Gaumarjos!

Een bonte verzameling onbetrouwbare koppen wachtte ons op bij de marshrutka. We hadden niet minder verwacht. Over een half uur zouden we immers naar Svaneti afreizen. Opnieuw een gebied met een negatief reisadvies. O, wat werden hier veel toeristen beroofd. Nou ja, veel is natuurlijk ook relatief. Twee jaar geleden was het aantal toeristen gegroeid tot 1200 per jaar. De meeste toeristen durfden er nog altijd niet heen, maar anderen konden de verleiding niet weerstaan. Zij werden erheen gelokt als motten naar een kaarsvlam, volgens de reisgids van Bradt. Het beroven gebeurde er ook niet kinderachtig, trouwens. Kalashnikovs erbij, kleding uit laten trekken, intimideren. Dat soort ongein. We hadden onze afweging echter gemaakt. Het scheen er sinds 2006 een stuk veiliger te zijn. Als ze ons geld zouden houden, hadden we pech gehad. De aantrekkingskracht was gewoon te groot.

De twee chauffeurs van het busje en twee medereizigers moesten eerst nog ontbijten in Zugdidi. Echt geruststellend oogden noch de chauffeurs, noch de twee andere mannen. Eén van laatstgenoemden had een litteken boven zijn bloeddoorlopen ogen. Zijn blouse stond open om borsthaar en sieraden met ons te kunnen delen. Van de andere man konden we niet goed hoogte krijgen. Hij had wel wat weg van Ramzan Kadyrov, de president van Tsjetsjenië. Baardje, Russisch non-kapsel, vage blik in de ogen die net zo goed kon inhouden dat je niet interessant voor hem was als dat je even later klappen van hem zou krijgen. Nee, bij nader inzien oogde Kadyrov vriendelijker. Het viertal zat om kwart voor zeven ‘s ochtends al aan de chacha. Wij kregen ook een glas. Iets te vroeg, naar Noams zin. Mooi – bij problemen in Svaneti zouden de Israëliërs vast eerder de sjaak zijn. Als Svaneti echt zo’n boevenoord is, kan het geen kwaad ze aan je kant te hebben. Meedrinken dus.

“Gaumarjos!”, bulderde het viertal in koor. Noam schoof zijn nog halfvolle glas aan de kant. Het mijne was al leeg, wat me prompt op een tweede glas kwam te staan. De meisjes deden alsof ze er niet waren. Vooruit, ik moest het dus doen. Gaumarjos. Na twee glazen was het goed, volgens de Georgiërs. Hoppakee, zeven uur en ik was al aangeschoten, met een derde glas alweer voor mijn neus. Met handen en voeten maakte ik duidelijk dat ik straks, in Mestia, met alle liefde met ze zou drinken. Het woord ‘pauze’ begrepen ze, al werd er flink om gelachen.

Twee uur na het geplande vertrek reden we eindelijk weg. De kaartjes waren duur; de Israëliërs klaagden. We passeerden een grenspost met Abkhazië, waar VN-soldaten en tanks de boel bewaakten. Daarna een azuurblauw stuwmeer, kilometers lang. We reden de hoge Kaukasus in en dat betekende dat menselijke bebouwing steeds spaarzamer werd. Na een paar uur hield het busje halt bij een van de weinige gebouwen die we nog passeerden. Het tweetal dat vanochtend met de chauffeurs had ontbeten en de hele reis samenzweerderig met de armen om elkaars schouders had zitten overleggen, zocht snel de schaduw van een boompje op. Een huis in de bocht van de weg, zo te zien een familiair aandoend wegrestaurantje, een houten wc-huisje, afval en rondscharrelende kippen en varkens. Eva maakte zich uit de voeten om foto’s te nemen; ik besloot dan maar de man met het litteken aan te spreken. Belofte maakt schuld, al waren we nog lang niet in Mestia.

