En als we dan toch naar Rusland gaan, dan wel met de auto

Het Serra da Estrela is net geen hooggebergte – daarvoor komen de Portugezen zeven meter tekort. Om die reden staat er bovenop de hoogste bergtop een toren van zeven meter hoog om de andere 1993 meters aan te vullen. Het deed me sterk denken aan een verhaal uit Wales, waarin trotse dorpelingen stenen een heuvel opsjouwden om deze de paar feet te laten groeien die nodig waren om de heuvel officieel tot berg te laten benoemen.

Op kaarten staat Torre met 2000 meter aangegeven, maar wij kwamen niet in de buurt van het discutabele hoogtepunt van Portugal. Wij kozen voor het bergstadje Gouveia, of eigenlijk voor de kilometers buiten dit stadje liggende camping Curral do Negro. Aangezien de camping pas net enkele dagen open was in dit nieuwe seizoen waren we ongeveer de enige gasten, op enkele in het leegstaande zwembad verdwaalde marmersalamanders (Triturus marmoratus) na. De trage, gifgroene beestjes probeerden vergeefs uit de bruine bladermassa tegen de gladde wanden op te klimmen, maar we wisten er toch één te bevrijden. Ter compensatie voor de eerder weggespoelde salamander.

Vette marmersalamander! (EH)

Het landschap oogde hier een stuk Iberischer. Het was droog, zonnig en rotsachtig. Er groeiden alleen taaie, kleine struikjes en zand. Terwijl ik mijn vakantie probeerde te verslapen in het hoge gras om onze tent voelde Eva zich meer aangetrokken tot de ruige natuur van het Serra da Estrela natuurpark. Lang kon ik niet genieten van de schaduw, want Eva had een poel vol slangen ontdekt. Hals over kop (erg raar, als je d’r over nadenkt) haastte ik me met Eva naar het troebele vennetje. Maar waar Eva telkens slangen tussen de begroeiing weg zag schieten waren de reptielen mij te snel af.

De teller tikte bij Eva gestaag door, maar ik moest lang zoeken naar mijn eerste slang. Het was een soort ringslang, Natrix maura, die – wat schetst mijn verbazing? – niet alleen op het Iberisch schiereiland voorkomt. Ze lieten zich alleen een stuk minder gemakkelijk vangen dan gewone ringslangen. Omdat de aanhouder wint begon ik meteen met aanhouden. Na mezelf vruchteloos dol te hebben gedraaid met rondjes om de poel lopen sprong ik het water in en liet Eva het loopwerk doen. De slangen die ze het water in joeg doken telkens onder, maar door vliegensvlug mijn arm tot de oksel onder water te steken had ik een wild kronkelende slang te pakken. Het beestje poepte me helemaal onder en dat rook niet prettig. Pfoei, daar kon een ringslang nog wat van leren! De slang had een mooi rood buikje en hield zich al snel koest. Na een fotosessie mocht het reptiel het water weer in, waar het parmantig rond zwom, en ik weer naar mijn hoge gras op de camping.

Stinkt nóg erger dan de gewone ringslang (EH)

Portugezen houden geen rekening met mensen die geen auto hebben. Dat was niet alleen te merken aan het feit dat je je eenvoudigweg veiliger voelde met een beschermende laag metaal om je heen; in afgelegen gebieden als het Serra da Estrela (en om de een of andere reden zitten wij altijd in dat soort gebieden) kom je nergens zonder gemotoriseerd vervoer. Net als in het hoge noorden van Portugal reden hier geen bussen. Vanaf de camping liepen alleen zandpaden het uitgestrekte niets in, dus besloten we enkele kilometers terug te lopen naar Gouveia om te onderzoeken of we naar Manteigas konden. De granieten huizen aan de steile, smalle straatjes in dit op 700 meter hoogte gelegen stadje schenen de moeite van de 38 kilometer lange trip wel waard te zijn. Vanaf Manteigas was het Poco do Inferno ofwel hellepunt slechts een stevige wandeling verderop.

