Eenzame hoop

“In Moskou doet het er niet toe of je uit Armenië komt of uit Azerbeidzjan. Daar kun je gewoon met elkaar spreken, of samen wat drinken in een bar.” De inwoners van de industriestad Alaverdi zitten ‘s zomers niet in hun drinklokalen, maar buiten. In de schaduw van zijn met wijnranken overgroeide terras haalt Andrej twee flesjes Kilikia uit een plastic tasje. “We kunnen niets van elkaar hebben hier in de Kaukasus, maar we zijn wel gastvrij. Als toerist ben je overal veilig – of dat nu in Armenië, Azerbeidzjan, Nagorno-Karabach of Tsjetsjenië is.”

Ik laat Andrej het reisadvies van ons Ministerie van Buitenlandse Zaken zien. Veiligheidsrisico’s voor heel Armenië en een brede corridor langs de Azerbeidzjaanse grens waar reizen in het geheel ontraden wordt. Om over het volledig rood gekleurde Nagorno-Karabach nog maar te zwijgen. Andrej reageert verbolgen. “Waarom is ons land niet groen gekleurd?!” Zijn wijsvinger prikt driftig tegen de kaart. “Alleen aan de grens van Nagorno-Karabach en Azerbeidzjan zijn scherpschutters gestationeerd!” Maar daar kom je alleen als je militair bent. Toch stemt het nog altijd doorsudderende conflict Andrej somber. “Ik had Azerbeidzjaanse vrienden. Dat was niet makkelijk in de oorlog.” Als hij ze vandaag de dag wil ontmoeten, kan dat alleen in het buitenland.

Naar het buitenland gaan is vaak bittere noodzaak: met een werkloosheid van 18% werken een kleine 100.000 Armeniërs in Rusland; het enige land waarmee goede banden worden onderhouden. Het is veel, op een totale bevolking van drie miljoen. Dat is ook hier in Alaverdi duidelijk zichtbaar. In ongeveer twintig jaar tijd halveerde de stad tot ruim 13.000 inwoners. Het alternatief is werken bij de kopersmelterij; de grootste werkgever in de stad. Na de val van de Sovjet-Unie werden de filters uit de schoorstenen verwijderd. Geld om nieuwe te installeren is er niet. De toename van ademhalingsproblemen, geboortecomplicaties en aangeboren afwijkingen is alarmerend, waarschuwen plaatselijke artsen. Geen wonder dat veel van de roodgrijze gebouwen in Alaverdi leeg staan.

De giftige wolken die constant worden uitgebraakt door de hoge schoorstenen van de kopersmelterij zijn het eerste wat we zien van Armenië. De fabriek uit 1963 ziet er hopeloos verouderd uit en vormt een treurig contrast met de prachtige Debedkloof waarin Alaverdi en zijn drie kloosters liggen. Twee daarvan staan op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Net als Sanahin stamt Haghpat uit de 10e eeuw. In het kloostercomplex vormen de drie kerken, de spelonken van de gavits en de bibliotheek een aaneengesloten doolhof van sobere, grijszwarte muren. Voor Ilva telt alleen de Sorb Grigor. Onderaan de muur van deze kerk bevindt zich een smalle richel. Wie hierover lopend de overkant haalt zonder de grond te raken, zal zijn of haar wensen vervuld zien. Vastberaden zoeken Ilva’s vingers houvast in de kleine groeven en gaten van het tufsteen, terwijl ze zich voetje voor voetje langs de muur beweegt. Het lukt haar. De moraal is waarschijnlijk dat je je dromen waar kunt maken als je blijft volharden.

