Heidens feestgedruis

“Hoe komen jullie erbij om naar een metalfestival in Litouwen te gaan?” vroegen veel mensen ons verbaasd. Omdat het Kilkim Žaibuterrein zo’n beetje de laatste plek in Europa zonder internetbereik is, vroeg ik me eerder af waarom nog niemand over dit festival gehoord had. De bands die er de afgelopen vier jaar optraden logen er niet om: Amon Amarth, Arkona, Destroyer 666, Helheim, Kroda, Loits, Melechesh, Metsatöll, Nokturnal Mortum, Obtest, Primordial, Skyforger, Taake, Temnozor… Als verstokte Ragnarökgangers waren Eva en ik behoorlijk verwend op pagan en black metalgebied, maar Kilkim Žaibu leek zich op voorhand al te kunnen meten met ons favoriete heidense feestje.

Midzomernachtfeest niet meer in Drempt (JS)

Er werd meer beloofd dan metal alleen. In het folkprogramma speelden opvallende bands uit Wit-Rusland en de Baltische Staten, er waren Vikingen en ridders te paard die veldslagen uit zouden vechten, Vikingsport en –spel voor het al dan niet nuchtere publiek en zelfs een Vikingschip in het Lūkstasmeer om in te roeien of bij te zwemmen. Al raadde de festivalorganisatie wel af dit dronken of ’s nachts te doen. Meer was er niet nodig om Wybren te overtuigen met ons mee te gaan – je hoefde echt niet van metal te houden om Kilkim Žaibu op waarde te schatten. En Eva en ik wilden ons vijftienjarig samenzijn best met iemand anders erbij vieren.

Nu is een weekendje Litouwen logistiek wel wat lastiger dan even op en neer naar Duitsland. Om maar één dag vrij te hoeven nemen vlogen we naar Vilnius en terug vanaf Rīga. Beide even ver van Varniai – dat was fijn. De torenhoge one-way rental kosten die elk autoverhuurbedrijf berekende waren minder fijn. Toen de zoveelste verhuurder liet weten € 240 te willen voor drie dagen verzon ik een prijs die de concurrent had geboden, waarna ik binnen vijf minuten bericht terug had dat ze daar wel onder konden zitten. Had ik misschien nog lager moeten bluffen? Het was hoe dan ook een aandachtspuntje voor volgend jaar: als het even kan gewoon een retourvlucht boeken.

Vlakbij Vilnius lag het kasteeleiland Trakai. Het was vroeg, het was vandaag nationale Trots-dat-ik-Tataar-ben-dag en we reden er toch praktisch langs. Bij de houten huisjes van de Karaïten, een Turkssprekende minderheid die zich gespecialiseerd heeft in het bakken van met schaapsvlees gevulde deegflapjes en daar graag wodka bij serveert, was het goed ontbijten. Als we geweten hadden dat vandaag meer mensen van plan waren Trakai te bezoeken waren we vast liniaal rectaal doorgereden naar het festival, maar ter verdediging: op dat moment wisten we nog niet hoe ontzettend gaaf Kilkim Žaibu zou zijn. Veertien kilometer grind- en zandweg deden ons afvragen of dit nu echt de meest gangbare route naar Varniai was, maar dankzij de hoog opwaaiende stofwolken en de eenzaamheid van het landschap zat de stemming er al goed in.

Gauw door naar Kilkim Žaibu (JS)

We waren nog net op tijd om twee volwassen kerels in gewatteerde wapenrusting op Žemaitukas te zien zitten – kleine Samogitians, een oud Litouws ponyras. Het deed me denken aan die keer dat ik tijdens een spreekbeurt van één van de kinderen uit mijn klas op een pony zat en met mijn voeten de grond aan kon raken. Al had ik toen niet zulke vette wapens om mee op de kinderen in te hakken. Het was heet, een eindje boven de 25 °C, en zelfs zonder zware helmen op hadden we behoorlijk dorst. We schrokken er dan ook van dat ze hier, net als op Open Hell Fest in Tsjechië, aan kwartierbier deden. Dat was de tijd die we nodig hadden om deze bijnaam te bedenken; het bier zelf hadden we toen nog lang niet. De halve liters donkere Švyturys waren niet duur – ook niet als je er een bord vol sjasliek, groente en rijst bij nam – maar door de wachttijd kwamen we niet onder het optreden van Marga Muzika uit. Litouwse neofolk met veel te veel zangeressen.

Dan liever Stary Olsa. De Wit-Russen brachten met hun duda, lier, mondharp, ocarina, berkenbasttrompet, luit, mandoline en keur aan andere instrumenten niet alleen middeleeuwse muziek, maar ook geweldige covers van Nirvana en Deep Purple ten gehore. Wit-rood-witte vlaggen wapperden in het publiek; Wit-Russen die elf uur hadden gelift om dronken te worden van de in Litouwen beduidend goedkopere wodka gingen compleet uit hun dak. We misten er de gevechtscirkel door waar krijgers onder op houten palen geplaatste geitenschedels om de Bliksemzwaardtrofee vochten. Volgend jaar in de herkansing dan maar.