Er gingen erg weinig auto’s vanaf Gouveia de gewenste kant op. Op onze kaart kijkend was er onderweg één enkele afslag naar een klein dorpje; al het andere verkeer voltooide de afschrikwekkend slingerende tocht door de bergen met Manteigas waarschijnlijk als eindbestemming. Er lag niets ook maar een beetje in de buurt van dit bergstadje. Toch stopte er na een tijdje een auto met een praatgrage Portugees. Hij ging naar zijn werk, dat eruit bestond directeur te zijn. Ja, het was leuk om directeur te zijn in een fabriek ergens tussen Gouveia en Manteigas. Mooie uitzichten onderweg, je hoefde niet op tijd te komen en kon zoveel water drinken als je wou. Hij was namelijk de baas van een grote fabriek waar bronwater in plastic flessen werd gespoten.

Waarschijnlijk had de fabriek werknemers uit zowel Gouveia als Manteigas en lag het daarom zo onlogisch in het midden, ver van Gouveia en ver van Manteigas. Een hek opende zich voor de baas, waarna onze fiere directeur zijn wagen over de lange oprit vol haarspeldbochten naar beneden manoeuvreerde. De oprit leidde dan wel niet naar Manteigas, maar we mochten toch nog niet verder liften. Eerst moesten we een kijkje nemen in zijn fabriek. We kregen een exclusieve doch weinig oh’s en ah’s oproepende rondleiding. Even later wisten we alles over water in flesjes doen en kregen we zes grote flessen mee voor thuis. “Lekker handig, pipo!” zeiden we. “We gaan wandelen, weet je nog.” Vier dan? De directeur bedoelde het goed, maar aan realiteitszin ontbrak het hem.

Onderweg hadden we het Cabeça do Velho (het hoofd van de oude man, een merkwaardige rotsformatie die in ieder geval beter uit de verf kwam dan de Roemeense sfinx) al gezien, dus we waren al een stuk dichter bij Manteigas. Helaas reden er nu nog minder auto’s over deze weg aan de schaduwzijde van de bergen dan vanochtend. Tot we ineens iets hoorden aankomen. Het was duidelijk het geluid van een zwaar voertuig, maar we zagen niets. Dat ging een tijdje zo door, tot er met tegenzin een soort vrachtwagen vanachter een bocht tevoorschijn gehoest kwam. Deze kwam voor onze neus tot stilstand (stopte hij om ons mee te nemen of hield het vehikel er definitief mee op?), waarna er een dikke chauffeur goedbedoelend Portugees begon te ratelen.

Serra da Estrela (EH)

Onze liefste lach lachend stapten we in. Het bankje voorin was te klein voor twee personen en ik zat half op de handrem, maar hoe ver kon Manteigas nog zijn? Erg ver dus, want vanaf hier zag de weg er op de kaart uit als een schrijfoefening voor groep 3 om de letter ‘w’ te leren schrijven. Wwwwwwwwww, ging de weg. De man blaatte in het begin vrolijk door, maar er kwam al gauw een einde aan onze kennis van het gesproken Portugees. Daarna was ie alleen nog vrolijk en riep af en toe een woordje (“Pousada!”, wijzend op een kasteeltje in een haarspeldbocht).

De chauffeur had helemaal geen zin afscheid van ons te nemen en nam ons mee naar het huis waar hij zijn vracht ging lossen. Een bezoekje aan één werkplek vonden wij wel weer genoeg voor vandaag, dus liepen we al zwaaiend naar het mooie centrumpje van Manteigas. Nu was het zaak de kaart juist te interpreteren. Poco do Inferno was op wegwijzers wel aangegeven, maar alleen voor auto’s. Onze op de kaart aangegeven voettocht was in het echt nergens terug te vinden.