Moraal of geen moraal, Ilva herinnert ons er de hele rit naar Yerevan aan dat zij beter is dan wij. Aan valse bescheidenheid doet ze in ieder geval niet. De Armeense hoofdstad evenmin: in het centrum van Yerevan wisselen outlets van designermerken en dure modezaken elkaar af in een lelijke koopgoot. Rusland-correspondent Olaf Koens noemde de stad ooit een grijze kolos. Wie een overprijsd biertje wil drinken op één van de hippe terrassen rijdt eerst door een brede gordel Sovjetflats. Achter deze lelijke wildgroei van beton wordt het slechts marginaal beter. De Cascade, een nooit voltooide artificiële waterval waar nog altijd hijskranen bovenuit torenen, herbergt het Cafesjian Centre for Arts. Ik weet niet veel van kunst, maar ik weet wat ik leuk vind en de abstracte kunst, de dikke, naakte gladiator en zilver gespoten raceauto die we hier zien horen daar niet bij. “Don’t touch! Don’t run!” roepen norse museummedewerkers ons na. Langer willen we toch niet blijven.

Een strijdlustige Moeder Armenië die hoog boven de stad uittorent oogt niet vriendelijker. Onder het weinig vergevingsgezinde beeld is een militair museum gehuisvest, waar de helden van de Karabachoorlog met een rij foto’s geëerd worden. De ruimte tot toenadering met Azerbeidzjan is nul, getuige ook graffiti op muren en in tunnels: ‘Fuck AZ!’. En dat geldt ook voor de buren aan westelijke zijde. Op billboards lezen we ‘191.5 million – I remember and I demand’. De 19 in het wit en de 1.5 in het paars duiden op de anderhalf miljoen slachtoffers van de Armeense genocide in 1915, die tot op de dag van vandaag door Turkije wordt ontkend.

Met een pijnlijke geschiedenis, een bij vlagen zorgwekkende contemporaine situatie en de verworven smaak die Yerevan biedt, is Armenië voor ons niet direct een land om verliefd op te worden, maar daar komt ‘s avonds langzaam verandering in. In een restaurant eten we granaatappelsoep, Artsakhsalade en de lekkerste dolma’s die ik ooit proefde. Op het Plein van de Republiek wachten we daarna op de start van Yerevans sterattractie: tussen het historisch museum en het parlementsgebouw, resultaten van een prachtige fusie tussen Armeense en Sovjetarchitectuur, bevinden zich de Dansende Fonteinen. Op de opzwellende muziek van Star Wars culmineert de door technisch ingenieur Abraham Abrahamian uitgedachte show van licht en water in een spetterend hoogtepunt.

Armenië afficheert zich als het eerste christelijke land ter wereld en eigent zich een prominente rol toe in diverse bijbelverhalen. Zo moet de onwaarschijnlijk grote boot van Noach ooit bovenop de 5137 meter hoge Ararat zijn geland. Gebrek aan bewijs van archeologische of andere aard mag christenfundamentalisten en creationisten weinig deren; dat de berg in 1920 door de wat pragmatischere Turken is ingelijfd zit de Armeniërs hoog. Vanuit het centrum van Yerevan is het symbool van Armenië al zichtbaar en naarmate we de grens met Turkije naderen domineert de sneeuwbedekte top de horizon meer en meer. Het is hemelsbreed 33 kilometer van het klooster van Khor Virap naar de heilige berg. Dichterbij komen is voor de Armeniërs onmogelijk. Daarna wordt het landschap droger en ruiger. Kale, rode bergen staan tussen ons en de Azerbeidzjaanse enclave Naxçıvan. De weg leidt dwars over het op Azerbeidzjan veroverde grondgebied van Karki, dat is omgedoopt tot Tigranashen. De oorspronkelijke bevolking is vermoord of verjaagd; hun plaats ingenomen door Armeniërs die fortuinlijk genoeg waren om Naxçıvan levend te kunnen ontvluchten.