Ushguli, Svaneti (EH)

De bruine petfles was al tevoorschijn gehaald, dus ik gebaarde ernaar. “Chacha,” constateerde ik. De bebaarde man voegde zich bij ons en maakte duidelijk dat we naar binnen moesten. Mee dus. Noam volgde gedwee. De man met het litteken stelde zich voor als Gheorghe; de Kadyrov-look-alike heette Beso. Binnen werden vette, warme broodjes met een soort vleespap voor ons klaargezet. De vrouwen volgden, de chacha eveneens. Ik dronk er drie met de Georgiërs. Of vier. Eva kwam tot twee, een dikke kerel had er zichtbaar moeite mee maar liet zich niet kennen. Noam en Liz zagen hier duidelijk de lol niet van in. Het toasten was begonnen. Telkens weer hief één van de Georgiërs het glas om een minutenlang durend verhaal af te steken. De anderen vielen hem bij, klonken de glazen tegen elkaar en riepen instemmend “Gaumarjos!” Daarna nieuwe toevoegingen aan de toast, een tweede, soms derde of vierde “Gaumarjos!”, waarna de glazen in één teug werden geleegd.

Na het tweede glas viel me op dat sommigen een bodempje overlieten, waarna er opnieuw werd ingeschonken. Dat scheelde toch al weer. Het is hier traditie om te toasten op een voorspoedige reis, op gasten, gastheren, vrede, vrouwen, kinderen en wat al niet meer. Genoeg om je dood te drinken als beginnend toaster. De Georgiërs zelf slaan moeiteloos vier liter wijn achterover, of meer chacha dan goed is voor je arme lever. Je kunt het niet maken dan zelf niet te toasten, dus bij het derde (of vierde?) glas stond ik op en nam het woord. Omdat hier niemand Engels sprak buiten de Israëliërs (en daar deed ik het niet voor) kon ik net zo goed in het Nederlands praten: “Nou vooruit, een toast op Svaneti dan maar! Het mooiste stukje van het land. Op Beso, Gheorghe, toffe peren. Dat we maar een mooie tijd zullen hebben in Svaneti, want daar is ‘t te doen!”

Erg kort voor een toast, maar dat was waarschijnlijk niet de reden dat een tafel vol Georgiërs me stomverbaasd aankeek. Er werd nog wat nagepraat maar toen gingen dan toch de glazen omhoog. “Gaumarjus!”, op z’n Svanetisch uitgesproken en achterover die glazen sterke drank. Ik drong er bij Gheorghe op aan toch vooral zijn glas te legen. Hij zat aan zijn taks, er waren steeds meer afhakers, maar we kregen de fles leeg. Moeizaam verliet iedereen de bar. Ingeklemd in een hoek kon ik het vertrek pas als laatste verlaten, bij de deur opgewacht door Beso en Gheorghe. Ze lieten me niet door; de rest zat al in de bus. Ze schatten me zo te zien nog eens goed in, waarna Beso me stevig tegen zijn borst drukte en me op de wangen zoende. Gheorghe keek plechtig en herhaalde het ritueel. Inburgeren gaat hier een stuk sneller dan in Nederland, zeker met namen als de onze. Beso is een afkorting van Vissarion. Joost kennen ze niet, dus legde ik uit dat het van Jozef komt. “Josif!”, riepen Beso en Gheorghe verheugd uit. Josif Vissarion Stalin is in dit land nog altijd een graag geziene gast. Ik had mijn naam mee, toonde mijn liefde voor de nationale drank en had in de bus voorzichtig al wat woordjes Kartuleni gesproken. Het was officieel – ik was hun vriend.

Na zoveel chacha viel pas goed op wat voor vervelende rotweg dit was. In het begin kon ik gelukkig nog even wegdommelen, later werkte het enthousiasme van Beso en Gheorghe aanstekelijk. “Inguri!”, riepen ze uit zodra het busje de loop van deze rivier begon te volgen. “Ushba!”, klonk het bij het weerzien van deze witte reus die boven Svaneti uittorende. Hoe ruig deze streek ook was, gedachten aan gewelddadige overvallen werden in de nu ontspannen sfeer naar de achtergrond gedrongen. Tot er plotsklaps een met een kalashnikov bewapende, geheel in zwart geklede man uit de schaduw van een boom de weg op sprong. “Halt!”, luidde zijn commande. Geschrokken probeerden we ons achterin het busje onzichtbaar te maken, maar de man had ons natuurlijk allang gezien. Er werd druk onderhandeld voorin het busje. Tot onze verbazing reden we door, met onze kleren nog aan en de lari’s nog in de portemonnee. “Wat was dat?” probeerde ik. “Oh, politie,” wuifde Gheorghe het voorval weg. Ja ja. Als die kerel een politiebadge had, dan had ie die met behulp van zijn kalashnikov bemachtigd.

