En maar marcheren achter dat IJzeren Gordijn

Om op adem te komen van de lange reis (veel verder dan Eindhoven gingen we meestal niet met de trein) gebruikten we de volgende dag om Arad te verkennen. De avondwandeling de dag ervoor voerde ons al naar de ruïnes van een fort vlakbij de camping. Verboden toegang, verboden te fotograferen. Hoe serieus moest je dergelijke waarschuwingen nemen in vreemde verre landen? Na enkele tientallen meters besloten we onze route anderszins voort te zetten. Het bleek hier te gaan om een 18e eeuws Habsburgs fort waar wel eens officiers werden opgehangen. Tegenwoordig was het een militaire basis, dus omdraaien en doorlopen leek ons een verstandige keuze.

Huppekee! (EH)

Arad bleek een levendige stad met parken, een soort kermis, pratende, schakende en tennissende mensen langs de rivierpromenade en jonge mensen die genoten van de zomerse vakantiedagen. In de omgeving van de stad vonden we geelbuikvuurpadden (Bombina variegata) in elk poeltje. Hier verplaatsten boeren zich nog met paard en wagen, iedereen was vriendelijk en op de camping lazen we liggend in het hoge gras over het land en de vele bezienswaardigheden. De eerste de beste camping vlak over de grens, in een grote stad in de platte Banatvlakte die qua uiterlijk nauwelijks van de Hongaarse poesta’s verschilde, bood ons absolute rust. Totdat er een tweede tent werd opgezet. Hollanders. Hoe kon het ook anders. Ach ja, positief was dan weer dat zelfs de Hollanders hier meevielen.

Toch trokken we de volgende dag verder het land in. Door de vallei van de Mureş ging het naar Sibiu, home of Hermannstadt vodka. Hoe langer we in de trein zaten (en we zaten er lang in), des te hoger werden de bergen. Roemenië bestaat voor 1/3 deel uit vlakten, 1/3 deel bergen en 1/3 deel heuvels, dus zo raar was het niet dat een treinreis van enkele honderden kilometers ons deed twijfelen of we nu heuvels of bergen zagen. De Roemenen leken onze gedachtegang te volgen, want het overgrote deel van de passagiers stond goedkope sigaretten rokend of zonnebloempitten kauwend uit het raam te staren.

De conducteur wekte ons uit onze overpeinzingen met een uiteenzetting van het Roemeense treinsysteem. Erg snelle treinen worden met de toepasselijke naam ‘rapid’ aangeduid, treinen die overal (ik overdrijf niet) stoppen heten ‘personal’ of – in de volksmond – zigeunerexpres. Daar tussenin heb je nog de ‘accelerat’ – vleesch noch vis. De precieze reden van de lachwekkend coulante boete die hij ons gaf begrepen we niet, maar het zal hier wel iets mee te maken hebben gehad, te oordelen naar de goed bedoelde drukke gebaren van onze coupégenoten. In het Frans maakte een dame Eva duidelijk dat onze medereizigers verontwaardigd waren over (de hoogte van) de boete. Hoe konden wij als buitenlanders, geen kwaad in de opzet, immers bevroeden dat we niet over de juiste reiskartonnetjes beschikten?

Daar kan de Efteling nog een puntje aan zuigen (EH)
Deze aardige dame legde ons haarfijn uit hoe we op de camping in Sibiu terecht zouden komen. Dat neem ik tenminste aan – het Frans spreken en luisteren liet ik graag aan Eva over, en tegen het vallen van de schemering stond onze tent mooi op camping Pădurea Dumbrava. Met een glas Roemeense wijn (de kurk brak af, maar ik mocht van Eva niet datzelfde met de flessenhals doen) vierden we dat we nu echt midden in Transsylvanië zaten.

Sibiu is de hoofdstad van het tot de verbeelding sprekende Siebenbürgen (Transsylvanië, de Karpaten, Siebenbürgen – het hele land inspireert het horrorgenre en talloze metalbands). In deze zeven steden wonen, maar vooral woonden, de Saksen. Dankzij deze Duitse kolonisten ziet deze streek met zijn torentjes en burchtkerken er zo middeleeuws uit. Zie ook het kaartspel van Catan.

Wat een nare speling van het lot dat onze fotocamera het hier begaf. We lieten onze vakantie hierdoor niet verpesten (we merkten het pas bij thuiskomst) maar erg jammer was het wel. Des te meer omdat we ons heel even achter het oude IJzeren Gordijn waanden. Een parade van het Roemeense leger marcheerde door de wirwar van kleine straatjes en pleintjes. De intimiderende vlaggenstokken met adelaars en fier wapperende vlaggen, gedecoreerde generaals en soldaten met halfautomatische geweren deed ons even twijfelen of fotograferen hier wel verstandig was. De conclusie was ‘ja’, al zullen we onze geheime militaire informatie nooit kunnen verkopen dankzij mijn ondeugdelijk fototoestelletje.

Hail to the Hammer! (EH)

Waarom sommige andere foto’s wel zijn gelukt blijft een raadsel, maar van het uitstapje van Cisnădie en Cisnădioara hebben we wel kiekjes. De brede straat waar onze camping aan lag versmalde zich honderd meter verderop, voorbij het schitterende openluchtmuseum (niet gezien) tot een rustiek landelijk weggetje. Hier liepen oude mannetjes met hun fiets in de hand, reed af en toe een Dacia voorbij en genoten wij van de schaduw van de overhangende bomen.

Ook Cisnădie en Cisnădioara waren Saksische dorpjes met authentieke kerkjes. Waarom sta ik dan met een hamer op de foto? Dat is een verhaal apart. Eerder dit jaar ‘vond’ ik de voorzittershamer van de JNM (Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie), waarvan het traditie is dat deze elk jaar ontvreemd wordt. De hamer ging mee in de uitpuilende rugzakken (we leerden hier veel van, waardoor Frank een jaar later het mikpunt van spot werd wat betreft overtollige bagage) en maakten ons op voor een enerverende fotoreis. Natuurlijk bleken de foto’s met de voorzittershamer op station Budapest en Wenen op mysterieuze wijze verdwenen, maar hier bewees ik toch maar de hamer daadwerkelijk in mijn bezit te hebben gehad voordat ik deze in de toekomst nog meermalen met Joost zou begraven.

Daciërs zijn zó vorig jaar
Nectar en ambrozijn

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*