Een bergpas leidt naar Syunik, de meest zuidelijke provincie van Armenië. Paddenstoelverkopers tonen hun koopwaar op de motorkap van hun Lada’s en het landschap wordt langzaam weer vriendelijker. Een deken van bloemen kleurt het gras tussen de stenen van Karahunj paars. De ruim 4000 jaar oude stenen van Karahunj of Zorats Karer dienden ooit als astronomisch observatorium of necropolis – de precieze functie van de mysterieuze gaten in de rotsen blijft onopgehelderd. Bij Karahunj ontmoeten we Tigran, die net met zijn grote 4WD terugkomt van de petrogliefen van Ughtasar. Tigran is in opperbeste stemming: de verplichte diensttijd van zijn zoon zit er vandaag op. De Armeense rekruten brengen standaard twee jaar door aan de woelige buitengrenzen van Nagorno-Karabach. Het spreekt voor zich dat Tigran opgelucht is. Omdat zijn zoon pas over een paar dagen thuis zal komen, heeft Tigran tijd om ons de volgende dag de bergen in te rijden, naar Ughtasar.

Tot grote vreugde van Eva zit hij nu aan het stuur van een UAZ Buchanka. De stoere Sovjetbus staat alleen even stil voor een langharige jongen die over de zandweg sloft. Ivan uit Bulgarije heeft vanochtend voor het liften net te veel wodka gedronken, wat hem niet belemmert in zijn onderhandelingsvaardigheden. Na een plekje in de Buchanka te hebben bemachtigd slaapt hij zijn roes uit op de achterbank, terwijl Tigran al snel de hobbelige weg verlaat en dwars door de velden naar een hoogte van 3300 meter klimt. In een periode van drie millennia (van 7000 tot 4000 jaar geleden) werd hier verrassend weinig innovatie getoond en bleven de rotsbewerkers bij vertrouwde motieven als berggeiten, steenbokken, mensen en slangen. Mooi is Ughtasar wel, zeker met een prachtig blauw bergmeer tussen dikke pakken sneeuw. En wanneer Ivan ingaat op mijn uitnodiging hier te gaan zwemmen, weet ik dat hij iemand is die ik graag vriend zou noemen.

We kamperen bij Satani Kamurdj, de Duivelsbrug. Onder de natuurlijke brug zwemmen Eva, Ilva en Rune in borrelend mineraalwater – het smaakt echt zo. Zelf drink ik liever tutovka die me door de eigenaar van een kiosk wordt ingeschonken. Bij de plastic bekertjes moerbeienwodka eten we zelfgemaakt brood, ingemaakte rode kool, tomaat en komkommer. De hele nacht komen jongeren hier voor de bronnen en om bij zijn kiosk bier te kopen. Behalve een geschikte plaats om eigen stook te consumeren is de Duivelsbrug een fijne uitvalsbasis voor het klooster van Tatev. Armenië grossiert in kloosters, maar er is een hele goede reden om naar Tatev te gaan: tussen het dorpje Halidzor en het klooster loopt ‘s werelds langste kabelbaan (non-stop, tweebaans, voor degenen die op de kleine lettertjes letten). Pardon, zei ik kabelbaan? Met een lengte van 5,7 kilometer heet het hier een ‘Aerial tramway’, beter bekend als de Wings of Tatev. Wat je dan weer beter niet verder kunt vertalen, want Tatev is Armeens voor ‘vleugels’. “We gaan naar de Aerial tramway,” zingt Ilva aan één stuk door op weg naar Halidzor. Gelukkig zitten we korter in de auto dan in de gondels zelf, die op duizelingwekkende hoogte boven de Vorotanvallei glijden.

In Tatev nemen we afscheid van Ivan, maar erg lang hoeven we niet te wachten voor we hem weer tegenkomen. In Goris, de laatste stad voor de grens met het de facto onafhankelijke Nagorno-Karabach, logeren we bij Larissa. Larissa, een gezette vrouw van middelbare leeftijd, verhuurt bedden in haar rommelige huis aan backpackers. Zelf brengt ze de meeste tijd op de kleine binnenplaats door, waar een penetrante alcoholwalm hangt. “Per jaar stook ik honderd liter tutovka.” Larissa staat stralend van trots bij haar destilleerinstallatie. Als ondernemer kun je je onderscheiden als de goedkoopste, de beste, of omdat je anders bent. Larissa gaat duidelijk voor de eerste kwalificatie, constateren we bij het proeven van de niet te zuinig ingeschonken tutovka bij het avondmaal. We houden het bij één glas.