Na vier uur desolate bergwegen bereikten we Mestia, het hoofddorp van Svaneti. Ik wilde naar Stalin 7, waar een geïmproviseerd VVV moest zitten. Het zei niemand iets. De Israëliërs wilden zo snel mogelijk het busje verlaten om in guesthouse Nino Ratiani te overnachten. Op het moment dat de deur van het busje werd dichtgeslagen boden Beso en Gheorghe ons aan bij hen te logeren. Ratiani was ook maar zo zo. In het centrum hielp ik nog even mee om de zakken aardappelen en kratten bier uit te laden waarmee het plaatselijke winkeltje werd bevoorraad, waarna we doorreden naar het huis van Emzari en Luda aan het eind van het dorp, achter het vliegveldje, waar de twee de komende maanden zouden verblijven. De zes kinderen die aan kwamen rennen hadden nauwelijks oog voor de al half gesmolten ijsjes; ze waren veel te blij hun vaders weer te zien. De vrouwen van Beso en Gheorghe, Inga en Baia, spraken wel Engels. Onze slaapkamer bood uitzicht op Ushba, maar daar mochten we niet van genieten. Als gasten moesten we eten: aardappelen, kaas, tomaten, komkommer, pittige kruidenpasta, bosuitjes, bonen-kruidenpuree, zelfgemaakt brood en veel koriander. En eigen wijn, want hier moest op gedronken worden.

De vrouwen redden me van de drank, maar pas de volgende ochtend. Nog voor het ontbijt werd ik de tuin ingelokt om wijn te drinken met Gheorghe en Emzari, het kleine, door de zon gebruinde mannetje dat hier de dienst uitmaakte. Wat de vorige avond nog onmogelijk was kon nu ineens wel: met een Lada Niva naar Ushguli. Van de prijs schrikken we een beetje – 150 lari is toch bijna 70 euro, maar zo vaak zijn we hier niet in de buurt. Ushguli, op 2200 meter hoogte, moet tjokvol eeuwenoude verdedigingstorens staan. Alternatieven zijn er niet, want openbaar vervoer is hier non-existent en wie lift betaalt minstens evenveel als voor een taxi. Bovendien was chauffeur Vasili een vriend van onze gastheren en daarmee betrouwbaarder dan een wildvreemde, ondervonden we. Nadat er twee emmertjes benzine in de Niva waren gekieperd klampte een toerist met irritante, lijzige stem ons aan. Eva zou het nog geen twee minuten met hem uithouden, liet ze na het korte gesprek haar frustraties de vrije loop. De man was ten einde raad, waar wij hem ook lieten, omdat zijn vervoer naar Ushguli hem in de steek liet. Vasili had al even weinig geduld met hem, gaf een sloot gas en liet Mestia achter zich.

Skhara (EH)
Via de slechte, steile keienweg opende het schitterende Kaukasische landschap zich voor ons. Achter Ushba rees de eerste vijfduizender aan de horizon – Tetnuldi. Overal om ons heen rotsen; de weg slingerde oneindig door de vallei. Verlaten dorpjes lagen op onmogelijke plekken tegen onbereikbaar ogende berghellingen gedrukt. De hoofdweg dwars door Svaneti werd zo weinig bereisd, dat hij plaatselijk zelfs met een hek was afgesloten. Waarom een omheining bouwen als je een stuk weg met twee hekjes af kunt zetten? Het vee kon met de wild razende Inguri aan één kant en de kaarsrechte bergwand aan de andere zijde geen kant op. Ik moet wel toegeven dat ik meer van de verlatenheid genoot toen we nog geen lekke band hadden. Het geluid vertrouwde ik al niet en na een tijdje wilde ook Vasili poolshoogte nemen. De rechterachterband was finaal aan gort.

