Geen bergen, mijn reet!

We werden door iedereen raar aangekeken. Zelfs in de hoofdstad Chişinău waren ze geen toeristen gewend. Ook zonder rugzak was ik eenvoudig als buitenlander te herkennen: ik was de enige jongen die lang haar had en boven de 1,80 meter uitkwam. Eva kon met een beetje goede wil en een hoofddoekje nog voor Russische doorgaan. De enige buitenlanders die zich hier waagden waren er voor zaken.

Onze eerste zorg was registratie bij de politie. Iedereen die Moldavië bezoekt moet zich binnen drie dagen melden. De Russisch sprekende dames op het kantoor kwetterden liever dan dat ze werkten. Ombeurten pasten ze een door één van hen gemaakt korset. Het leek ons verstandiger na anderhalf uur van het ene kamertje naar het andere gelopen te hebben paspoorten en informatie achter te laten en later terug te komen.

Voor sommigen niet goed genoeg (EH)

Met onze tijdelijke verblijfsvergunning later die middag op zak namen we de maxi-taxi naar het centrum van de stad. Ştefan cel Mare was hier duidelijk een grote jongen. Hoewel slechts 1,50 meter van postuur was dit idool van Moldavië vroeger voievode (een origineel woord voor prins) van zowel dit land als Roemeens Moldavië. Zijn wapperende haren en unificatiedrang vonden vandaag de dag weinig navolging, maar elke kerk was getooid met zijn beeltenis. Zo ook het kleine kerkje op het beroemde-mensen-kerkhof. Hier lieten dichters, musici, hoogleraren en vooral veel militairen zien hoe goed ze tijdens hun leven geboerd hadden. Grote zerken of levensgrote portretten op grafstenen waren voor sommigen niet goed genoeg. Als je iemand was in Chişinău liet je toch minstens een standbeeld van jezelf maken.

Een medewerker van de kerk zag ons geïntrigeerd over de begraafplaats rondwandelen. Hij nodigde ons uit onder de kerk af te dalen in de catacomben. Hier lagen de allerbelangrijkste personen. De meesten lagen gebalsemd achter glazen deurtjes, sommigen met het haar nog aan de schedel. Elektriciteit was er niet, maar vier kaarsjes die we met ons meedroegen boden een passende sfeerverlichting. Het zal velen teleurstellen, maar Eva fotografeert niet graag lijken. Zoals met de meeste belevenissen die ik opteken blijft het dus bij een onverifieerbaar verhaal.

Het boodschappenlijstje waar we het centrum mee in gingen werd alras korter. Vind je zelfs in de nieuwste editie van de Lonely Planet nauwelijks uitnodigende informatie over Moldavië, hier vonden we in de eerste de beste boekwinkel een rijk geïllustreerde toeristische landkaart. Hierop waren alle kloosters (17), kastelen (3) en andere bezienswaardigheden overzichtelijk aangegeven. De summiere tekst onder de kleurenfoto’s was zelfs in het Engels vertaald. Hier zouden ze bij Stap voor stap in Nijmegen toch meer dan € 1,40 voor vragen. De tweede benodigdheid, de nieuwe cd van ethno-rockband Zdob şi Zdub, was moeilijker te bemachtigen: 450 de oi (450 schapen) was een hit en vrijwel overal uitverkocht. Na lang zoeken vonden we in een zaak het laatste exemplaar voor ruim drie eurootjes. Collectie compleet. Boodschap numero drie, het epileptische aanvallen oproepende nationale voetbaltricot, was iets waar de ganse bevolking zich klaarblijkelijk diep voor schaamde. Ik moet me dus tevreden stellen met de felgele Roemenië replica die thuis in de doos met verkleedkleren ligt.

Orheiul Vechi (EH)

Onze reis door onontdekt Moldavië begon de volgende dag pas echt. Chişinău was per trein bereikbaar, maar dat bleek een unicum in dit land. Sommige plaatsen waren per bus te bereizen, maar dat gold niet voor al onze beoogde doelen. Allereerst wilden we naar het 13e-eeuws kloostercomplex van Orheiul Vechi. In die tijd, lang geleden, was er in Moldavië vast nog minder te beleven dan vandaag de dag. De belangrijkste bezigheid van mensen uit die tijd leek te bestaan uit het uithakken van ruimten in rotsen. Waar je maar zin in hebt, maar dat zullen sommige mensen ook wel van onze onderneming denken.