Gezellig is het wel, want naast Ivan hebben intussen ook de Armeense reizigers Hayk en Ruben Larissa’s huis gevonden. Ze zijn nieuwsgierig naar het zuiden van hun land. Geen populaire keuze – Armeense jongeren reizen liever naar het buitenland. “Alles is hier duur. We importeren alles wat we nodig hebben. Naar het Sevanmeer voor je vakantie? Als je miljonair bent kan dat; anders kun je beter naar Georgië gaan.” Ruben betreurt het isolement waarin Armenië zich bevindt: “Mijn ouders hadden vroeger Azerbeidzjaanse vrienden, maar wat ons nu op school wordt onderwezen is weinig genuanceerd – net als wat onze buren in Azerbeidzjan leren. Nou ja, iets minder haatdragend misschien.” Hayk knikt instemmend: “Gewone mensen willen een einde aan het geweld. En ik zou best wel eens door Azerbeidzjan willen reizen.”

Voorlopig is dergelijke ruimdenkendheid nog lang geen realiteit. Samen met Ivan rijden we de volgende dag door de Laçın corridor Nagorno-Karabach binnen. Technisch gezien behoort de op Azerbeidzjan veroverde corridor niet tot het gebied dat ooit de autonome oblast Nagorno-Karabach vormde, maar wel tot het de facto onafhankelijke land dat in het buitenland onder deze naam bekend staat. Om een topografische knoeiboel ook linguïstisch verwarrend te maken, noemt de republiek zichzelf Artsakh. Zo lastig als de situatie op papier is, zo eenvoudig verloopt de grensovergang. Gebroederlijk hangen de vlaggen van Armenië en Nagorno-Karabach naast elkaar aan hun vlaggenstokken op deze windstille zomerdag. Laatstgenoemde vlag lijkt verdacht veel op een Armeense, waarop met Tipp-Ex een aantal witte blokken is aangebracht. Een douanier geeft ons een papiertje waarmee we ons moeten melden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Stepanakert. Zonder verder oponthoud mogen we doorrijden.

Op het landschap na verandert er weinig. Nagorno-Karabach betekent ‘bergachtige zwarte tuin’ en zo mooi als hier is de natuur nergens in Armenië. De weg naar de hoofdstad is rustig, maar wat wil je, in een dunbevolkt land waar de helft van de bevolking dood of verjaagd is. Weinig subtiele billboards roepen op het leger te komen versterken. Al heeft Nagorno-Karabach slechts 150.000 inwoners, het leger telt 18.500 dienstplichtigen, waarvan meer dan de helft door Armenië wordt geleverd. Het voelt misdadig om achttienjarigen moedwillig naar een frontlijn te sturen waar nog regelmatig schermutselingen plaatsvinden. Drie maanden geleden vielen hier nog tweehonderd doden, waarbij enkele slachtoffers onthoofd werden teruggevonden.

Er wordt veel bloed vergoten om de sinds 1994 geldende status quo te behouden in een land dat internationaal slechts erkend wordt door Abchazië, Transnistrië en Zuid-Ossetië – als wederzijdse sigaar uit eigen doos – en een handjevol Amerikaanse staten. Een land waar auto’s met Armeense kentekens rijden, zonder eigen munteenheid en dat verdedigd wordt door jongens die nog niet oud genoeg zijn om een fatsoenlijke snor te laten staan. De sporen van de oorlog zijn nog pijnlijk zichtbaar in het maar ten dele herbouwde Shushi. Van de moskeeën resteren slechts ruïnes; zwartgeblakerde flatgebouwen tonen waar artillerievuur ruim twintig jaar geleden is ingeslagen. Maar tussen de puinhopen hangt kleding aan de waslijn te drogen. Een jonge inwoonster vertelt Eva dat Shushi haar droomstad is. “Ik weet dat onder al dit puin de straatstenen liggen waar ik zo van hou.”

