Geweerschoten

“Voor zover ik me herinner is de hele weg tot Theth geasfalteerd”, had Gillian even geleden nog gezegd. Wat waren die graafmachine en die arbeiders dan aan het doen? De asfaltlaag weer aan het verwijderen? Speciaal voor dit soort wegen moet het woord ‘abominabel’ zijn bedacht. En dan was dit de betere weg van de twee. De slechte weg, vanuit Theth direct zuidwaarts door een andere vallei en dan met een bocht naar Shkodër, werd zelfs door Albanezen gevreesd en alleen in de zomer in noodgevallen gebruikt. De ‘goede’ weg was zeven maanden per jaar bruikbaar voor de grotere auto’s met vierwielaandrijving. Bakbeesten van Landrovers, Hummers en IFA’s.

Wij hadden een vrachtwagen waarvan de carrosserie door roest bijeen werd gehouden. Met z’n zevenen (Edvin, Nevila, Ilir, Nestur, Gillian, Eva en ik) werden we gemangeld tussen de metalen randen van de laadbak en de kratten Birra Tirana en andere rantsoenen voor het bergdorp. Twee lokale Albanezen die mee reisden leken de trip zelfs niet gewend te zijn. Deze bergbewoners waren ook niet te beroerd enkele paarlen van wijsheid met ons te delen. Zo had elke man volgens hen twee vrouwen nodig: “Een dikke voor de winter en een slanke voor de zomer”. Tsja, in de contreien waar bloedwraak hoogtij viert kan dat natuurlijk allemaal. Hoe meer mannen je afknalt, hoe meer vrouwen er per man beschikbaar zijn. Toch kon Eva er niet om lachen.

Nee, geen asfalt hier (EH)

Na twee uur verging het lachen de hele groep zo’n beetje. We hadden er 56 van de 70 kilometer op zitten en waren qua reistijd halverwege. Al was mijn ribbenkast al gekneusd en zat iedereen al onder de blauwe plekken, het ècht beroerde gedeelte stond ons nog te wachten. Het geweer en de kogelriem die één van de bergbewoners bij zich droeg werden noodgedwongen aan de kant gelegd. Er waren minimaal twee handen nodig om je aan de als een stuiterbal over de keien schuddende vrachtwagen vast te houden. Bovendien had de Albanees toch al genoeg lol aan zijn wapen beleefd door te schieten wanneer niemand het verwachtte. Knalt best hard nog, zo’n jachtgeweer.

Gillian had het afgelegen dorp voor de eerste versie van haar reisgids bezocht, maar in een vrachtwagen was de reis toch wat minder comfortabel. Helemaal murw gebeukt bereikten we het van de buitenwereld afgesneden Theth. Met het dichtstbijzijnde buurdorp op twee uur rijden, geen medische voorzieningen en jaarlijks vijf maanden isolatie door hevige sneeuwval was het niet gek dat Theth sinds de val van het communisme van 200 tot 30 families gekrompen was. Onze Albanese vrienden vreesden nog altijd dat het wilde noorden onveilig zou zijn. Inderdaad zagen we in een bar in een dorp onderweg, een uur gaans van Shkodër, voorlichtingsfilmpjes over mensensmokkel en hoe daarop te reageren. Het rapporteren van dergelijke misdrijven was dus iets waar mensen hier over leerden, waar we in Roemenië een jaar terug voorlichtingsfilmpjes over het accepteren van homofilie uitgezonden zagen. Albanië staat helaas nog een treetje lager op de ontwikkelingsladder.

In Theth hoefden we ons nergens zorgen over te maken, aldus de twee bergbewoners. Natuurlijk, “er is geen bos zonder wild zwijn” en in 2001 waren er nog drie Tsjechen spoorloos verdwenen in de buurt van Theth, maar het noorden was volgens hen veilig gebied. “Dat van die Tsjechen was slecht voor het toerisme,” bekeek Gillian het vanuit haar perspectief. De zaak was ter plekke grondig onderzocht door massale politieteams en wekenlang voorpaginanieuws, maar alles zonder enig resultaat. Bij een ongeluk zou je verwachten dat één van de drie toeristen te pletter zou zijn gevallen, maar niet alle drie. Bovendien zou je de lichamen dan moeten vinden, hoe ondoordringbaar het gebied ook is. Een misdrijf was waarschijnlijker, al treft de bloedwraak zelden buitenlanders. Nog steeds werden er op klaarlichte dag in Shkodër mensen neergeschoten, maar je moest rare toeren uithalen om hier als toerist bij betrokken te raken.

Vervloekte Bergen (JS)

Gebroken arriveerden we in ons gasthuis, een buitenpost van Theth en nog een half uur lopen van het ‘centrum’. We vroegen ons af of het nog afgelegener kon, waarop we te horen kregen dat ze er wel Nederlanders gewend waren. Diplomaten van de Nederlandse ambassade in Tiranë bijvoorbeeld, en zelfs jaren geleden in 1997 al. Toen wilde een Nederlander een hotelletje beginnen in Theth, compleet met diverse uitgestippelde wandelroutes door de bergen in de omgeving. Een schitterend initiatief, maar de timing was bijzonder ongelukkig. In 1997 verkeerde Albanië bijna in staat van burgeroorlog. Rampzalig verlopen piramidespelen hadden het arme land windeieren gelegd en honderden inwoners stierven ten gevolge van de hieruit voortvloeiende onlusten. Tot zover de spaarzame rustige jaren die het land sinds de val van het communisme had gekend. Dit was – zoals wel meer incidenten in de geschiedenis van het Balkanland – slecht voor het toerisme.

