Eindelijk weer een echt boevenland

Met de beproeving van de Bierbrommerij nog vers in het geheugen verkeerde ik in de veronderstelling dat een ritje van Drenthe naar Slovenië smooth sailing zou zijn. Veel tijd voor optimisme was me niet gegund – we hadden nog geen honderd meter gereden of rambambam, het raam aan de bijrijderkant donderde uit z’n sponning. Daar sta je dan, om acht uur ’s avonds, de auto vakkundig volgestouwd en de baby nog relatief rustig. Oost-Europa inrijden zonder raam? Frisjes, en bovendien is de auto al leeggehaald voor je goed en wel uitgestapt bent. Dan liever alles er weer uithalen, eens hartgrondig vloeken en morgen een garage bellen.

Of nu al. In het holst van de avond bleek er nog volop geklust te worden en als vaste klanten konden we zo even langskomen. Ruim twee uur later en weer wat opgestoken over de wondere wereld van de autotechniek kon onze nachtelijke rit alsnog aanvangen. De hele nacht bleef Ilva slapen in haar kinderzitje en zelfs toen de oranje stralen van de zon voorzichtig boven de heuvels bij Regensburg uitkwamen, kwam hier geen verandering in. Mist hing boven de velden en de Donau die ons pad alsmaar kruiste; kastelen bakenden al lang niet meer terzake doende territoria af. Daarna Oostenrijk, de laatst overgebleven nazi-staat van Europa, waar betaling voor een wegenvignet en een stuk of wat tunnels volgens de autoriteiten geen afdoende maatregel vormden en waar daarom fanatiek geradard werd.

Geen boef te bekennen (JS)

Ook de Slovenen verlangden een vignet van ons. Tamelijk onterecht, daar het slechts een uur gaans was van de Oostenrijkse grens naar Ptuj, maar aan de andere kant niet meer dan billijk dat we betalen moesten voor landen met een puik wegennet en nette tunnels. Oneerlijk dat landen als Roemenië er daarentegen geen coulanceregeling op na houden om ons te compenseren voor ons ongerief. “Welkom in Roemenië en hier heeft u alvast €25,- om tegemoet te komen in de onderhoudskosten aan uw auto, na uw bezoek aan ons land.” Nog straffer, zelfs Roemenië schaamde zich niet tol te heffen voor zijn verfoeilijke wegen, zo bleek later.

Vladimir Šilak vertrouwde zo te zien weinig op het richtingsgevoel van zijn gasten. Zo klein als het stadje Ptuj is, zoveel borden stonden er om ons het 300 jaar oude pand waar het binnen gelukkig geen 36°C was te wijzen. ‘Šilak, 25 meter’, wees een bord ons naar rechts en dertig meter verder lazen we ‘Šilak, 5 meter’, maar nu naar links wijzend. Slovenië, Oost-Europa voor beginners, maakte met Ptuj opnieuw een positieve indruk op ons. Het was aangenaam verpozen in dit lieflijke stadje aan de Drava, met zijn twee kastelen, twee kloosters en de vele nauwe steegjes. Bovendien ligt Ptuj te ver van Sloveniës andere attracties om helemaal platgelopen te worden door busladingen toeristen. Toch maakte de plaatselijke bevolking op pijnlijke wijze duidelijk dat dit nog geen Oost-Europa was: hoewel de bebaarde mannen weinig ruimte onbenut lieten door tattoos, dronken ze Spezi en Diesel – beide zijn minder stoer dan het klinkt. Toch, een leuke tussenstop. Tegelijk met Ilva gingen bij ons de lichten uit.

Was Slovenië al weinig zinderend, Kroatië was oersaai. Nu reden we ook door Slavonië, waar de hoogste berg een krop sla is. Driehonderd weinig verheffende kilometers later reden we zonder boe of ba Servië binnen. Grenzen in Oost-Europa zijn ook niet meer wat ze geweest zijn. Bij een cafeetje ergens van de snelweg af werd gelijk de toon voor ons hele verblijf in dit land gezet. De eerste aanval van vertroetelende vrouwen kwam snel en onverwacht. Voor we het wisten werd Ilva uit onze handen gegrist, bepoteld, gekust en op reusachtige watermeloenen geplaatst. Half Servië scheen nog nooit een baby gezien te hebben, en al zeker geen blonde. Op boeven hadden we gerekend; hier niet op.

Hardcore Oost-Europa (JS)

Eenmaal uitgeknuffeld lieten we het vlakke Vojvodina achter ons om de bergen voorbij Valjevo in te rijden. Een schitterende bergweg, schier oneindig kronkelend en zonder indicatie waar we ons nu precies bevonden, bracht ons naar Bajina Bašta aan de voet van Nationaal Park Tara. In een restaurant aan de Vrelo, met 365 meter de kortste rivier van Servië, wachtten we op Olivera en Laslo (aanrader: forel op z’n Užices – vis met spek en kajmak). Eva had haar penvriendin van jaren geleden nog nooit gezien, maar het klikte meteen. Alleen met hun autosleutels spelen mocht Ilva niet – straks vielen ze nog in de Vrelo. Beetje overdreven natuurlijk, want met die lengte heb je ze zo teruggevonden.

