Goeie toelie

De dronkaard was al niet meer in ons geïnteresseerd bij het verlaten van de supermarkt. Toen we naar binnen liepen staarde hij ons verward aan, een bierflesje nonchalant tussen duim en wijsvinger balancerend met een zwaar naar beneden bungelende arm. Zag hij dubbel, of liepen er echt vier langharige, koeterwaals pratende sujetten naar binnen? Tien minuten later lag zijn onverdeelde aandacht bij een pakje melk van een halve liter dat hij wentelde en bestudeerde alsof het een Rubiks kubus was. Maar de lokale Mercator-supermarkt had meer te bieden dan alcohol-wasemende lokale folklore, namelijk de onaangebroken voorraad alcoholhoudende dranken in de obligaat wandvullende stellage. Trofee van de dag was een fles Dalmatinska travarica (naravno zganje) met een jong getrouwd Kroatisch en/of zigeunerstel op het etiket en een ergens tussen dennennaalden, gootsteenontstopper en zware medicamenten geurende inhoud, die ons een memorabele avond zou bezorgen.

Joost droeg daartoe ook zijn steentje bij met een weinig subtiele inparkeeractie voor Youth Hostel Bledec in Bled. Een bocht van 180 graden, bergop, tussen hostel en niet meegevend hekwerk met als extra hindernis een vrij forse, stenen trap naar de voordeur werd door hem, met hulp van mij, met beperkte schade genomen. Aan mijn eerste aanwijzing (“Begin maar deze kant op te rijden”) gaf de heer Vogels gretig gehoor. Mijn tweede aanwijzing (“Ho. Ho! HOOOOOOO!!!”) kon op minder bijval rekenen. De trap werd per bus beklommen en deed alle inzittenden nader kennismaken met het plafond van de auto. Het parkeerplaatsje zelf bleek niet berekend op een voertuig van deze lengte en nadat Joost de auto keurig tegen het hek had geparkeerd, herinnerde ik hem eraan dat de achterklep ook open moest kunnen. In plaats van vooruit zette meneer de wagen nogmaals in zijn achteruit (“Dat was dom,” gaf hij later ruiterlijk toe), maar de bumper kon veel hebben.

slo2a
O zo sprookjesachtig (EH)

Wie heeft er een kerk op een eilandje nodig als je een jeugdherberg als deze tot je beschikking hebt? De jongen die er werkte was blij met ons. Vijf keer toeristenmenu 2 (veel vlees) en één keer menu 1. Vijf grote glazen bier en één sap. Nelleke dook steeds roder wordend weg in haar hoekje. Wij op onze beurt waren zeer verguld met de enorme zevenpersoonskamer, waarin we een grote tafel in het midden posteerden om spelletjes te kunnen spelen. En om Dalmatinska travarica te drinken. Het was de fles met de smerigste drank, dus die moest als eerste op. Machiavelli verloor ik nipt (ik heb beloofd dit te zullen vermelden), maar bij Dalmuti was ik de man met het hoedje. Voor de leek: dat is goed. Niet alleen mocht de Grote Dalmuti na elke ronde een fikse slok travarica nuttigen; hij mocht ook nog eens de fles onder de neus van de grote dienaar duwen. Ruiken aan dit vitriool was niet alleen een vernedering, maar deed welhaast fysiek pijn. Welk een penetrant aroma! De kleine Dalmuti lachte goedkeurend mee terwijl Daan haast over zijn nek ging.

Als volleerde Oost-Europeanen hadden Joost en ik de hele avond water gedronken naast de halve liters bier en teugen travarica. De dames sliepen vroeg; blijven over Daan en Gijs die een lesje leerden. De beklimming naar het kasteel, dat pal boven het hostel op een 139-meter hoge rots balanceerde, duurde en duurde. Nu is het gemakkelijk de man met de houten hamer hiervoor verantwoordelijk te stellen, maar feit is dat vakantietrips met vijf biologen geen aanrader zijn. Al snel was de helft de weg kwijt, terwijl anderen op de knietjes zaten voor een bedje bosannemoontjes. Op een bankje in de zon keek ik naar de bonte spechten drie meter van me vandaan, tot de rest ook boven was.

