Groeten uit Camp Crystal Lake

Het pretparkgehalte van de kust nam snel af naarmate we Tylliria verder inreden. Het massatoerisme haalde haar neus op voor de kuststrook tussen Polis en Pomas. Zou het door de nabijheid van de grens met het door Turkse soldaten bezette noorden, de door de Verenigde Naties ingestelde bufferzone en de Turkse enclave Erenköy – een doorn in het oog van Grieks-Cyprioten – komen? Of lag Tylliria gewoon te afgelegen, slechts door de asfaltweg langs de kust met de dichterbevolkte gebieden van Cyprus verbonden en verder alleen bereikbaar via de bergwegen die dwars door het Troödos slingerden? Turks- en Grieks-Cyprioten konden de grens hier pas sinds 2010 vrij oversteken, maar militaire vesting Erenköy was sinds gruwelijke slachtpartijen in 1964 en etnische zuiveringen in 1974 streng verboden gebied. Borden waarschuwden ons het vooral niet in ons hoofd te halen hier foto’s te maken, terwijl de weg ons met een grote boog langs een hoog hek met prikkeldraad en om Erenköy heen leidde.

Netjes op een hoop gegooid (EH)

De waarschuwingsborden maakten in het binnenland snel plaats voor verkeersborden die ons attendeerden op de belangrijkste weggebruikers hier. Pas op voor overstekende geiten, schapen en moeflons. Een ezelbord zorgde later voor kwartet, maar daarmee hadden de Cyprioten hun kruit nog niet verschoten. Hard doorrijden was er op deze snel klimmende bergwegen niet bij, ook al deden ze hier niet aan tegenliggers. Wat hadden de boswachters van Stavros tis Psokas toch een geweldige werkplek. De zeldzame moeflons hadden ze netjes in een grote ren opgesloten, zodat we de twaalf lamme bergschapen met grote, gekrulde hoorns in alle rust konden bekijken. Buiten Ilva gerekend dan. In de zomer zat de grote picknickplaats vol, wanneer de voltallige bevolking van Cyprus als op een soort buurtfeest op de houten bankjes aanschoof, maar nu hoorde je hier alleen de vogels en het ruisen van de bladeren in de wind.

Bij het Selladi tou Stavrou vertelde een Nederlands jongetje trots dat hij een skink had gevangen. Ik had net mijn tweede Budaks slangenoogskink aan Ilva en Rune laten zien. “Oh, dus dat zijn hagedissen die iedereen kan vangen,” concludeerde zijn vader. “Eh, sorry – wat wil je daarmee zeggen?!” wilde ik van hem weten, waarna het ons verstandig leek in een andere richting door de Stavrosvallei te lopen. Dat makkelijk vangen gold in ieder geval niet voor de razendsnelle hardoens. Als tekenfilmdiertjes leken de ronddraaiende pootjes wel wielen te worden wanneer ze vlak voor onze auto over de weg scheurden en als ze van de ene rots naar de andere sprongen was het net alsof ze met de pootjes omhoog gestoken in slow motion door de lucht zweefden. Ik wist er één aan te raken, maar vangen lukte niet. ‘If you can touch it, you can catch it,’ maar net als een American football glipte ook deze tussen mijn vingers door.

Erg mooi allemaal, maar gebeurt hier ook wat? (EH)

Troödos zelf oogde verlaten. Misschien niet raar voor een dorp met 24 inwoners, maar hier leefde men toch van het toerisme. Wat eigenlijk niet bleek uit de winkel die ik binnenliep. Of ze melk hadden. “No, you can’t buy milk in Troödos. And you can’t buy juice either.” En de camping dan? “The campsite is closed, because they are fucking retarded!” Ja, deze jongen wist zijn dorp te verkopen, maar was het ook echt zo mooi als hij beloofde? Op twee zwarte frankolijnen (Francolinus francolinus) die de weg overstaken na – ik dacht, kom, ik zet er ook een keer iets in voor de vogelaars – was de camping inderdaad uitgestorven. De caravans en receptie leken inderhaast verlaten, alsof de belendende legerbasis er atoomproeven had aangekondigd.

Wat nu? Er moest nog een andere camping verstopt liggen in het bos tussen Troödos en Kakopetria, maar zoals we al vaker hadden gemerkt bleek de Lonely Planet tamelijk waardeloos. Bovendien had Eva net een slasher en een aflevering van The Walking Dead te veel gezien, want Camp Crystal Lake gaf haar de kriebels. Ik vertrouwde de zonnebrildragende boswachter met zijn sigaar nonchalant in de mondhoek wel en volgde zijn pick-up truck over een slingerende bergweg naar de uitgestorven camping. “Is de camping wel open?” vroeg Eva aarzelend. “Jawel,” verzekerde de boswachter ons. Hij zei niet: “Hoe ziet het eruit?” Want het zag eruit alsof er ieder moment een seriemoordenaar met een ijshockeymasker tussen de verlaten, groen uitgeslagen caravans uit kon komen om ons enige gezelschap in de snel inzettende schemering te vormen. Na de hoofdschakelaar van het toiletgebouw te hebben gevonden hadden we toch iets van licht, al was het bij onze tent pikdonker. Abrupt gekraak van vallende takken, gekrijs van opschrikkende vogels en midden in de nacht het geronk van een motor vlakbij onze tent waren de enige geluiden in het uitgestorven Camp Crystal Lake.