De thrashers van Desaster trapten het Žaibu gedeelte van het festival af en lieten er geen gras over groeien. Tien jaar na Open Hell Fest waren de Duitsers er nog geen spat subtieler op geworden. Deze Queens of Sodomy met hobby’s als haat, satanisme en oorlog waren bijzonder goed geluimd vandaag en met een grote grijns op het gezicht werd de ene killer riff na de andere ingezet. Het zonnetje scheen, het publiek danste en je moest Eva heten om niet met volle teugen te genieten van een nummer als Tyrants of the Netherworlds. Dat de introverte IJslanders van Sólstafir daarna met hun depressieve post-metal het publiek voor zich wisten te winnen was een prestatie van formaat. “Meer metalliefhebbers zijn er gewoon niet in de Baltische Staten,” legde een Litouwer me later uit toen ik vroeg waarom Kilkim Žaibu maar duizend bezoekers trok. Maar die duizend droegen Sólstafir op handen; of ze nu van heavy metal, black of Viking hielden.

Op Ragnarök hebben ze geen boten (EH)

Of van zwemmen, want dat kon ook prima na dit optreden. Het was tenslotte nog warm, het Midzomernachtvuur zou pas later ontstoken worden en de Litouwse artrock barden van Aisté Smilgevičiūte ir Skylé konden we missen als kiespijn. Op het Lūkstasmeer scheurde schaterlachend langharig metaltuig op waterfietsen voorbij met sproeiende fonteinen van water in hun kielzog en dobberden wij met uitzicht op het strand en het uitgestrekte bos tussen de familiecamping en de open plek in het bos waar het podium stond. Het Vikingschip had haar zeilen gestreken voor vandaag, maar dat maakte het aantal bewonderaars er na zoveel kwartier bier drinken niet minder om. Het was dan ook de hoogste tijd voor echte Vikingen. De Einherjermarsjen knalde over het festivalterrein toen de Noorse halfgoden van Einherjer het podium betraden. Het nog brandende skelet van het Midzomernachtvuur herinnerde aan The Wicker Man, een draakvormige wolk leek de volle maan boven het water van het meer te willen verslinden en de rauwe strot van Frode Glesnes deed de rest, van de twintig jaar oude demo Aurora Borealis tot het nieuwe Norrøn: Varniai was vanavond Walhalla voor iedereen met het heidens hart op de juiste plaats.

Aan Obtest de ondankbare taak de dag af te sluiten, maar de Litouwers hadden fans meegenomen die afgelopen nacht duidelijk meer dan drie uur geslapen hadden en overduidelijk meer dan drie bier op hadden. Nog zo’n band die graag een twintigjarig jubileum vierde en ook nu was het geluid in de Baltische bossen perfect. Rode capes, zwaarden en vuurspuwen – ook zonder was ik al in mijn nopjes geweest deze band eindelijk live te mogen zien, maar na een nummer of vier stond ik op mijn benen te tollen van de slaap. Zacht wiegend op de houten schommelbank aan het meer wisten Eva en ik het waken nog even te rekken, en gelukkig kon ik ook in mijn slaapzak op de stiltecamping elk nummer nog piekfijn horen.

Om een uur of acht brandden we onze tent uit. Na een frisse duik in het Lūkstasmeer liepen we naar het dorpje Varniai, ook al vroegen de Litouwse festivalgangers zich af of hier behalve de kerk wel iets open zou zijn. Dat bleek mee te vallen. Zwermen bos- en weidebeekjuffers vergezelden ons bij de picknick aan een lieflijk beekje. De gigantische zak verse aardbeien van twee euro kregen we met geen mogelijkheid op. Over paden van houten planken liepen we door het moeraslandschap van het Varnių regionaal park. Kikkers, padden en hagedissen schoten weg terwijl we langs beekjes, orchideeën en veenpluis liepen. Hartstikke mooi, maar mooier nog was misschien wel dat we precies op tijd terug waren voor het metalmatinee van Malduguns (Letse death metal) en Balfor (melodische black/death uit Oekraïne). Het publiek had er alweer zin in, zo vroeg op de dag. Uit houten boomstammetjes en takken waren een drumstel, gitaren en microfoonstandaard geknutseld, maar je kunt boos kijken wat je wilt, in een kleurrijke zwembroek zie je er vaak niet half zo ruig uit als je had gehoopt.