Tot onze grote schrik worden Ivan en ik plotseling onder vuur genomen door een groep jongeren. Weliswaar met water, maar toch. Het is vandaag Vardavar, een feestdag met een heidens tintje ter ere van de godin Astghik. De godin van water, liefde, schoonheid en vruchtbaarheid wil iedereen kletsnat hebben en al snel sprinten we door de opengebroken straten van Shushi om buiten bereik van de flessen en emmers te blijven. Ilva en Rune vinden het een prachtig feest. Eva is net iets minder snel en krijgt in Stepanakert drie volle emmers over zich heen. Even wekt de hoofdstad van Nagorno-Karabach de indruk erg vooruitstrevend te zijn, met rolstoelvriendelijke ramps in het park en bij verschillende gebouwen. Tot we de gehandicapte soldaten in uniform zien lopen. “De situatie aan het front? Daarover praten we niet,” vertelt een man die zelf 42 jaar militair is geweest. “Jullie zijn te gast. Jullie komen om je te ontspannen.”

Veel redenen om in Stepanakert te blijven hangen hebben we niet. Op de bazaar spelen oude mannen backgammon en bakken marktvrouwen hun jingalov hats, de enige culinaire specialiteit die het land rijk is. Het visum ophalen is niet meer dan een formaliteit. Bij te bezoeken locaties ‘all allowed areas’ invullen mag niet; bij plaats van verblijf ‘in our van’ mag dan weer wel. We betalen zes euro voor een prachtige sticker die we – met oog op een mogelijk toekomstig bezoek aan Azerbeidzjan – niet in ons paspoort plakken. De wrange bijsmaak van al het militair vertoon van de afgelopen dagen lijkt niet meer dan een nare droom in het binnenland van Nagorno-Karabach. De directe omgeving van een 2036 jaar oude plataan is een waar reptielenparadijs, met Kaspische beekschildpadden, Europese moerasschildpadden, scheltopusiks en dobbelsteenslangen. Picknickende Armeniërs tonen meer belangstelling voor wodka en omdat ik altijd mijn best doe om een beetje te integreren drink ik een paar glaasjes mee, voor we in de grotten van Azokh op zoek gaan naar nog meer slangen en vleermuizen.

Naast oase voor tal van diersoorten en pleisterplaats voor drinkebroers doet Tnjri, de millennia oude plataan waar we ‘s avonds terugkeren, dienst als heiligdom voor pelgrims. Binnenin de gespleten stam staan duizenden gele kaarsjes. We zijn getuige van een heidens ritueel, waarbij een familie met twee kinderen rondjes om de enorme boom loopt. De vader van het gezin heeft een haan in zijn handen. Na de derde ronde legt hij het dier op de grond en hakt de kop eraf. Poten en kop van de offergave worden zorgvuldig aan de takken van de plataan gebonden, waarna alle gezinsleden een smeer vers bloed op hun voorhoofd krijgen. Net als tijdens Vardavar krijgen we de indruk dat het Armeens-Apostolische geloof een eclectische mix van christendom en veel oudere gebruiken is.

Volgens de Bradt reisgids moet het mogelijk zijn Nagorno-Karabach te verlaten via de onverharde weg over de Sotkpas op 2756 meter hoogte. Een redelijke weg, al wordt een 4WD aangeraden. Onze bus voelt weliswaar minder betrouwbaar dan voor de afranseling die hij in Georgië te verduren kreeg, maar veilig genoeg om het er op te wagen. De omgeving waar we door rijden geeft ons vooralsnog gelijk: eerst het monument Tatik yev Papik, het officieuze symbool van Nagorno-Karabach, dan de ongerepte natuur bij Kachaghakaberd en na het Sarsang reservoir het middeleeuwse kloostercomplex van Dadivank. Dat hier een nieuwe asfaltweg ligt dankzij het Hayastan All Armenian Fund, dat ook hier hard werkt aan het Armenië van morgen, weerhoudt een aantal jonge rekruten er niet van toch een band lek te rijden.

