Gedonder aan de Bosnische grens

“Hoe kun je iets in die winkel kopen?” liet een vertwijfelde Laslo zich ontvallen over het chaotische levensmiddelenwinkeltje in Perućac. “Nou, ik zei gewoon ‘Dobre jutro, žatem na kuplim mleko i jogurt,’” legde ik hem uit. Dat ik daarna door de mand viel toen ik uit twee soorten melk moest kiezen zei ik er maar niet bij, maar met mijn tweededags-Servisch oogstte ik grote ogen van Olivera en Laslo. Ja, je moet toch iets met je tijd als je elke dag al voor zevenen wakker wordt dankzij je lieve dochtertje. Haar in de rugzak stoppen, boodschappen doen en je talen wat bijschaven. En opa’s, oma’s, stoere jongens en tienermeisjes vriendelijk toelachen. Werkelijk iedereen liet zich gaan bij het zien van een baby in rugzak.

Over asfalt vol gaten en gevaarlijke hoogteverschillen reden we het uiterste puntje van National Park Tara in, aan alle zijden ingesloten door Bosnië. Of Republika Srpska, zoals sommige Serviërs bij hoog en laag volhouden. Vanaf Predov krst was het gedaan met de gaten in het asfalt, want hier lag alleen nog grind. Nu we alleen de eerste en tweede versnelling nog hoefden te gebruiken konden we meer genieten van het uizicht, zoals vanaf Bilješke stene over de endemische Servische spar (Picea omorika) en de Drina, die hier de grens met Bosnië vormde.

Wat we niet voor mogelijk hielden gebeurde toch: de weg werd slechter. Grind heeft als voordeel dat vreemde putten en verraderlijke randen zoals bij asfalt ontbreken. Daarmee heb je gelijk alle voordelen gehad. En dan reden we ook nog verkeerd. Langzaam, dat wel, maar toch verkeerd, zodat we in Jagoštica belandden. Een gehucht waar de school had moeten sluiten, vol hooibergen, golvende bergweiden en mensen met hooivorken. Iedereen die nog twee benen had hielp hier in de brandende zon op het land. Recht voor ons wachtte een enorme bergwand: de natuurlijke grens tussen de beide buurlanden zag er onneembaar uit. Onder ons meanderde de Drina, blauwgroen ingesloten door een indrukwekkende kloof van honderden meters hoge muren.

De Drina, nu nog bij helder weer (EH)

Zo sprookjesachtig als de tint van de rivier was, zo angstaanjagend was de kleur van de zware wolken die zich boven Tara opeen pakten. Venijnige bliksemschichten doorkliefden plots een gitzwarte lucht – en de auto stond te ver weg. Een gordijn van regen naderde sneller dan we konden lopen, maar een oud vrouwtje wierp zich op als onze redster. “Kom snel binnen!” riep ze Olivera toe en snelde voort over modderpaadjes naar een sober hutje waar we precies op tijd aankwamen.

Een halve minuut later en we waren doorweekt geweest. Die laatste constatering bleek voorbarig toen een windvlaag het raam open rukte. In een reflex sprong ik erop af om beide helften weer dicht te trekken, maar de storm liet zich zo eenvoudig niet bedwingen. De ramen werden losgerukt uit mijn handen en ook de deur vloog open, alsof het ding behekst was. Regenvlagen stormden horizontaal door het hele huisje heen; door het raam naar binnen en door de deur weer naar buiten. Hagelstenen zo groot als eieren poogden het houten hutje te doorboren, maar met een nieuwe poging kreeg ik het inmiddels half gesneuvelde venster toch dicht. Met een kussen ter vervanging van het gebroken glas wachtten we in het donkere, naar schapen en kaas riekende kamertje tot de storm zou gaan liggen.

De elektriciteit was uitgevallen. Het verraste me een beetje dat dit huisje überhaupt over elektriciteit beschikte. We leken honderd jaar terug in de tijd te zijn gereisd. Gastvrouw Zorga haalde een klein leren tasje tevoorschijn waarin een stapeltje foto’s haar levensverhaal samenvatte: vooral woest bebaarde Serviërs en jonge knapen in legeruniformen met antitankwapens. Zorga kwam met eigengemaakt brood, kajmak en rakija. Geen toeristenbureau dat zoiets kan organiseren. Een paar rakija’s later was het min of meer droog. Omgewaaide bomen blokkeerden het enige pad naar dit deel van Jagoštica. Laslo en ik hielpen een besnorde dorpsbewoner het pad weer begaanbaar te maken – niet dat onze inspanning hem lang bij zou blijven. Zo te zien had de beste man al aardig wat rakija op. “Hoe is het trouwens met die boom afgelopen?” zouden zijn maten hem vanavond in de bar wel vragen. “Je ging hem daarstraks weghalen – is ie van het pad?” Ja, van rakija word je sterk.

Geen toeristenbureau dat zoiets kan regelen (EH)

We haalden nog maar een boom weg, nu we toch bezig waren. De echte problemen begonnen pas toen we in een nieuwe stortbui de auto bereikten. Ongelofelijk – de weg was nu nóg slechter. Af en toe stapte ik uit, de regen in, om grote stenen aan de kant te gooien. De remmen begonnen aardig te stinken, maar langzaam naderden we Predov krst en de min of meer geasfalteerde weg, waar we een dronken man nipt konden ontwijken. We waren niet de enigen die het nuttige met het aangename hadden gecombineerd. Živelje!