Nou goed dan, de camping heette eigenlijk Platania en ijshockey is ondanks de aanwezigheid van zoveel Russen helemaal geen populaire sport op Cyprus. Wat wil je ook, als de mussen dood van het dak vallen terwijl het WK wordt gespeeld. Platania was de volgende ochtend nog steeds verlaten, maar in het zonlicht spatten Ilva en Rune vrolijk bij de kraantjes buiten en hoefde Eva niet langer voor haar leven te vrezen. Toch was aan alles te merken dat op Cyprus weinig mensen kamperen. “Pfff, vier personen?” vroeg de boswachter aan wie ik moest betalen. “Waarvan twee volwassenen…” mompelde de man. Zijn wijsvinger gleed onzeker over een bladzijde in een zo te zien nog niet vaak geopend boekje. Er werd een collega bijgehaald. “Eén tent?” Inderdaad. “Poeh…” Er werd in lijsten gezocht, maar de heren boswachters kwamen er niet uit. “Doe maar zes euro voor twee nachten,” besloot de eerste. Voor het hele gezin. De tweede knikte instemmend en maakte zich snel uit de voeten. Ja, die eeuwige administratie. Daar zien mensen in wel meer beroepstakken tegenop.

Hadden we die maar één over de vaart (EH)

Platania lag op een steenworp van de Olympos; met 1952 meter het hoogste punt van het eiland. Olympos, dat klinkt mythisch, maar dit moet met stip de sufste summit van Europa zijn. Je kon er je auto godbetert tot de top rijden en dan zag je minder dan wanneer je er de Artemis trail rondom liep. Zelfs de endemische Troödoshagedis (Phoenicolacerta troodica), een bruin, op muurhagedissen lijkend beestje, was saai. Het was hier mooi, in dit droge landschap van met naaldbomen begroeide berghellingen en kale rotsen, maar het had meer weg van glooiende heuvels dan de hoge bergen waar het toch voelbaar een paar graden koeler was dan aan de kust. Het Troödos werd vergeleken met de sierlijke koepels van de Byzantijnse bouwstijl. Leuk voor architecten misschien, maar de dramatiek ontbrak hier.

We waren meer gecharmeerd van Gefyra Kelefou, een Venetiaanse brug over de Diarizos. Na Albanië, Georgië en Bulgarije verveelden bruggetjes als deze ons nog altijd niet. Ik kan me niet voorstellen dat ze dat ooit wel zullen doen. De sierlijke, stenen boog leek regelrecht uit een sprookjesboek te komen, en net als in sprookjes was de slechterik niet ver weg. Toen Eva een bibberend oud vrouwtje ondersteunde dat met een stuk of veertien plastic tassen vol levensmiddelen door het koude water probeerde te waden, was de vrouw maar al te blij met deze hulp. “I am so afraid. God bless you!” fluisterde ze. Vanaf de andere oever kwam haar langharige zoon aangelopen om zijn moeder de huid vol te schelden. “Ik woon hier al drie jaar en elke keer weer waadt dat stronteigenwijze mens over deze glibberige stenen door het stromende water.” Kwaad wees hij naar het staaltje 15e-eeuwse architectuur krap twintig meter verderop dat de vrouw toch moeilijk ontgaan kon zijn. “There is a fucking bridge you know!” Na de etenswaren afgegeven te hebben en nog eens uitgescholden te zijn, zagen we de goed bedoelende moeder veel te snel weer teruggejaagd worden over de brug.

Ben je boos... (JS)

Het dorpje Platres maakte op de terugweg een verlaten indruk. Net als de camping en het bezoekerscentrum in Troödos was bijna alles hier gesloten. Restaurant To Anoi – je schrijft het anders, maar spreekt het precies hetzelfde uit – maakte z’n naam dan ook helemaal waar. En ook op de camping waren we nog steeds de enige gasten, waardoor we mooi een privébadkamer hadden voor ons gezinnetje. Ja, wat was nou de kans dat een moordlustige psychopaat erop gokte dat hier uitgerekend vanavond vier toeristen kampeerden? Ach, zolang je in horrorfilms geen seks hebt is er niks aan het handje. Ilva en Rune hoefden in ieder geval dus niets te vrezen, mocht er echt een bijlmoordenaar on the loose zijn.

Onze laatste stop in de Republiek Cyprus was het oude Kakopetria. Af en toe werd hier iemand door een rotsblok geplet, maar verder was het een alleraardigst dorpje. De nauwe, steile straatjes leidden langs dicht op elkaar staande stenen huizen met houten balkons en een weelde aan bloemen. Vooral rozen. Het rozenijs dat Ilva en ik aten was nog best lekker, maar de zetmeelkubusjes in rozenwater die een aardige Bulgaarse ons voorzette gaven meer de indruk dat je een mond vol zeep aan het wegkauwen was. Het zuiden van Cyprus was zonder meer mooi – en eigenlijk viel het aantal toeristen ons ontzettend mee – maar avontuurlijk? Nee. Vol verwachting reden we naar de grensovergang. Volgens de Turks-Cyprioten althans; de Grieks-Cyprioten bleven stug volhouden dat het ‘checkpoints’ waren. ‘Verboden om mee in de Britse legerbases en de bezette gebieden te rijden,’ stond er in de huurovereenkomst van onze auto. “Welnee joh, daar moet je niet op letten,” had de verhuurder me niet helemaal gerust gesteld. Bij de grens zouden we naast ons paspoort immers dit document moeten overleggen. We zouden wel zien. We mochten volgens het papiertje ook niet op onverharde wegen rijden, en daarmee hadden we het veelvuldig niet zo nauw genomen. Op naar de Turkse Republiek van Noord Cyprus.

Wat is het toch fijn om Turk te zijn
Volgende keer weer naar een land met minder zand

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*