Het wordt iets spannender als we naar de warmwaterbronnen van Zuar rijden. De bus legt de zeventien kilometer over een beroerde hobbelweg en door onverlichte tunnels onder luid protest af, maar de tweedehands vering blijkt bij nader inspectie nog intact. Een groep zigeunerkinderen speelt in het stomende water van 40°C dat tussen de hersenvormige, groen en geel uitgeslagen stenen borrelt. Om het lot niet verder te tarten laten we de bergweg naar Tsar links liggen. Tien kilometer voor de grensovergang worden onze visa gecontroleerd, waarna we Nagorno-Karabach over de haarspeldbochten van de Sotkpas verlaten. Het is meteen afgelopen met de indrukwekkende landschappen. Over een saaie hoogvlakte bereiken we al snel het Sevanmeer.

Een doodlopend weggetje op de kaart is ook bij een groep vissers niet onopgemerkt gebleven. Artak, Igor, Viktor, Rafak, Vagzen en, ahum, Wilhelm nodigen ons meteen uit voor cognac en wodka. Er wordt brood en kaas uitgedeeld; boven een kampvuur worden shashlik en aubergines geroosterd. Om een beetje schot in het drinken te houden beperken de mannen de toasts tot een absoluut minimum: “Eh!” Toch zijn de vissers allerminst zwijgzaam aangelegd. Al wonen ze verspreid over Yerevan en Moskou, ze spreken elk jaar met elkaar af hier op de oostelijke oever van het Sevanmeer om het er samen van te nemen. “Want Armenië heeft het beste graan, de zoetste abrikozen, de lekkerste cognac en bronwater dat het beste tegen katers helpt.” Jammer dat ze niet de beste buren hebben. “We kunnen alleen met Rusland overweg. De rest van onze buren zijn moslims. Op de Georgiërs na dan – die zijn nog erger!” Maar zelfs deze patriotten haten de Azerbeidzjanen niet. “Het is allemaal politiek,” meent Viktor. “Denk je nou echt dat een Armeniër en een Azerbeidzjaan met elkaar op de vuist gaan als ze elkaar in Moskou tegen het lijf lopen?”

Voor we de volgende dag kunnen vertrekken komt Boris, een andere visser, ons kefir, kaas en kruiden brengen. Na wolken muggen en knutjes aan de zuidkant van Sevan en het tegenvallende khachkarveld van Noratus (waar de steenhouwers even begaafd als gespeend van inspiratie moeten zijn geweest, getuige de eindeloos saaie variatie op in steen gehouwen kruisen), besluiten we naar het uiterste noordwesten van Armenië te rijden. Hoe arm de Armeniërs ook zijn, het remt ze geen moment in hun gastvrijheid en onderweg krijgen we cognac, abrikozen en onverwacht nachtelijk bezoek van de boswachter wanneer we wildkamperen in het nationaal park bij het Arpimeer. Al is de eerste indruk van Armenië die van een land met veel armoede, een zorgwekkende milieu-erfenis en problemen met buurlanden, toch verlaten we het land met een positief gevoel. Overal in Armenië en Nagorno-Karabach voelden we ons welkom en te gast bij vriendelijke mensen die niet alleen open stonden voor ons, maar ook voor een dialoog met gezworen vijanden en daarmee voor een betere toekomst. Hoopvol gestemd rijden we over een weg met ruimte voor verbetering naar de kleine grensovergang met Georgië.

Op karakter
Moeder Armenië

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*