Het kasteel heet kasteel Bled maar ziet er o zo veel fantasierijker uit. Wacht, dat is niet waar. Vraag de schoolgaande jeugd een tekening van een kasteel op een berg te maken en de kans is groot dat je in Bled geen ansichtkaarten meer hoeft te kopen. In ieder geval viel ook de binnenkant niet tegen, met onhandige harnassen (een gapend gat, provocerend op kruishoogte), een collectie hellebaarden en ander middeleeuws gereedschap en muurhagedissen die zaten te zonnen op de dakpannen. In februari. Later zagen we het kasteel nog eens uit de verte. Nu met besneeuwde bergen erachter en een meer ervoor. Om het af te maken dreef in het meer een eilandje met een kerkje erop. Dit was zó niet winter forest. We lieten Daan een boompje opzij buigen opdat onze foto’s van dit clichématige beeld het waard zouden zijn later bij de Hema als puzzel van duizend stukjes af te laten drukken. Leuk voor thuis, in de Bierstube.

Smaragdgroene Vintgar-gorges (JS)

Voorlopig zochten we onze toevlucht nog niet tot pinten of ander inpandig vertier. De zon zorgde voor een aanstekelijke voorjaarsstemming. Wat is februari een ideale maand om de toerist uit te hangen! Helemaal geen andere bezoekers om rekening mee te houden en/of je aan te ergeren. Ook de Vintgar-gorges, vlakbij Bled, hadden we voor ons alleen. De rivier die door de kloof kronkelde was in de winter veel wilder dan ‘s zomers, wanneer de waterstand beduidend lager was. Een houten slagboom en de mededeling dat de toegang tot april verboden was, volstonden niet ons tegen te houden. Dankzij recente regenval en afgevoerd smeltwater werden we getrakteerd op een kolkende, smaragdgroene rivier die vinnig op de rotsen inbeukte.

Als ik heel eerlijk ben (ben ik niet) hadden we daarna niet ook nog naar Bohinj hoeven gaan. De toeristische route erheen was leuk, langs wilde katten en karakteristieke Sloveense hooirekken, maar als je op één dag Bled met z’n santekraam aan attracties èn flitsende gorges hebt gezien, dan maakt nog zo’n schilderachtig bergmeer (in de schemering) niet dat je tranen in de ogen krijgt van zoveel schoonheid. Tuurlijk, we grinnikten wat om de kerk van Sint Duh die hier aan het water stond en Joost en ik hadden binnenpret omdat we hier zonder sneeuwkettingen heen waren gereden. Als de rest had gezien dat de wegen bedekt waren met een laagje sneeuw schuine streep ijs waren ze misschien gaan zaniken dat we om hadden moeten keren. Nu was het mondje dicht en achter de Lada Niva aan.

Als dit zo makkelijk ging, dan zou de Vršič-pas morgen ook wel lukken. Immers, voor de pas op 1611 meter hoogte in het Triglav-park had je helemaal geen sneeuwkettingen nodig, stelde de jongen van het hostel ons gerust. Ze werden wel aangeraden, maar da’s op zich niet gek als er op ons pasje van 1002 meter hoogte al sneeuw op de weg lag. Voor de zekerheid stopten we bij enkele tankstations op zoek naar kettingen in de goede maat. Na te duur en hebben we niet probeerden we het nog één keer bij een klein stationnetje tussen Kranjska Gora en Dom Planica, waar we lang wilden laufen. Er stond maar één setje op een kast, maar zowaar, de maat was die van ons busje. We praatten de pompbediende bij over onze plannen, maar die was minder enthousiast dan wijzelf. “Wacht even, dan bel ik mijn zus. Die werkt op het gemeentehuis en weet wel of de Vršič-pas echt open is.”

Helden van de wintersport (JS)

Een kort telefoongesprek later wisten we dat de pas die ochtend door een lawine was afgesloten. De sneeuwkettingen hadden we dus niet meer nodig. De jongen raadde ons aan via Tarvisio in Italië en de Passo dei Predil te rijden. Zo hadden we het nog niet bekeken, maar eerst gingen we langlaufen in Sloveniës grootste wintersportplaats. Het vinden van latten viel nog niet mee. Nou ja, vooral de schoenen waren een probleem. Langlaufen is sowieso een beetje het nordic walking onder de wintersporten. Iedereen keek ons aan alsof we vertelden graag vieze dingen met kippen uit te spoken. “Nou, probeer het verderop dan maar eens,” zeiden ze in een poging ons zo snel mogelijk de zaak uit te krijgen.