Neem je bitje mee (GB)

Kilkim Žaibu had de publieksparticipatie hoog in het vaandel staan en bij de allerlaatste mogelijkheid kregen we er toch nog wat van mee. Terwijl twee teams van testosteron uitwasemende mannen met ontbloot bovenlijf klaarstonden op elkaar in te rennen bij een soort Vikingrugby, werd er nog één deelnemer gezocht. Jij daar, wees de leider naar mij. Ik was blij dat ik mijn bitje had meegenomen – zo’n festival leek Kilkim Žaibu me wel. Zodra er een glad geschaafde boomstam de lucht in werd gegooid zouden de twee teams hard op elkaar inlopen om als eerste de stam beet te grijpen. Doel: het raken van het schild van de tegenstander. Rake klappen en onorthodoxe tackles deden de stofwolken hoog opwaaien en met haren vol hooi en armen en benen vol blauwe plekken moesten we concluderen dat het andere team toch wat meer kilo’s had om tegen ons aan te knallen. Tot drie keer toe werd de mat met ons aangeveegd, maar leuk was het wel.

Tijdens het optreden van Horna kreeg ik nog een fijne duw in mijn rug, maar nu was het Edmond. Onze vrienden van Dordeduh hadden gepland er rond twaalf uur te zijn, dus half vijf viel me alleszins mee. Na een show in Zwitserland hadden de Roemenen zevenentwintig uur gereisd om hier te komen. “Wat was het idee? We doen twee optredens die allebei ongeveer even ver van huis zijn?” vroeg ik Edmond. Ja, daar kwam het inderdaad op neer, gaf hij toe. Je moet Roemeen zijn om zoiets te bedenken, maar toch hadden we medelijden met onze vrienden die er doodmoe uitzagen. Jimmy, Sergio en Mihai hielden het minder lang uit bij de bijbelverscheurders en kruisbespugers van Horna, maar ik vond de Finse duivelsaanbidders best vermakelijk. Heerlijke rock ‘n’ roll riffs en lekker intens, maar op dit vroege, zonnige uur toch moeilijk serieus te nemen.

Dat Dordeduh meteen daarna al aan de bak mocht hadden we niet verwacht en tijdens de soundcheck vervloekten we onze net bestelde sjaslieks en kwartierbiertjes. Gezellig naast elkaar zittend omdat iemand in coma op het bankje aan de overkant van de tafel lag, propten we ons eten zonder te kauwen naar binnen om op tijd vooraan te staan. Ondanks de geïmproviseerde podiumbezetting zonder Flavius en de zwangere Alina speelde Dordeduh goed. De tulnics, de toacă en het hakkebord – het klonk live allemaal net zo goed als op cd en hoewel de vermoeidheid aan de gezichten was af te lezen maakten de Roemenen zich er niet gemakkelijk vanaf.

Een natte droom van een festival (EH)

De grindcore van Exhumed had zo zijn charmes, maar de aantrekkingskracht van vuur won het van de necrofilie bezingende Amerikanen. Er laaide een klein kampvuurtje links van het podium en met her en der over het terrein verspreid liggende hooibalen konden Wybren en ik de verleiding niet weerstaan er beide eentje mee te zeulen. Dat deed het vuurtje zichtbaar goed en stilzwijgend moedigden anderen ons aan er ook nog maar wat hout op te gooien. Het duurde niet lang voor er iemand van de organisatie aan kwam. “Wacht even jongens! Ik haal wel even werkhandschoenen want er zitten spijkers in dat hout.” Op mijn vraag een festivalshirt voor me te regelen kwam de beste man terug met een girlie, maar een gegeven paard moet je niet in de bek kijken, dus een slokje palinca had hij wel verdiend.

De palinca was trouwens snel op. Des te beter, want nu hadden we onze handen vrij voor Turisas. De Varangian Guard marcheerde in rood/zwarte schmink het podium op, waarna er met de armen om elkaars schouders geslagen uit volle borst meegezongen mocht worden. De eerste druppels uit de lucht verwerden snel tot stromende regen en hoewel shirts en schoenen binnen een mum van tijd kletsnat waren, haalde niemand het in zijn hoofd weg te vluchten van deze feestelijke battle metal. Modder en stortregen: dit was rugbyweer. Wybren trommelde links wat beukgrage headbangers op, ik had rechts mijn eigen dronken garde en op teken van Turisas renden we muur op muur, Стенка на Стенку, op elkaar in. Dit vonden ze hier leuk. En dit was het beste optreden van Kilkim Žaibu XIV.

Uitgeput en doorweekt drong de kou tot ons door zodra Turisas’ laatste tonen wegstierven. Samen met Edmond doken we het Lūkstasmeer nog één keer in. Het water was nu warmer dan de buitenlucht en aangezien er in onze tent plassen water stonden, konden we net zo goed nog wat drinken met Edmond. Volgend jaar wilde hij weer gaan, maar dan als bezoeker. Wybren wilde ook en voor Eva en mij overtrof dit festival zelfs ons geliefde Ragnarök. Zo’n slechte beurt als de Letten een dag later maakten met hun schaamteloze nepbelastingen en huichelachtige wisselpraktijken in Rīga, zo sympathiek kwamen de Litouwers op ons over hier op Kilkim Žaibu. Volgend jaar alle drie de dagen. Wie gaat er mee?

The Angel’s Share
John Dies at the End

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*