Hebzucht

Stiekem toch een sponsorplan. Het was een mooie suggestie voor onze Tour, nadat we twee jaar geleden ruim zestig mensen hadden weten te strikken ons wat geld toe te stoppen om ons te kunnen bezatten aan dure drank. Met de Oost-Europese prijzen (de allerduurste fles wijn die ik in Chișinău kon vinden kostte nog geen zes euro; de goedkoopste fles wodka in Transnistrië een onfatsoenlijke zestig cent) konden we ons nu zelf wel redden, wat niet wilde zeggen dat we onze hebzucht tegenwoordig volledig onder controle hebben. Want was het echt nodig dat Jaap op een gegeven moment zeven gitaren thuis had staan, of de bierglazen met tassen tegelijk van de terrasjes jatte? En moest ik per se zeventig verschillende American footballjerseys hebben – sommige daarvan in schreeuwerig geel of zelfs paars? Daan had voor € 800 aan dure whisky staan, terwijl hij op onze Kleine Landen Tour net zo gelukkig was met whisky flavoured liquor. Dat bedrag was trouwens nog niet de helft van wat zijn verzameling stripboeken had gekost. En Gijs? Als Gijs op Tour bedacht dat hij boogschieten best leuk vond, dan moest er binnen een week een boog worden aangeschaft. Leuk – over een paar dagen zouden we gaan bijlwerpen.

Ik wil ook zo'n magneet voor op de koelkast (JS)

De hebzucht van de Moldavische en Transnistrische politieagenten was ons in ieder geval honderd procent meegevallen. Over een avontuurlijke zandweg reden we naar de grensovergang met Roemenië. “Wat een mooie zonsondergang,” mijmerde Gijs. “Kut!” was wat Jaap erover te zeggen had. “Dan wordt het zo donker!” Het zandpad was inderdaad niet bepaald effen en de Golf zwaar beladen. In het donker bereikten we de grenspost, waar de douane wilde weten waar we geweest waren. “Orheiul Vechi, Chișinău en Tiraspol,” antwoordde ik naar waarheid. “Maar hier staat dat jullie gisteren bij Briceni het land zijn binnengekomen?” merkte de douanier niet-begrijpend op. We knikten en bleven de man neutraal aankijken, waarna ze aannamen dat we nooit voldoende tijd hadden gehad om erg veel smokkelwaar te verstoppen. Na een minimale controle reden we de EU binnen.

Alles wat de Transnistriërs ons niet bij konden brengen op gebied van woede had ik van Smaranda kunnen leren als ik de fles Ketel One wodka die ik van het aanrecht stootte niet een halve meter boven de keukenvloer weer had opgevangen. Haar ogen schoten vuur. We waren in Iaşi te gast bij Florin, zijn vriendin en hun zoontje Tor-Alex. Elf jaar geleden was ik hier voor het laatst, vlak voor Eva en ik naar Chișinău vertrokken. Het was wel passend dat we nu terugkwamen uit Moldavië, al was er in de tussentijd veel veranderd. Moldavië was niet langer het laatste land op aarde dat Florin wilde bezoeken, de burgemeester van Iaşi was opgepakt wegens corruptie en aan het appartement was duidelijk te zien wie hier nu de broek aan had. “Het kost per maand vijftien keer meer om die hufter in de gevangenis te hebben dan wat ik aan kinderbijslag krijg, maar voor die klootzak betaal ik graag!”, brieste Smaranda.

Onze fles Nederlandse wodka en klompmagneet voor op de koelkast (maat 45) haalden gelukkig ook een zachtere kant in haar naar boven, maar na een pizza vol hete pepers leek het Florin verstandiger om buiten op straat bier te gaan drinken. Ook Florin kon er trouwens wat van. Het duurde niet lang voor hij op stoom kwam over een keur aan onderwerpen, zoals de Roemeense politie (“If they want to give you fucking hell, they will give you fucking hell!”), de toename van het aantal kerken in het land (“They are spreading like a disease. If anyone would build a church between these two buildings, I would BURN – IT – DOWN!”) en de oorlog in Oekraïne. Onder Poetin was het net als tijdens het communisme in Roemenië. Florin kon er met zijn pet niet bij dat er nog steeds mensen waren die beweerden dat vroeger alles beter was in zijn land. Ja, je had werk en eten, maar de communistische partij bepaalde wat voor werk je moest doen en waar in het land. Als het je niet beviel, dan hadden ze nog wel een plekje voor je in de gevangenis. En daar maakten ze echt niet zo veel onkosten voor je als nu voor de burgemeester van Iaşi. Nee, Rusland was een achterlijk land met een machtswellusteling aan het roer. Wat, Russische cultuur? Donder toch op! Natuurlijk zijn er met 140 miljoen inwoners altijd een paar bij die wat kunnen, maar 98% van de bevolking was achterlijk.

Ik wil ook een glas (JS)

Al vond Smaranda het volgens mij nogal triest, het bleef tot half drie erg gezellig op de stoep voor de Non-Stop 24/7 waar we onze blikken Roemeens bier in de kou dronken. Nadat Florin onze wirwar van halfnaakte, slapende lichamen ‘s ochtends vroeg al op Facebook had gezet, vertrokken we voor een hele dag rijden over Roemeense wegen. Door Bucovina met zijn kleurrijke huizen, langs het beschilderde klooster van Voroneț en door de naaldwouden van de besneeuwde Prisloppas – een lommerrijk en zeer onoverzichtelijk terrein – bereikten we Maramureș, één van de meest traditionele streken van Roemenië. Auto’s maakten plaats voor paard en wagen en mannen stonden in de berm hun zeis te wetten. Pal tegen de grens van Oekraïne vonden we het Cimitirul Vesel, het vrolijke kerkhof van Săpânța.