Voor degenen die zich afvragen waar alle afgedankte Golf 2’s uit West-Europa zijn gebleven: dat is dus in Servië. Schijnbaar gaat er met het omzetten van de APK-rapporten in het Cyrillisch zo nu en dan iets mis, want hier mochten ze gewoon de weg op. Zo overzichtelijk als ’s lands wagenpark is met de al eerder genoemde Niva’s, Zastava’s, Yugo’s en dus ook de Golf 2’s, zo verwarrend zijn de stickers achterop de auto’s. YU, SCG, SRB… er was geen touw aan vast te knopen. Met het invullen van formulieren was het niet anders, volgens Laslo. Geboren in Joegoslavië, rijbewijs gehaald in Republiek Servië en Montenegro, afgegeven in Servië. Nog niet alle problemen op de Balkan waren dus opgelost. Zo kon je je trouwens ook beter niet met een kentekenplaat uit Beograd in Split vertonen. Dan wilde er nog wel eens een verdwaalde steen tegen je auto belanden.

Onze laatste dag samen met Olivera en Laslo werd een rustige. We reden naar het Rača-klooster en liepen vandaar naar de bron van de Laćevac, door smaragdgroen loofbos vol bemoste watervalletjes en geschrokken wegrennende hagedissen. En Serviërs die de barbecue al aan hadden gestoken, uiteraard. Slobodan uit Beograd wilde graag met ons praten en bood ons varkenslapjes en ćevapčići aan. Eigenlijk zonde om daarna nog naar een restaurant te gaan, waar de helft van de menukaart wederom puur decoratief was en de Oost-Europese traditie van een prachtige setting combineren met waardeloze service in ere werd gehouden.

Na Tara wilden we verder naar het oosten. Van de ene kant wel jammer, nu we vlak bij Bosnië zaten. Olivera en Laslo waren van plan Višegrad te bezoeken en Laslo vertelde op samenzweerderige toon over de recent in Bosnië ontdekte piramides – mogelijk ouder dan die in Egypte. Merkwaardig dat zoiets de headlines in ons land niet gehaald heeft, maar het leverde bij thuiskomst een amusant half uurtje lezen op, met dank aan Wikipedia. Bosnië bewaarden we voor een andere keer – met de piramides uiteraard op het verlanglijstje – en we vertrokken richting vrijstaat Užice. De levensduur van dat projectje bleef bij 67 dagen en daarmee hoefde Užice gelukkig niet bezocht te worden tijdens de Kleine Landen Tour.

Kloosters - erg belangrijk, volgens de Serviërs (EH)

Nu ook niet, al was het groteske communistische kunstwerk langs de weg hoog boven de stad onvermijdelijk. Toch zie ik liever blokken beton dan de nationalistische graffiti ‘Šešelj voor president’, waar we even later op werden getrakteerd. Door de vallei van de Moravica reden we naar het klooster van Studenica; één van de voornaamste heiligdommen van Servië. Een klooster dat erg afgelegen lag, maar niet te afgelegen voor nieuwe hordes babyfans. Ilva werd weer gekust, opgetild en geknuffeld. Met een 12e, 13e en 14e eeuwse kerk binnen een ovale ommuring konden we kiezen, maar Bogorodičina crkva was met zijn vreemd gespikkelde fresco’s het interessantst. Elk fresco was vergeven van talloze kleine gaatjes – gaatjes waar de Ottomaanse bezetters plakgum in hadden gestopt om posters die ze leuker vonden over de religieuze afbeeldingen te hangen.

Van Studenica naar Ušće aan de grote weg was het nu nog maar twaalf kilometer. Twaalf kilometers die verder lijken tegen de tijd dat je er eindelijk bent, volgens de auteur van de Bradt-gids. Ha, Laurence Mitchell is duidelijk nooit in Jagoštica geweest. Vergeleken met die negen kilometer over gaten en bulten was dit een lachertje. Bovendien waren wij over de drie keer zo lange weg vanuit het westen naar Studenica gereden. We slingerden nog even door, naar het op 1770 meter hoogte gelegen Kopaonik, in het gelijknamige Nationaal Park. De troosteloze sfeer van het skioord werd versterkt door de vochtige mist en het feit dat er midden in de zomer maar tien gasten in ons op 300 personen berekende hotel verbleven.

Het was koud in Kopaonik, op nog geen vijf kilometer met de grens van Kosovo – toch nog een beetje een probleemgebied, getuige de krantenkoppen. Deze week werd er beslist of de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in 2008 rechtsgeldig was geweest. President Boris Tadić bleef volhouden een oplossing via politieke wegen na te streven. Patriarch Irinej van de Servisch Orthodoxe Kerk gebruikte iets andere bewoordingen. Op landkaarten viel hier steevast ‘Kosovo i Metohija’ te lezen, om de Servische oorsprong van het gebied te beklemtonen. Vooral de gelovigen hebben grote moeite zoveel kloosters van historisch belang in handen van de islamitische of – god verhoede het – atheïstische Albanezen te zien. Op weg naar Markov kamen, een verzameling reusachtige zwerfstenen verscholen in de mistige bossen, leek de hele problematiek lichtjaren van ons verwijderd. Hier kabbelden beekjes en ruisten de bladeren van de bomen.

Radioactief, dus gezond
Eindelijk weer een echt boevenland

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*