Groter, dus beter

Koud uit de korte bedjes sloegen we de volgende dag al rap weer aan het wandelen. We wilden nog een wandeling door een ander deel van de Malé Fatra maken voor we om 14:35 uur de bus naar de logische volgende stop, Veľká Fatra, zouden nemen. Onze bagage konden we gelukkig in Chata Vrátna laten staan, zodat we lichtbepakt aan een tocht begonnen die volgens de kaart en dus planning vier uur zou duren. De rij voor de stoeltjeslift was nog langer dan gisteren, dus wij liepen monter de andere kant op. Niet naar de pieken boven de 1600 en 1700 meter, maar naar een heuveltje dat de 1400 nog niet haalde. Voor de meeste toeristen toch echt te min. Totdat we op de kam tussen de lagere toppen belandden zagen we dan ook geen mens. En waar de dieren aan de andere kant van de vallei door de hordes dagjesmensen waren weggejaagd, zag je hier overal sporen en wissels en schoten er overal hagedissen weg. En wespen. Overal in Tsjechië en Slowakije stikt het van de wespen. Binnen vijf meter van je tentje is er altijd wel een wespennest in de grond te vinden en als je bovenop een berg een koekje of boterham tevoorschijn haalt hoef je maar tot tien te tellen voor je weer wordt lastiggevallen.

Ridgewalking galore (EH)

De kam tussen de bergtoppen was niet breder dan het stenen paadje waarover we liepen; daarlangs sloeg de rotswand vervaarlijk steil naar beneden. Het uitzicht, waarvan je met een beetje hoogtevrees helaas niet kon genieten, was fenomenaal. Doordat je nauwelijks vaste bodem naast je voeten zag was het tussen de weidse vergezichten alsof je vrij in de lucht zweefde. Bergaf ging weer op z’n Slowaaks, en deze keer waren de glijbanen van modder zelfs nog glibberiger, waardoor Eva en ik ons geregeld de broek schoon moesten vegen na weer een glijpartij. Doordat we hier voetje voor voetje moesten lopen verloren we veel tijd op het schema en begon onze geplande busrit in gevaar te komen. Het laatste half uur dalen, nu met vaste ondergrond, gebeurde in straf tempo, waarna we ons over de verharde weg naar Chata Vrátna spoedden. Het laatste stuk door Eva snelwandelend en sprintend door mij, iets te steil bergop naar mijn zin, om de twee rugzakken op te halen. Daarmee bepakt rende ik naar de bus, waar ook Eva precies om 14:35 uur arriveerde. We moesten er wel van zweten.

De hele vallei stond inmiddels vol auto’s geparkeerd, want in het stadje Terchová, aan het einde hiervan, stond dit weekend een folkfestival op het programma. Tijd voor ons dus om naar Blatnica te reizen aan de grens van de Veľká Fatra. Deze keer bleven we wel tot het einde van de rit zitten. De camping in Blatnica was in de zomer ‘packed’, volgens de Rough Guide. Rough Guide, Schmough Guide, zeg ik dan. Tussen de vele dennenbomen zochten we een rustig, schaduwrijk plekje op. De midgetgolfbaan was al jaren in onbruik, getuige de post-apocalyptische aanblik die de verloren gegane bron van jolijt ons bood.

Voor het eerst tijdens ons verblijf in Slowakije waren we niet de enige Nederlanders. Naast een bierdrinkend stel van middelbare leeftijd waren er ook nog eens NJN-ers (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) op kamp. Van die langharige natuur-extremisten die wel hele dagen door de natuur fietsen maar ondertussen fel ageren tegen alle andere dingen die leuk zijn. Zo maakten ze de barjuffrouw ‘s avonds wijs dat het in Nederland heel normaal is om geen alcohol te drinken. De barjuffrouw bleef gelukkig gewoon zichzelf en had me de volgende dag het een en ander te vertellen over Borovička, achter Absinthe nummer twee op de lijst van Korsakov-veroorzakers in Slowakije.

Klappen in de handjes van plezier (EH)

In de Veľká Fatra bleek Tsjechië – Slowakije in onze ogen toch in het voordeel van laatstgenoemde beslecht te worden. In het dorpje wees een oude man met meer oren dan vingers ons ongevraagd met zijn afgeronde stompjes de weg. Wat hij allemaal uitkraamde begrepen we niet, maar het was een erg aardige meneer. We leerden deze dagen zelfs de woordjes ‘dankjewel’ en ‘goeiedag’, want hier in de bergen (in de Malé Fatra ook al) groetten de mensen elkaar wel spontaan. Eenmaal terug op vlakke grond kwam je weer een hoop boevenkoppen die op onweer stonden tegen, maar in de bergen was alles beter, waaronder het uitzicht. Deze bergketen was veel weidser en minder toeristisch dan de Malé Fatra. Uitgestrekte naaldwouden met hier en daar een grot. Met daarin als je een beetje geluk hebt – en dat heb ik – een hoefijzerneus die maar wat graag op de foto wil.

Maar je kunt je dagen niet blijven vullen met wandelen – in Trenčín was het ook mooi, hadden we gelezen. “Met een beetje geluk zijn we al om één uur in Trenčín,” sprak ik maandagochtend op niets gebaseerd. Het stadje lag vlakbij de Tsjechische grens, niet al te ver van Bratislava. In Martin, waar we op de trein stapten, was het louter militairen wat er rondmarcheerde. De soldaatjes maakten zich op voor een zomerkamp ofzo (ik kan me niet voorstellen dat het leger van zo’n klein berglandje iets anders om handen heeft) en had al zijn felgekleurde ‘gecamoufleerde’ tanks al bij de bagage ingepakt. Om de orde te bewaren zouden de militante dames zich op een ander kampje vermaken, zo zagen we later in Vrútky. De vrouwen in uniform konden overigens op meer publieke belangstelling rekenen dan hun kortgeschoren mannelijke collega’s.

