldekker en ronddwalen in Harrods, waar ze bar weinig hadden. Verschrikkelijk. Ik was blij me in een andere (enorme) winkel af te kunnen sluiten voor de buitenwereld. Bij de horror-dvd’s wist ik de weg tenminste. Het was er bovendien heerlijk rustig. Iwan gedroeg zich in de grote stad gelukkig even verkrampt als ik, tot groot vermaak van Patrick. Lekker shoppen met de dorpsjongetjes. De buschauffeur die ons naar Stansted reed leek even veel haast te hebben om de stad uit te komen als Iwan en ik. Na een half uur file arriveerden we met slechts vijf minuten vertraging op het vliegveld, na een dodemansrit op de snelweg waarbij de chauffeur al bumperklevend personenauto’s voor zich uit dreef. De passagiers voorin zweetten peentjes.

Na acht jaar had ik eindelijk een wedstrijd in een heus stadion gezien. En wat voor één! Een shootout die spannend was tot de laatste seconde. De best bezochte NFL wedstrijd van dat weekend. En toch was ik blij toen ik de Starlet midden in de nacht weer in duister Drenthe parkeerde, met een heldere sterrenhemel boven mijn hoofd en twee geitjes die me mekkerend welkom heetten. Ja, de feestjes waar je geen zin in hebt zijn inderdaad de leukste. Als de NFL nog ooit naar Duitsland komt ga ik weer. Anders vier ik mijn footballfeestjes net zo lief thuis. Nu maar hopen dat de Cleveland Browns niet in Londen moeten spelen.

Astérix et les Vikings
Een potje rugby in Polen

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*