Verderop was het niet veel beter. “Vijf paar?”, herhaalde de man achter de balie onwelwillend. “Ja, de grootste heeft maat 49.” Drie tellen later stonden we weer op de stoep. Voor de vorm liepen we Kranjska Gora nog iets verder in, maarnde sneeuwscooters die je aan het begin van het stadje kon huren schenen een steeds plausibeler alternatief. Tot onze verrassing werden we in tent numero drie minder wantrouwend aangekeken. “Vijf paar? Ja hoor, geen probleem.” Ook maat 49 hadden ze ergens liggen. Gijs kreeg spiksplinternieuwe schoenen waarvan de veters nog nooit ontstrikt waren geweest. Mooie zwarte schoenen voor iedereen, behalve voor Daan. Die kreeg roze-wit-paarse discoschoenen uit de jaren ’80. Totaal overbodig om hem tot mikpunt onzer spot te bombarderen, want zijn originele langlaufstijl volstond daartoe ruimschoots. Terwijl Eva met een pijnlijke knie en apfelstrudel in een berghut wachtte die minder pittoresk aandeed dan deze omschrijving wellicht had doen vermoeden, klikten wij de latten onder.

Joost poseerde als möchtegern-Duitser met zijn warme, blauwe trui stevig in de broek gepropt en degelijk mutsje op het hoofd. Weer een aanwinst voor de Stube, die foto. Luidkeels “Ik lauf lang!” van Huub Hangop zingend, lauften we over de loipes. Na talloze keren in het Sauerland op de latten te hebben gestaan is het voor mij nog altijd een raadsel hoe je met die dingen moet remmen, maar tempo maken was geen probleem. De hellingen waren hier behoorlijk steil en Gijs en ik vermaakten ons prima door toe te kijken hoe de rest naar boven ploeterde, stapje voor stapje en af en toe weer een stuk terugglijdend. Het kwam de achterblijvers op meewarige blikken van Sloveense dames te staan. Nogmaals ter vergelijk: stel je voor dat nordic walkers je in Nederland meewarig aankijken. Bergaf ging in een flits en in die flits belandde ook Nelleke in de ziekenboeg. Ook met de knie. Overmoedig door relatief weinig valpartijen besloten wij mannen eensgezind dat de wintersport echt ons ding was.

Een korte reis door besneeuwde velden met eenzame hooirekken bracht ons bij de grensovergang met Italië. De luie douaniers keken niet op of om en even later reden we door een streek die een heel wat armetierigere indruk maakte dan wat we tot nu toe tijdens onze vakantie in Slovenië hadden gezien. Italië leek eeuwig in de schaduw van de bergen te liggen; vervallen dorpjes boden een trieste aanblik. Het duurde gelukkig niet lang voor we de Passo di Predil bereikten en Slovenië weer in mochten. Een sprookjesachtige locatie voor een grensovergang, zo op 1156 meter hoogte. Geflankeerd door besneeuwde bergtoppen reden we de Soča-vallei in. Nauwe gorges met groenblauwe rivieren op de bodem en overal sporen uit de Tweede Wereldoorlog. Lompe stenen forten bewaakten de bergpassen, bruggen toonden de littekens van kogelregens en schietgaten in de bergwand verraadden de aanwezigheid van in de rotsen uitgehakte bunkers. Veel tijd om ons de verschrikkingen van ruim zestig jaar geleden aan te trekken hadden we niet, en ook de wilde natuur van het Triglav-park lieten we voor wat die was. We hadden nog twee uur bochten voor de boeg voor we ‘s avonds eindelijk Postojna en het uitnodigend klinkende Hostel Sport bereikten. Joost parkeerde zonder noemenswaardige problemen. Eva en ik riepen shotgun voor de tweepersoonskamer die aan het zaaltje met stapelbedden grensde en al werd er nog zo geestdriftig betoogd dat Daan snurkte en dus in zijn eentje hier moest slapen, de shotgun-regel is en blijft briljant in zijn eenvoud. Zonder ruzie was de kamer voor ons.

Dit noem ik geen Oost-Europa meer
Niet echt winter forest

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*