Hoewel schitterend gelegen op een rotsmuur in een S-bocht van de rivier Răut en één van de oudste kloosters van het land was ook Orheiul Vechi (spreek uit Orchéjoel Vek) geen toeristische attractie. We moesten niet de bus naar industriestad Orhei pakken, maar de één-keer-per-dag-bus naar het dorp Trebujeni. Dit lag ver van Orhei en redelijk dicht bij Orheiul Vechi dat bij het dorpje Butuceni lag, wat dan weer alleen per bus met Orhei in verbinding stond. De mensen in de bus stelden zich niet bepaald vriendelijk op tegenover Stas en Anna die vroegen of er nog plaatsen vrij waren en de chauffeur waarschuwde ons niet bij onze halte. We werden meteen met een snelcursus klaargestoomd voor het reizen per openbaar vervoer in Moldavië.

Laat in de middag liepen we met onze rugzakken door de vallei van de Răut. Waar het land tot dan toe redelijk glooiend maar weinig spectaculair was geweest opende zich vlak voor Trebujeni een indrukwekkend berglandschap. Steile, eroderende wanden rezen boven de Răut uit. Op een hoge rotsheuvel binnen één van de scherpe bochten van de rivier was een geelwitte kerk al van ver zichtbaar. De rotsformaties onder de kerk waren geperforeerd met tientallen gitzwarte gaten. Hiervandaan hielden de volgelingen van Ştefan cel Mare meer dan 700 jaar geleden de vallei in de gaten. Bezoek van de Tartaren kwam altijd onverwacht en ongewenst.

Dit is niet het goede alfabet (EH)

We daalden een brede, stenen trap af naar het onderaardse klooster alwaar een monnik met grijze piekbaard en dito lange haren ons welkom heette. Hij sprak een paar woorden die vaag aan de Engelse taal deden denken (‘oithquick’ herkende ik als ‘earthquake’) en was daar erg fier op. Hij liet ons de slaapvertrekken van de monniken zien: lage, kille hokken tussen muren van rotswand. Aan de vele schelpen in het plafond was te zien dat Moldavië vroeger zee was geweest. De kloosterorde was erg rijk geweest. Dat was niet alleen te zien aan het feit dat de door mensenhanden gemaakte grotten zich over een afstand van honderden meters uitstrekten, maar bijvoorbeeld ook uit een grote pot zilveren munten die hier was gevonden en nu in een museum in Chişinău te bezichtigen was. Volgens de legenden lag er ergens voor het klooster ook nog een kar vol goud begraven. De Turken beweerden een kaart in hun bezit te hebben met de exacte locatie. Voor de helft van de buit wilden ze de kaart gemeenschappelijk goed maken, maar de Moldaviërs zijn een trots volk en verkiezen liever geen goud boven ook maar één goudstuk in Turkse handen te zien.

Beneden in Butuceni vulden we een emmer water voor de monnik. In elk Moldavisch dorpje waren wel enkele putten te vinden: het water was hier drinkbaar en kostte niets. Achter helderblauwe of groene deurtjes bevond zich telkens een emmer aan een ketting. Een stuk beter dan het met chloor gezuiverde Nistru-water dat ze in Chişinău dronken. Niet alleen de waterputten, maar ook de hekwerken, poorten en huizen zelf droegen vrolijke blauwe en groene kleuren in de dorpen op het platteland. De met stenen muurtjes afgezette tuinen in Butuceni deden erg Grieks of Albanees aan. Zo hadden we ons de Sovjetunie toch niet voorgesteld.