Eva vond het waarschijnlijk geen vrouwenwerk om het wiel van een Lada Niva te verwisselen zonder krik, dus zij wijdde zich weer aan het fotograferen. Bleven over drie personen om de Niva op te tillen en één om het wiel te vervangen. Da’s flink zweten met zo’n landklimaar. Met een verdachte reserveband ratelden we even later weer over de stoffige keien. Bij elk huis vroeg Vasili naar nieuwe banden, maar hoewel de Niva hier het vervoersmiddel bij uitstek is telkens zonder succes. Het mocht de pret niet drukken en Beso en Gheorghe deelden met veel genoegen de filmpjes die ze op hun mobiele telefoons hadden. De appetijtelijke dames van het Russische Viagra veranderden het kleine apparaatje in een ware ghetto blaster.

Dan, na uren heen en weer geschud, ineens een verzameling oorlogstorens. En een bus toeristen. Hoe kwamen die nu weer hier? Ushguli klinkt niet alleen als een verzinsel uit de grote duim van Tolkien, maar ziet er ook zo uit. Hoge, zwarte torens met minuscule raampjes hielden hier samen de wacht. Op de achtergrond stak vijfduizender Shkhara wit af tegen de strakblauwe lucht. Zag er leuk uit en dat wist de plaatselijke bevolking. Wie de moeite had genomen om vanaf de laatste grote stad, Zugdidi, zes uur diep Svaneti binnen te dringen, hield de lari’s hier vast niet in de broekzak. We deelden onze lunch met Beso, Gheorghe en Vasili voor we twee paarden huurden. De twee begeleiders zaten helaas bij de prijs in, maar wie klaagt er over het enigszins lachwekkende uiterlijk van twee studernten met een vakantiebaantje als je zo’n uitzicht hebt? Te paard ging de reis richting de gletsjer die zich onder Shkhara uitstrekt, maar die kregen we uiteindelijk niet te zien. Van boeven met pistolen hadden we geen last, ook niet toen de paarden rust nodig hadden en wij te voet een stuk verder gingen.

Terug in Ushguli liepen we met Beso tussen de oude stenen huizen, modderpoelen en varkens. Alle landen die onder de Russische invloedssfeer stonden kenden het al, maar nu leerde ook ik het gebaar dat voor sterke drank staat. Het hoofd schuin gehouden, met mijn vingers tegen de hals tikkend vroeg ik of dit iets met chacha te maken had. Jazeker, lachte Beso, die de flessen vanavond graag tevoorschijn zou halen. Hoe laat we ons precies konden bezatten was nog even spannend: het benzinelampje van de Niva brandde twee uur lang vervaarlijk. Tanken kon niet in Ushguli en tussen de hoogste permanent bewoonde nederzetting van Europa en Mestia in al helemaal niet. Vasili dacht het op twee emmertjes net te kunnen redden, maar gaf toe zich steeds meer zorgen te maken. Eerlijk van die meneer. Na twee uitgeputte toeristen (wandelend naar Ushguli, want liften was niet gelukt) en een pauze bij een lieflijk meertje reed de Lada aan het eind van z’n krachten Mestia weer binnen.

‘s Avonds volgde een orgie van drank. Dat de Georgiërs het toastspel niet helemaal zuiver speelden had ik met de bodempjes tot halve glazen die achterbleven al opgemerkt. Het drinkverraad ging echter verder. Eén toastleider voert tijdens de gehele alcoholische uitspatting het woord. De (mannelijke) gast wordt geacht mee te drinken; andere Georgiërs wekken de schijn dit ook te doen. In werkelijkheid verzinnen de andere disgenoten aan de lopende band smoesjes om even geëxcuseerd te worden. Toiletbezoek. Er staat nog een pan op het vuur. Even sigaretten halen. De kat is net aan ‘t jongen. De kalashnikov poetsen. Intussen ging het bij mij en Gheorghe, die de toasts uitbracht, twee keer zo hard. Wij namen geen pauze. Een rondje overslaan behoorde simpelweg niet tot de mogelijkheden.