Goed dat wij nooit voor de massa’s toeristen komen en ook prima zelf in staat zijn de mooie plekjes te ontdekken. Theth hoorde daar bij, met zijn watervallen, traditionele huisjes van grijze stenen en voor Albanië ongekende stilte dankzij het ontbreken van auto’s. Hier waanden wij ons in het land van Kadares ‘Een breuk in april’. We liepen zomaar rond in het land van de bloedwraak, het onherbergzame gebied waarin een overvliegend vliegtuig je eraan herinnerde dat je niet tientallen of honderden jaren in het verleden was beland.

Tussen de vele leeg achtergelaten huizen en de ooit zo vaak gebruikte kulla’s speelden de weinige kinderen die nog in Theth woonden volleybal op het enige grasveldje in een straal van ik weet niet hoeveel kilometer. Ver weg van de vervuiling, ver weg van de lelijke straten van de Albanese steden. Tussen de maïsvelden doorlopend kwamen we bij een schitterende kulla. Hierin verstopten de mannen zich om aan de bloedwraak te ontkomen. Achter de enige deur bevond zich een ladder, waarmee je naar de eerste verdieping kon klimmen. Door de ladder op te hijsen kon je naar de tweede en tenslotte derde verdieping. Hier zorgden de minuscule spleetjes (ik schrijf niet alleen spleetjes omdat ik het een leuk woord vind, maar vooral omdat de openingen geen ramen waren) ervoor dat je het de komende maanden wel kon vergeten een krantje of goed boek te lezen. De loop van een geweer paste er net door, maar voor het betere mikwerk was wat ruimte om naar beneden te kijken ook handig geweest.

Theth (EH)

Het dagje wandelen in de omgeving van Theth bereidde ons voor op wat zou komen: net als Roemenen zijn Albanezen dol op shortcuts (‘skurc’ of zoiets). Om de grootste waterval boven het dorp te bereiken moest dat ook wel, want in een land waarin niets staat aangegeven is het niet gek dat je af en toe een beetje verdwaalt. Het water van de waterval werd door middel van een smal kanaaltje langs de restanten van een watermolen bergaf geleid, helemaal naar het dorp. Zo kon Theth de akkers die hard nodig waren om datgene te verbouwen wat gegeten werd te irrigeren, terwijl de helderblauwe Shala ver beneden het dorp de rotsen afsleet.

Via die rivier liep volgens Gillian ook de snelste route terug naar ons gasthuis. Bergrivieren zijn vaak koud en van die kleur helderblauw die in de badkamer op de kraan wordt gebruikt om aan te geven dat hier geen warm water uit komt. Eigenwijs als Ilir en in mindere mate ikzelf zijn wilden we toch zwemmen. De geelbuikvuurpadden schrokken zich een spreekwoordelijk hoedje en de rest van het gezelschap evenzeer, want achterblijven kon eigenlijk niet. Al met al verpoosden we een uurtje afwisselend in het frisse water en op de rotsen die zo heet waren dat je er een ei op kon bakken. Dat deden de bergbewoners niet. Die vonden het veel leuker grote stenen vlak bij je in het water te gooien als je het helemaal niet verwachtte.

Door deze tussenstop bleek de andere weg achteraf toch sneller, moest ook Gillian toegeven. En dat schrijft reisgidsen. Ook een bron die naar verluidt erg mooi moest zijn kon ze later op de dag niet vinden. Omdat Nevila, Ilir en Nestur – die ik van nu af aan ‘Robo’ zal noemen omdat dat ‘dude’ betekent en zijn vrienden hem zo noemen – erg moe waren, was ons gezelschap uitgedund (of ingedikt) tot vier personen. Op weg door het verst in de vallei gelegen deel van Theth was iedereen stomverbaasd ons tegen te komen. In dit deel van het dorp overwinterde slechts één familie. Net als in hotel Overlook uit Stephen Kings The Shining. De anderen brachten hier alleen de zomer door, zoals de schaapsherder die 47 jaar geleden uit Theth was vertrokken. Hij kwam elke zomer terug en kon zich het voorval met de Tsjechen nog wel herinneren. Niet goed voor Theth, terwijl de mensen hier helemaal niet zo’n boeven waren. Het was tenslotte een stuk verderop, bijna in Valbonë gebeurd! Waarom we een lift en een glas raki van een man met een gigantisch geïmproviseerd zwembad in zijn al even gigantische tuin afsloegen weet ik niet meer. Een dag later zouden we tenslotte al ver genoeg moeten lopen. Helemaal naar Valbonë.

Dan lust je wel een glas raki
Landje pik

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*