Dan maar nadenken en gaan lopen. Dat is ook een stuk makkelijker als je er allebei van overtuigd bent dat je de goede richting op gaat, maar dat was pas na een hele tijd het geval. Gelukkig was mijn handremkont toen weer wat soepeler geworden. Niets wees erop dat we de goede kant opliepen, maar Eva vond wel haar tweede muis. Onder een heg lag een zielig, verloren spitsmuisje, hard piepend om de aandacht van moeder te trekken. Eva zorgde ervoor het diertje goed in de begroeiing te verstoppen, maar moeder kennende zou ze het muisje wel in de steek hebben gelaten, of in ieder geval niet meer op durven te halen. Het spitsmuisje was amper zo groot als Eva’s pink.

Van dit inferno word ik niet warm (EH)

Toen we na een lange wandeltocht eindelijk zagen dat we goed zaten was dat omdat we een weg bereikten waar weer auto’s konden rijden. Nu stond de toeristische attractie weer aangegeven. Druk was het niet bij de veertig meter hoge waterval, of je moet de Iberische kikkers (Rana iberica) meetellen. En echt infernaal oogde dit watervalletje ook niet. Maar er was iets te zien, dus er waren Nederlanders. Terwijl we terugliepen besloten we weer te liften. Het was al laat en Gouveia erg ver weg. Op deze weg reden allen toeristen voorbij; we waren dan ook nauwelijks verbaasd dat er Nederlanders voor ons stopten (een stel van rond de dertig; van die Nederlanders die niet te beroerd zijn een paar lifters mee te nemen).

Nu waren we rond half vijf in Manteigas. Precies op tijd om met de avondspits mee naar Gouveia te liften. Helaas waren we nu een stuk minder fortuinlijk: de zeven auto’s die het komend anderhalf uur voorbij reden stopten niet en zelfs een liftdans bracht hier geen verandering in. We moesten terug het stadje in, op zoek naar een taxi. Die waren hier natuurlijk ook geen en het begon inmiddels al te schemeren. Eva zag nu echt de lol van ons uitstapje niet meer in. In een café gebruikte ik mijn beste Portugees om de eigenaar te vragen een taxi te bellen. We maakten ons grote zorgen over de kosten van deze onderneming: twee toeristen die ‘s avonds in het donker nog veertig kilometer door de bergen af wilden leggen, zonder andere mogelijkheid van vervoer.

Een heel erg grote, luxe auto stopte voor het café. De chauffeur sprak geen Engels, wel Spaans. Onderhandelen over de prijs had geen zin. We hadden toch geen keus. Wel had ik nu eindelijk iets aan mijn Spaans. De man was Spanjaard maar woonde in Portugal. Hij was blij weer eens Spaans te kunnen spreken en kende ook nog eens een sluiproute. Toen we in het pikdonker bij de camping aankwamen was deze al gesloten en stond er maar net iets meer dan twintig euro op de teller. Dat viel dus reuze mee. Nadat ik over het hek van de camping was geklauterd kwam de eigenares het hek openen voor Eva, waarna we opgelucht ons verhaal deden. Hoofdschuddend liep ze weer naar binnen. Stomme toeristen. Wie gaat er nou ook naar het Serra da Estrela zonder auto?

Daarmee zat ons uitstapje naar Portugal er alweer op. We verbleven nog een dag in Porto, maar aangezien dat een grote, vieze stad is keurden we dit nauwelijks een blik waardig. Behalve het vliegveld dan. Op de heenweg had ik een boek in het vliegtuig laten liggen (Requiem voor Rusland van Andreï Makine). Op weg naar de gevonden voorwerpen moest ik mijn paspoort inleveren, waarna ik langs de douane mocht. “Nah nah nah something Rusland?” vroeg een man me. Ja, dat was het. Had ik weer mooi iets om te lezen in het vliegtuig om inspiratie op te doen voor volgende reizen. Het mistroostige Rusland viel in ieder geval af.

Dark Prince: the true story of Dracula
Niet te lang genieten

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*