Het einde der tijden was weer leuk dit jaar

Jezelf verslapen voor het einde der tijden – hoe krijg je het voor elkaar? Het zal wel in de familie zitten, want het lukte zowel Daan als Marijn. Nu is die eindstrijd der goden ook wel wat minder exclusief dan de Noordse mythologie ons wil doen geloven, nu Ragnarök jaarlijks in Lichtenfels plaatsvindt, maar ik zou nimmer durven beweren dat het feestje daardoor aan devaluatie onderhevig is. Voor de vierde maal reden we dan ook met het nodige slaapgebrek door de spanning, doch goedgeluimd, naar Zuid-Duitsland. Opnieuw niet in de originele, Peugeotvullende samenstelling van twee en drie jaar geleden, want Eva en Rudi ontbraken om verschillende redenen. Zo was Eva zes maanden zwanger en Rudi niet. Een kind heeft nog een heel leven voor zich om gehoorbeschadiging op te lopen, dus dan liever een jaartje gewacht – al is Ragnarök moeten missen iets wat je zelfs je vijanden niet toe zou wensen.

De weg was inmiddels bekend en het kostte weinig moeite om vanuit de Nederlandse miezer de Beierse stortregen te vinden. Dat we de eerste band misten heeft ook generlei nieuwswaarde meer. Door de lamzakken van de familie S peth, het niet consequent 180 kunnen rijden in verband met de ongewenste meteorologische omstandigheden en onze keuze voor Maincamping Lichtenfels, arriveerden we pas nadat Finsterforst de spits had afgebeten. Toch, eindelijk zaten we dan op die illustere camping. Die camping die ons achtereenvolgens had afgewimpeld door overstroomd en tweemaal gesloten te zijn. Nu waren ze open. “Maar bij het festival zelf is ook een camping,” probeerde de beheerder telefonisch nog. Nee mannetje, jij krijgt rockers over de vloer, of je nu wilt of niet.

Dat zal dan wel ‘niet’ zijn geweest en bijna was het ze gelukt de camping opnieuw te laten overstromen. Bij het opzetten van de tenten, zorgvuldig alles wat op campingpersoneel leek vermijdend, keken we uit op een houten steiger aan de lieflijk voortkabbelende Main. Na een dag van onophoudelijk regenen was dat kabbelen ‘s avonds in stromen, nee, razen veranderd. “Lag hier niet eerst een steiger?” vroegen we ons lichtelijk verbaasd en eveneens aangeschoten af. Het waterpeil was in één dag tijd vijftig centimeter gestegen en het hoefde niet veel hoger om onze tenten blank te zetten. Marijn was er wel voor in om samen met mij een greppel te graven, maar het voorstel van de campingbaas om de tenten in onze afwezigheid te verplaatsen, zo dit nodig zou zijn, was waarschijnlijk effectiever. In ieder geval beduidend minder arbeidsintensief.

Er was dus nòg een camping

Het meeste van die vijftig centimeter water kregen we op ons hoofd toen we in de rij stonden voor ons festivalbandje. Drijfnat maakten we onze entree in de Stadthalle voor Adorned Brood, want toen we toch al te laat waren voor Finsterforst, besloten we dat we die hoer van Kivimetsän Druidi best konden missen. Op krachten gekomen door halve liters witbier en kilo’s aardbeien was het tijd voor de eerste meezingers. Maar dan wel op onze manier, want Adorned Brood plagieerde schaamteloos uit het werk van Turisas. De Duitsers keken ons raar aan, maar wij hadden schik. Er was nog steeds niets veranderd onder de zon. Ook ‘Fallen Yggdrasil’ vonden wij in deze stemming vrij vermakelijk en wat we toch moesten drinken zeven dagen lang was nu nog leuk, maar meezingen doen we liever met Alestorm. Onze inmiddels beruchte opblaasbare papegaai (meerdere malen gesigneerd) trok weer veel bekijks. Zelfs geheel in piratenoutfit gestoken metalheads keken afgunstig naar onze kunststofara. De plastic haak en denkbeeldige kroes rum gingen de lucht in voor deze heavy metal piraten met hun schepen van kosmisch staal.

Er waren vandaag veel sloeries en bier voor ons plezier en ook de tot gitarist gepromoveerde bassist zette alles op alles om ons feestje te laten slagen. Samen zongen we a capella ‘Flower of Scotland’. De Schot bedankte me voor het herinneren van de tekst, want zo te zien was dit niet zijn eerste pilsje vandaag. We zetten daarom onze zeilen bij voor Heidevolk, want onze kelen konden nog best wat schorrer. Door vijand omgeven zongen wij als eenzame Nederlanders mee over hoe Saxnot de stammen samensmeedde en over Koning Radboud, die de kerken met Friese grond gelijk maakte. Ja, mooi was die tijd. Ons roepen tussen de liederen door om ‘Vulgaris Magistralis’ werd gehonoreerd. Wie zegt dat Duitsers te beroerd zijn om een woordje Nederlands te leren? Links en rechts van ons klonk bijval uit Duitse kelen. Sieg für Wotan, Wodan heerst – zo verschillend is het allemaal niet.