“Laten we drinken op de vrouwen die dit heerlijke maal hebben bereid!” Prima reden wat mij betreft. “Laten we drinken op het openstaan voor andere culturen!” Met zoveel chacha? Graag! “Laten we drinken op vrede, niet alleen hier in de roerige Kaukasus, maar op de hele wereld!” Sympathiek. “Laten we drinken op het vermogen taalbarrières te slechten, op onze vriendschap die zich niet laat weerhouden door grenzen!” Goed, ik drink wel mee. “Laten we drinken op de hoofden van onze families, op hen aan wie wij zoveel danken!” Nou opa, Eersel is wel een eind rijden vanuit Svaneti, maar we denken aan je. Op Emzari Gerliani en Emiel Smets dus. “Laten we drinken op onze gestorven voorouders!” Poeh, ik kon eigenlijk niet meer, maar nu afhaken kon ik niet maken tegenover mijn andere opa. En oma. We goten wat chacha op de houten vloer, wat over het brood, tomaten, kruidenpasta. Nu was echt alles van alcohol doordrenkt. “Laten we drinken op jullie toekomstige kinderen!” Jij bastaard. Ik wilde niet meer, maar ik moest hierop drinken. Gaumarjos. Dat onze kinderen groot, sterk, mooi en gelukkig mogen worden.

Mestia vallei (EH)

Gheorghe was ingestort. Hij was verdwenen. Tijd voor de volgende fase van het ritueel. De eerste Georgiër was afgevallen; Beso nam de rol op de praatstoel over en het drinkgelag werd voortgezet. Alles draaide inmiddels, het drinken ging door. Ik herinner me Beso, omhelzingen, nog meer toasts, een bijna lege tafel, een even leeg landschap wanneer we in de bergnacht buiten staan. Oneindig veel sterren; ze bewegen allemaal. Natte voeten in het stroompje in de tuin, stemmen die van erg ver komen. En dan met ongekende kracht een hoeveelheid chacha die mijn lichaam veel te veel is en nu naar buiten moest.

De vrouwen hadden alles opgeruimd met een vakkundigheid die oefening in dit soort taferelen deed vermoeden. Ze waren er eerder vrolijk dan kwaad of beledigd over. Niet dat dat iets aan mijn toestand veranderde. Zelden heb ik zo’n indrukwekkende kater gehad. Moeizaam strompelde ik de keuken in. Beso zag er ook beroerd uit. “Eén chacha ‘s ochtends helpt tegen de hoofdpijn.” Hij moet ontzettend veel koppijn hebben gehad, want al snel tikte hij de derde achterover. Zelf had ik moeite genoeg met water. Als zombies schuifelden we in de felle zon met de vrouwen en kinderen mee naar het historisch museum. Deze dag mocht snel voorbij zijn, wat mij betreft. In het museum, dat zijn toegangskaartje niet waard is, ontmoetten we Ian uit Engeland. Via mail hadden we al gesproken; ook nu volgde een gesprek zonder oogcontact. Voorovergebogen zittend en met mijn hoofd volhardend naar de grond gewend hoorde ik zijn plannen over Abkhazië aan. Ik strompelde nog even met Ian door het museum, liet hem de inderdaad wat armetierige collectie afzeiken en sprak met hem af het later nog eens te proberen.

Het ging niet goed met Beso. Zelf was ik weer wat opgeknapt toen we even gingen zitten op een picknickplek aan de wild schuimende Mestia. Ik lustte zelfs alweer een perzik. Beso klaagde daarentegen steeds harder. Met recht, want hij moest ‘s avonds alweer aan de sterke drank – ik ben daar niet mans genoeg voor en sloeg een dagje over. Door verlaten Mestia sjokten we in de brandende middagzon naar de familietoren. Elke van oorsprong Svanetische familie heeft een eigen oorlogstoren om in te schuilen in tijden van nood. Nu zijn de meeste niet meer dan bouwvallen. Ook van het dak van deze toren was weinig over. Inmiddels was ik weer snel genoeg om een hagedis te vangen. “Khvliki, khvliki!”, riepen de jongens, met een mengeling van angst en fascinatie in hun ogen. Bij de vervallen familietoren bezochten we nog een ander oud huis. Zwartgeblakerd houtsnijwerk, heerlijke koelte. En natuurlijk kostte het geld, zoals alles hier.