Maar dat konden we ook wel voor morgen bewaren. Ik had mijn tas amper in de slaapkamer gegooid of Daan en Jaap zaten al aan het bier. Onze gastheer Daniel kwam gelukkig ook snel vragen wat Gijs en ik wilden drinken. “Would you like a beer, or… something else?” he asked us knowingly. “Wat bedoel je met ‘of’?” vroeg ik. Even later stond er een kannetje palincă voor ons, gevolgd door ciorba de perişoare, mămăligă, sarmale, plăcintă en borden vol hete pepers, die telkens netjes door ons werden geleegd. We hadden ons voorgenomen het er hier eens goed van te nemen en wat Daniel ons ook kwam brengen, hij hoefde alleen voor lege borden, kannetjes en glazen terug te komen.

Om half elf hadden Gijs en ik lang genoeg geslapen en ons ontbijt van slănina, schapenyoghurt, komkommers, tomaten, olijven en cofte op. “Snapte jij wat Daan vannacht kwam doen?” vroeg ik. Midden in de nacht kwam Daan in zijn onderbroek onze slaapkamer binnenstormen. “Hebben jullie nog Transnistrische roebels nodig?” vroeg hij ons. Nee, niet per se. Daan wilde ook weten of we nog van slaapkamer gingen ruilen. Daar zagen we de meerwaarde ook niet direct van in. Op Daans derde vraag, of hij dan tenminste van ons toilet gebruik mocht maken, reageerden we welwillender. Gijs en ik snapten weinig van het hele voorval, net zoals Daan toen hij wakker werd niet begreep waar zijn kleren waren gebleven. Die had hij waarschijnlijk in zijn dronken toestand zelf ergens anders neergelegd. Ze waren in ieder geval niet stiekem gewassen, bleek toen alles weer terecht was en we eens aandachtig aan elkaars Tourshirts roken.

Ik wil ook zo'n wagen (JS)

Het Vrolijke kerkhof, de grootste bezienswaardigheid van de Maramureș, was slechts tien meter lopen. We hoefden de straat maar over te steken en we waren er. Maar eerst aten we onze lunch, dronken we een biertje en werd de tweede kan palincă op tafel gezet, terwijl we luisterden naar Daniel die vertelde dat iedereen wegtrok uit de Maramureș. Tijdens Ceaușescu was het hier een stuk beter. “In twintig jaar tijd is alles afgebroken wat in vijfentwintig jaar is opgebouwd. Tijdens het communisme waren we zelfvoorzienend. Nu moet alles geïmporteerd worden.” Wat hadden we graag een debat tussen Daniel en Florin meegemaakt, maar in onze luie bui knikten we en bestelden nog een rondje bier. Gijs werd haast sentimenteel van ons genoeglijk samenzijn: “Als ik geen biologie had gestudeerd, dan had ik hier nu niet met jullie gezeten.” Gijs genoot met volle teugen van Roemenië. “Misschien wel,” vond ik, “Maar dan had je ons nu eikels gevonden. Dat zit daar maar de hele dag bier en palincă te drinken…”

Het was half vijf ‘s middags toen we eindelijk de weg overstaken. Het kerkhof was prachtig: helderblauwe kruisen met kleurrijk beschilderde houtgravures herinnerden aan de overleden inwoners van Săpânța. Vrouwen die aan het hooien waren, mannen die op hun trekker zaten, bakkers, houthakkers – alledaagse taferelen en hobby’s werden afgewisseld met fatale ongelukken. “Wees vervloekt, taxi uit Sibiu die uitgerekend voor mijn huis moest langsrijden. Brand in de hel!” las een wanhopige schreeuw boven het graf van een jong gestorven meisje. Maar er waren ook lichtere teksten. “Ik hield van pruimențuica,” was er één waar wij ons wel in konden vinden. “Wat genoot ik ervan om in een bar naast andermans vrouw te zitten.” Dat klonk al zondiger. “Hier ligt mijn schoonmoeder. Wees alsjeblieft stil, zodat je haar niet wakker maakt.”

Ik wil ook zo'n graf (JS)

Het was mooi om te zien hoe een dorp op deze manier de dood onder ogen zag en zich durfde te onderscheiden van de grijze massa. “Ik vind er niks aan,” vatte Jaap zijn gedachten samen. Dat zou hij waarschijnlijk ook van de hoogste houten kerk van Europa vinden, maar nu we toch van onze tafel vol drank waren opgestaan, konden we er net zo goed heen lopen. Het was toch maar vijftig meter verderop, werd op het kerkhof beweerd. Daniel hield het op 300 meter en dat stond ook op de eerste wegwijzer. Op de tweede, een halve kilometer verderop, lazen we dat we nog een kilometer moesten lopen. En Jaap had gelijk, al vingen we wel een zandhagedis en een gladde slang.

‘s Avonds stond de tafel gelukkig weer vol bier, palincă en grote schalen Roemeens eten. Het was hard werken, maar Daniel vond het prachtig dat we alles op kregen. De volgende ochtend kwam hij met petflessen palincă en een gepeperde rekening aanzetten. “Honderd euro per persoon?” herhaalden we ongelovig. “Jazeker,” antwoordde Daniel met een strak gezicht. Zijn moeder had het uitgerekend. Hoe vaak wij het ook narekenden, op honderd euro kwamen we niet uit. Laat het maar aan Roemenen over om de zonde hebzucht vorm te geven. Mooi – we konden er weer één van ons lijstje strepen. Met zes liter palincă in de kofferbak en vierhonderd euro armer vertrokken we naar landen die me een stuk minder deden. Er is immers geen land waar ik liever word afgezet dan Roemenië.

Jaloezie
Woede

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*