Haat en liefde

We zijn nog geen vijf minuten in het land voor we de eerste Roemeen dronken van zijn fiets zien lazeren. Bij een kraampje naast de weg loopt een opgeblazen sportschooltype met een gigantische, zojuist aangeschafte tuinkabouter onder zijn getatoeëerde armen. We zijn weer in ons favoriete land. Het is een haat-liefdeverhouding die we hebben met Roemenië: bij Băile Herculane in het Domogled-Valea Cernei nationaal park staat het tot diep in de vallei mudvol wildkamperende Roemenen. Overal branden kampvuren, wordt manele gedraaid en liggen uitwerpselen en bergen afval. De tenten staan vaak half op het asfalt en de auto’s staan in beide bermen bumper aan bumper. Langs de weg in het kuuroord worden corpulente mannen gemasseerd. We doen ons best de absurditeit van het schouwspel te waarderen, de stekende wansmaak voor lief te nemen, maar de Roemenen maken het ons niet makkelijk.

Het afval niet meegerekend nemen we afscheid van de bergen. Voor ons ligt de vlakte van de Banat. We laten de massieve grijze rotswanden van Domogled en de krioelende mierenhoop van vakantievierende Roemenen achter ons. In Stanciova bezoeken we onze vrienden Edmond en Alina en hun kinderen Edan en Alvin. Ze wonen in een rustig dorp, te midden van lieflijke heuvels, bloemenweiden, grazende paarden, bomen vol overrijpe pruimen, vrolijk geverfde huisjes, tienermoeders en drinkende dorpsbewoners voor de enige, niet als dusdanig gemarkeerde winkel. Hier zijn het vooral onze vrienden die worstelen met de gespleten persoonlijkheid van Roemenië. Het huis dat ze gekocht hebben was niet duur, maar dat is misschien ook deels omdat er geen eigendomspapieren voorhanden zijn. Nu is het de vraag of Edmond en Alina in Stanciova kunnen blijven wonen; in dit dorp waar ze contact met de dorpelingen uit de weg gaan en gevangen zitten in hun eigen haat-liefdeverhouding.

Waar Eva er steeds meer naar uitkijkt om over een week thuis te komen, hebben onze vrienden geen thuis. Terugkeren naar Timişoara zien ze ook niet zitten. Het is druk in de stad, met meer verkeerslichten, chaotischer dan hoe we ons Timişoara herinneren. “Er zijn veel nieuwkomers in de stad,” vertelt Edmonds broer Gabi. “Laagopgeleide, minder beschaafde plattelandsbewoners uit het zuiden van Roemenië die hier werk komen zoeken.” Misschien is aanpassen voor deze nieuwkomers net zo moeilijk als het voor onze vrienden in Stanciova is. Waarom steekt er niemand een helpende hand uit?

Het moet toch kunnen, leven in een dorp als Stanciova? In een tijd waarin het platteland leegloopt zou je zeggen dat ze blij zijn met nieuw bloed, met jonge mensen die bewust kiezen om in een dorp te gaan leven. Vanaf een heuvel kijken we uit over Stanciova, over de lemen huisjes met Servische namen op de gevel, over mannen die met paard en wagen over de onverharde dorpsstraten rijden. Ze hebben de bomen gesnoeid om hun houtvoorraad voor de komende winter aan te vullen. De wetenschap dat ik voor het eerst, maar waarschijnlijk ook voor het laatst in dit dorp ben, geeft onze wandeling een wrange nasmaak. Ik zou hier graag nog eens terugkomen, maar Edmond en Alina klinken weinig hoopvol. We maken een kampvuur in de grote, overwoekerde tuin. Zelf komen ze er nooit en hun eigen houtvoorraad ziet er niet uit alsof ze hier de winter willen doorbrengen. Ik ben boos op ze, dat ze niet harder hun best hebben gedaan. En toch hou ik van ze.

Altijd thuis
Vooruit kijken

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*