Toen de herstelwerkzaamheden in mijn hoofd en spijsverteringsstelsel waren afgerond, hadden we nog één dag in Svaneti. In alle vroegte vertrokken we in de richting van de gletsjer waaruit de rivier Mestia ontsprong. Samen met Beso, Gheorghe en hun twee oudste zoontjes volgden we de moddergrijze wildwaterrivier. Na het door de Amerikanen gecontroleerde vliegveldje en het huis van de familie liep het dorp snel ten einde. Het voor Oost-Europese normen zo onkarakteristiek vroege vertrek werd verklaard door de vishengel die werd meegesleept. Al snel stonden we bij het pad tussen de naaldboompjes te wachten terwijl Gheorghe verwoede pogingen deen tien meter onder ons iets aan de haak te slaan. Vissen werden er niet gevangen; hagedissen en slangen zaten er wel.

Na een stevige wandeling bereikten we een punt waar de rivier zich in tweeën splitste. Een wankel ogende hangbrug liep naar de overkant, waar een huisje vanaf een hoge rots de vallei overzag. Beso wilde niet oversteken voor hij een reactie van de overkant kreeg. Na enkele malen roepen verscheen er een soldaat die met Beso kwam overleggen. We mochten oversteken, maar dit leek wel een grenscontrole. De soldaten hadden een mooi plekje uitgekozen voor hun observatiepost. Omringd door hoge bomen (en bergen sigarettenpeuken), een idyllisch uitzicht over rivier en bergen en met houten picknicktafel buiten het huisje. Bij het huisje zelf stonden zonnepanelen, want wat viel er hier behalve playstation spelen ook te doen, de hele dag? Onze paspoorten werden ingenomen, namen overgezet in het Georgisch schrift en er werd chacha gedronken. Gruwelijke, naar verfverdunner smakende chacha. “Deze is uit brood gedestilleerd,” luidde de verklaring. Een oud brood gistte wekenlang in water. Die troep werd opgejaagd tot een procent of veertig, minimaal, waarna het gretig werd ingenomen in een poging het gezichtsvermogen aan te tasten.

Zonder de kinderen liepen we verder door een leeg steenlandschap. Hoger en hoger voerde het pad, tot we uiteindelijk voor de gletsjertong stonden. Het viesgrijze ijs vormde een boog over de kolkende Mestia. “Loop niet te dicht onder de gletsjer door,” waarschuwde onze reisgids. “Vallende rotsblokken zorgen hier voor onthoofdingsgevaar.” Hmmm, reisgidsen van andere landen waar we heengingen hadden het nooit over onthoofding. Inderdaad rolden er van tijd tot tijd steentjes en stenen omlaag om de diepte in te tuimelen.

Terug in Mestia leerde ik de kinderen flessenvoetbal spelen. Juichend schudden ze omgevallen flessen leeg tot de bal weer werd teruggebracht. Eerder had ik al rugby met ze gespeeld, met een plastic mok in plaats van een bal. Geweldig dat zelfs kleine kinderen zoiets in dit rugbygekke land meteen begrepen en automatisch in een diepe lijn gingen lopen. Een lachende Beso voetbalde met de kinderen mee, om daarna nog penalty’s te nemen met de oude Emzari. Opa liet zich niet eenvoudig verschalken. Loeiharde poeiers vlogen rakelings langs onze oren, verderop in de tuin. Dit waren dus de beruchte rovers uit Svaneti.

Pas later die avond raakten we geld kwijt. De vrouwen vroegen geld voor ons verblijf, tot grote woede van Beso. Wij hadden toch wat willen geven als ze er niet om gevraagd hadden, maar een verontwaardigde Beso was in zijn trots gekrenkt. Vrienden laat je niet betalen. Met vrienden drink je. Aangezien alle goeie chacha en ook de wijn en het bier inmiddels door ons waren opgezopen (met bier mag je trouwens toch niet toasten – dat doe je alleen met je vijanden), was er alleen nog broodchacha in huis. Als het aan mij had gelegen had ik het liever bij alleen betalen gehouden, maar er moest en zou gedronken worden. We omhelsden elkaar, toastten nog een laatste maal op het een en ander en gedroegen ons flink. In zeker opzicht is Svaneti dan misschien toch een gevaarlijke streek, maar als er weer iets anders te drinken is zou ik er best nog eens heen willen.

Vrolijk getinte misère
Een Abkhazische vluchteling gaat snel vervelen

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*