We hadden vertraging en geluk dat de trein toch nog net voor enen het station binnenreed. Hier kwamen we tot de onthutsende ontdekking dat we morgen twaalf uur onderweg zouden zijn naar Prachatice, in de onmiddellijke omgeving waarvan de familie Smets plus aanhang inmiddels vertoefde. Een reis over Bratislava en Praag, voor een erg on-Slowaakse prijs. Nu eerst Trenčín, zonder plattegrondje in de Rough Guide. Wiens fout het was dat we binnen de kortste keren in de vrolijk stemmende Midden-Europese hitte langs fabrieken, vervallen gebouwen en zigeuners liepen? Niet die van mij of Eva, maar Eva’s goede humeur verdween als bij toverslag. Dat er na een zinloze wandeling, terug op het station, een rare zwerver tegen me aansprong hielp natuurlijk ook niet. Ik had dit weinig gure sujet al zien zitten met zijn sandalen twee meter verderop op de stationsvloer geparkeerd, en door zijn bewegingsrijke manier van zitten vroeg ik me al af wat hij in zijn schild voerde. Na de fopduik tegen mijn zij bemerkte ik gelukkig dat ik mijn portemonnee nog altijd had en al maakte de gevallene veel lawaai en waren alle ogen in het station op ons gericht, wij waren hier klaar en maakten dat we wegkwamen.

Hier nog intact

Eventjes was echt alles fout, zelfs toen we per taxi allang op de eigenlijk erg makkelijk vanaf het station te bereiken camping Na Ostrave waren gearriveerd. Tot ik iets in haar stopte, deze keer een Magnum Triple Chocolate ijsje, was Eva boos. Pas bij het zien van de speelse fontein in Trenčíns oude centrum kon er weer een lachje vanaf. De fontein bestond uit een diepe put met daaroverheen een metalen net met visje erin. In de put hing een man in pak en met hoge hoed die – vraag me niet waarom – een nimmer aflatende stroom water uitspuwde. De straal eindigde in een putje even verder op het plein, waar met onregelmatige tussenpozen korte of langere straaltjes uitspoten naar een volgend putje, waar nog meer waterrupsjes verder vlogen. Een fascinerend schouwspel voor de kleintjes onder ons, maar niet minder boeiend voor Eva en mij. ‘s Avonds bleek de fontein verlicht, en de waterkogeltjes schoten als vuurwerk van putje naar putje.

Van Trenčíns keur aan attracties kregen de winkelstraten het hoofddeel van onze attentie. Allemaal gortlelijke nep-ijshockeyshirts; alleen het shirt van Slowakije was mooi. Maar ja, wel wit dus ik twijfelde. Te lang, want toen ik besloot dat ik het wel kon gebruiken voor over mijn shoulderpads op de American football-training was de winkel al dicht. Ach ja, anders was het kasteel dicht geweest en dat zou ook zonde zijn geweest. Iets klopte er trouwens niet met dat kasteel, dat op een rots boven de stad uittorende. Als je het origineel boven op de berg met foto’s vergeleek was er iets niet in de haak, maar we konden de vinger niet op de zere plek leggen. Tijdens de rondleiding hoorden we het: op 7 maart dit jaar was er een groot deel van de buitenmuur simpelweg verdwenen. Poef, weg. Lag het daar ineens 150 meter lager, bovenop de stad. Ze bouwen de kastelen tegenwoordig niet meer zoals vroeger. De burcht was van generatie op generatie binnen een bepaalde familie gebleven, tot de laatste eigenaar (nee, serieus?). Die meneer hield veel van meisjes en spendeerde erg veel geld aan ze. Zoveel dat ie op een gegeven moment het kasteel moest verkopen. Nu is het eigendom van de stad Trenčin.

Van zulke spannende verhalen kregen we natuurlijk enorme honger. Van de vier, vijf pizzeria’s die we hadden gezien kozen we Al Capone (tevens Mexicaanse specialiteiten), omdat we voorlopig onze (spreekwoordelijke) buik vol hadden van de Slowaakse ‘specialiteiten’. Hete jalapeños, soepje vooraf, nachos erbij. Nachos hadden ze niet en het wachten duurde wel erg lang. Eindelijk kwamen er twee borden – wel erg droog voor soep. Maaltijdsoep misschien? De inhoud van de twee borden leek namelijk wel erg veel op elkaar voor twee verschillende gerechten. Wel zat er bij mij maïs tussen en was het duidelijk aan de hete kant. Toch maar even vragen van die soep dan. “Ja ja,” zegt de serveerster met een stalen gezicht, “komt eraan.” Nou, dan weten jullie ook wel waar dat meisje haar fooi kon steken.

Na netjes gepast betaald te hebben gingen we voor het dessert maar ergens anders heen. En volgend jaar met vakantie ook. In Roemenië weten ze in restaurants ook niet altijd hoe het hoort (eigenlijk meestal niet), maar de bediening is meestal toch iets beter of althans sympathieker. Als ik dan toch tussen twee kwaden moet kiezen, doe me dan Slowakije maar. Maar ja, we hadden morgen nou eenmaal een afspraak in Tsjechië.

Van mij hoeft het niet
Al even lelijk en chagrijnig

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*