“Tjokvol vis zit ie. Vol… kom, hoe heten ze in het Engels?” vroeg Laslo, die graag hoog opgaf over Servië. “Pastrmka,” wist ik. Die smaken goed. “Ja,” was Laslo enigszins verbaasd. “You’ll love it here.” Vroeger al ging iedereen naar Servië; niet naar de andere Joegoslavische deelrepublieken. Vergeet de bergen van Montenegro, de kastelen van Slovenië en de azuurblauwe zee van Kroatië. In Servië is het te doen. We zouden er nog veel meer als Laslo tegenkomen: de Serviërs waren veel zelfverzekerder over hun eigen land dan menig andere Oost-Europeaan. Nogal wiedes dat je als toerist juist hierheen kwam. Servië is kei vet.

Het duurde niet lang voor we Laslo’s mening deelden, zij het niet dankzij de door hem uitgekozen locatie aan Perućac jezero. Wij zaten in het dorpje Perućac zelf. Heel wat beter dan aan het stinkende stuwmeer vol drijvend afval. Het leek wel alsof de Rendac in het geniep al zijn kaskassen hierheen bracht in plaats van ze op een ordentelijke manier te vernietigen. Het uitzicht was hier letterlijk adembenemend. Zo’n puinhoop als in Albanië werd het gelukkig nergens: aan het helderblauwe Zaovine-meer lag geen afval. Toch was zomaar een duik nemen er op de door ons gekozen plek niet bij. “Dit is een privé-strand,” deelde de lijvige Serviër met netjes getrimd grijs ringbaardje, zonnebril, crucifix om de nek en twee protheses naast zich mede. Met de stompen van zijn bovenbenen op de plastic stoel voor hem leunend zat deze oorlogsveteraan van het mooie weer te genieten. “Maar de eigenaar is er toch niet, dus veel plezier,” voegde hij eraan toe. Handig, zo’n baby meenemen die altijd lief lacht.

Geen bonuspunten voor stijl (OG)

Zaovinska jezero is groot, maar wij hadden een auto. Een opvallende, zo tussen alle Lada Niva’s, Zastava’s en Yugo’s. “In de jaren ’60 was de Yugo het summum van de autotechniek,” vertelde Laslo. “Daarna was er dertig jaar lang geen sprake van enige innovatie, behalve een lampje in de kofferbak.” Er reden nog heel wat Serviërs in deze verbeterde Yugo’s rond. Knap dat ze het zo lang uithielden op deze wegen. Ik gaf onze Golf minder lang en had daar zo mijn redenen voor. Toen Eva een rots formaat kinderhoofdje zag, dacht ze “Laat ik daar de bodembeschermplaat eens vakkundig op losrijden.” Ze slaagde er wonderwel in. Eén welgemikte trap volstond om het laatste schroefje waarmee het ding vastzat los te schoppen.

Weer wat lichter reden we door een arcadisch landschap van bergweides, hooimijten en het in de zon glinsterende bergmeer. Het waterpeil stond lager dan normaal, waardoor onbekende rotsformaties boven het oppervlak tevoorschijn waren gekomen. Nadat we mensen van het vijf meter hoge eilandje zagen duiken, besloten Laslo en ik het erop te wagen. Het schuine topje bood op de millimeter nauwkeurig voldoende plek voor twee voeten naast elkaar. Eenmaal de balans gevonden was een krachtige afzet nodig om de uitstekende rotsen vier meter lager te passeren. Laslo rondde af met een fraaie duik; ik daalde wat minder gracieus maar was allang blij onderweg geen vaste materie geraakt te hebben. Honderden nieuwsgierige vissen omsloten ons in het heldere water.

We hadden onze draai snel gevonden in Servië. Gezwommen met gemillimeterde mannetjes in strakke zwembroeken, wegen vol kuilen bedwongen en door de verhuurster van ons appartement geregistreerd bij de politie in Bajina Bašta. We wisten niet eens dat dit tegenwoordig nog nodig was, maar zonder al teveel uit te leggen was ze er al vandoor met onze paspoorten voor we er erg in hadden. Mij best hoor. Nu nog een typisch Servische maaltijd. “Jullie zijn toch geen vegetariër?” schrok Olivera plots toen ze de mogelijkheid in overweging nam. Nee hoor – en zeker niet wanneer er ćevapčići op het menu staan. Ook Ilva vond ze heerlijk. Verder kip, worstjes, spiesjes en een toefje groente. Door de rooklucht roken we zelfs het Perućac-meer even niet meer.

Gedonder aan de Bosnische grens
Mannen met een missie

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*