Vanaf de t-splitsing tussen Trebujeni en Butuceni zou morgen om zeven uur ‘s ochtends een bus naar Orhei vertrekken. Onderweg hierheen lachten we om het bord waarop de toegangsprijzen voor een museum over Orheiul Vechi te lezen waren. Buitenlanders betaalden twee keer zoveel als Moldaviërs. Een beetje zonde van het geld om hier een bord voor te maken. De eerste buitenlander moesten we nog tegenkomen. Die buitenlanders konden hier trouwens wel hun eigen bier kopen: waar in Roemenië Grolsch en Hoegaarden worden verkocht haalden we hier twee liter Oekraïens bier. Duur (€ 1,40), maar exotisch ogend met al die rare lettertjes. Later die week beseften we dat we een onzichtbare grens waren overgestoken. Hier kwamen de toeristen uit het oosten, niet uit het westen.

Moldavische dorpjes - mooier dan Moldavische steden (JS)

Het gezelschap van Stas en Anna leek een kort leven beschoren te zijn. Nadat hun old-school tent in het kruidenveld was opgezet kreeg Stas een acute aanval van hooikoorts. Met zijn opgezwollen oogleden zag hij eruit als een Mongool of een Chinees. Enkele jongens uit Butuceni vertelden waar ze een dokter in Trebujeni konden vinden. Twee uur en een paar injecties in de billen later kwamen onze vrienden terug. De tent werd verplaatst naar de andere kant van de weg waar een frisse wind uit het dal van de Răut kwam blazen. Het was nu afwachten of de dagelijks door Anna aan te brengen injectie het gewenste effect zou hebben.

De volgende ochtend zag Stas er alweer een stuk Moldavischer uit. We besloten het erop te wagen en kochten in Orhei nieuwe hooikoortsmedicijnen. Hierdoor stond ik in mijn eentje met alle bagage op de bus naar Rezina te wachten. Zonder tickets. De bus was ruim op tijd, maar nog altijd geen Anna, Eva of Stas. Een deel van onze bagage werd door de chauffeur al achterin de opgevoerde maxi-taxi gepropt, terwijl de passagiers het vehikel binnen bleven drommen. Door de met stuifzand geblindeerde ramen zag ik de oudjes met hun dozen vol kuikens al tegen elkaar gepropt staan. Ik begon de hoop dat we hier nog bij pasten snel te verliezen en de chauffeur had er helemaal weinig vertrouwen in. Onze bagage werd eruit gehaald om plaats te maken voor stevige geruite plastic tassen. Jammer van de kaartjes.

Anna, Eva en Stas kwamen net op tijd terug om het verhaal uit de mond van de chauffeur te horen. Als we niet meteen paraat stonden met onze kaartjes hielden de bejaarden zonder tickets echt geen rekening met ons. Een half uur later zou er weer een bus naar Rezina vertrekken. Ingespannen probeerden we de Russische informatiebordjes van de bussen naar het goede alfabet om te zetten. Zelfs Anna en Stas hadden er zonder de landkaart vaak moeite mee te achterhalen in welke richting een bus zou rijden. Eén keer ging Anna het aan een chauffeur navragen. Misschien stopte deze bus wel in Rezina. Ze werd in het Russisch uitgescholden en kwam onverrichter zake terug. Achteraf bleek dat we deze bus hadden moeten hebben.

Nog een uur wachten in depressief stemmend Orhei later stopte er een derde bus naar Rezina. We stonden vooraan, maar de chauffeur was er weinig happig op ons mee te nemen. We hadden al kaartjes bij het centrale loket verkocht , dus zou er geen geld direct in zijn zakken verdwijnen. Het besnorde ventje duwde passagier na passagier in zijn op springen staande bus, maar negeerde ons. Gelukkig vonden we iemand met wie wel te praten viel. Hij haalde de chauffeur over waarna we hutje mutje staand de lange weg naar Rezina moesten doorstaan. Daar wurmden we ons met onze grote rugzakken in een nieuwe maxi-taxi naar Saharna. Ik had het zo langzaam aan wel gehad met het openbaar vervoer in Moldavië. Zonder Anna en Stas waren we er nooit gekomen. Twee opties om het openbaar vervoer te mijden: je eigen auto meenemen of thuisblijven. Dat laatste is zeker veiliger.

Transnistrische boef
Roemenië, maar dan arm

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*