Gezellig keuvelend met een oudere dame uit Lichtenfels wachtten we op onze acht broodjes dürüm, met als toetje een broodje Bratwurst. Witbier kon inmiddels gewoon mee naar binnen met de altijd handige plastic festivalbekers, want in Duitsland doen ze niet moeilijk. Jammer dat Antoine weer regelmatig spoorloos was, want het was vorig jaar erg amusant hoe hij Duitse fans op hun pik trapte door “Wolfschwanz!” tussen de liedjes van Wolfchant door te brallen. Wolfchant is leuk, verre van goed en een aardig opwarmertje voor Týr. Na twee weken over de Færøer te hebben rondgedwaald krijgt zo’n band automatisch meer elan, zelfs al hebben ze hun parelkettingen en parelmoeren gitaren inmiddels afgezworen. De hamer waren ze wel trouw gebleven, al werd ‘Hail to the Hammer’ na de nodige Engelse lessen nu wel correct uitgesproken.

Een minpuntje dat vergeven mag worden, want na Týr was het even stil. Of het leek althans zo. Of het aan mij, het rijkelijk vloeiende bier of de muzikale kwaliteiten van Dornenreich en Korpiklaani ligt, durf ik niet te zeggen; feit is dat ik me van deze bands weinig herinner. Wat ik me nog wel voor de geest kan halen is koffie, knoflookbrood met de nadruk op knoflook, stiekem binnensluipen in het Vikingdorp op het festivalterrein en springen met Daan en Marijn. Wacht, er komt nog iets boven. Judith, Maarten en ik waren het deze keer die vriendschap sloten met een rare Duitser. Meestal zorgt Antoine daarvoor. Een greep uit zijn ontmoetingen:

– Charlotte, van wie hij zowaar het telefoonnummer lospeuterde.
– Een onsamenhangend mompelende Duitser die trotse bezitter van een tand van de Oostzeeslang was. Of hij deze zelf uit de bek van het monster had geslagen of op eBay had bemachtigd bleef in het ongewisse. Tevergeefs zocht hij in zijn linnen buideltje naar barnsteen. Met welk doel voor ogen wisten Antoine en ik niet.
– Twee kleine, “White Power!” krijsende mannetjes die de groeispurt duidelijk hadden gemist. Blonde haren, blauwe ogen – Antoine mag zichzelf graag ‘Der Übermann’ noemen.
– Een enorme, als Viking uitgedoste man die er niet mee kon lachen dat Antoine met zijn vriendinnetje stond te kletsen.
– Een manische Duitser die haarelastiekjes van Antoine en mij wilde hebben. Even later had hij de tien benodigde exemplaren, luidkeels verkondigend “Ich hab es geschaft!” Een fles mede was zijn deel.

Baarden, je ziet ze steeds vaker tegenwoordig

Nu moesten Judith, Maarten en ik dus Duits praten. Na een kwartiertje vroeg ik eens voor welke bands hij kwam. “Korpiklaani,” klonk het stellig. Die stonden al een half uur te spelen en we misten ze niet. Weer binnen spurtte ik met Marijn voorwaarts, want Månegarm is veel vetter. Niet alleen vanwege de vette stierennek met patserige halsband van de gespierde zanger, maar meer vanwege de bebrilde, grijze warbol die viool speelt in de Zweedse Vikingband. Wij wilden ook warbollen worden en zwaaiden onze haren lustig in de rondte. Doordat Nelleke ook in slaap viel terwijl ze Daan ophaalde mochten we nog wat van slotact Falchion zien, maar na zoveel moois van Månegarm hadden we het beter een dag kunnen noemen. De zaterdag beloofde nog zwaarder te worden. Samen vooraan, samen thuis, dachten Marijn en ik en lapten de ook in Duitsland rondom het spoor geldende toegangsregels aan de laars. Een shortcut waarmee de wandeltocht naar de camping nog altijd langer duurde dan de tien minuten die we alleen Antoine wijs konden maken, maar korter was het wel. We wensten de in de parkeergarages kamperende festivalgangers een goede nachtrust en kropen bezorgd in onze nu toch wel erg dicht bij de Main staande tentjes.

Na een nacht van nimmer aflatende regen bleken we van binnen toch wel wat uitgedroogd. Geen nood, want ik had een fles van Roemeniës nationale ontbijtdrank meegenomen: palinca! Kaiserbrötchen met vlees met dank aan Judith, Heimatbrot van Antoine en slokken palinca. Vandaag was het waarlijk Feest. Dat er water in de vale Roemeense colafles zat, kreeg ik niemand wijsgemaakt, waarop ik het straffe spul dan maar als ontbijt aan Daan aanbood, toen die eindelijk zijn tent kwam uitgerold. Pas bij de derde grote slok rook hij onraad. “Gadverdamme, dat is geen water!” treurde onze brakke vriend. Het zal wel in de familie zitten, want het lukte zowel Daan als Marijn. Marijn had toch al verkeerd gelegen vannacht en had nu niet door dat Gijs constateerde dat Nelleke vandaag geen Bob meer was na het nuttigen van een overheerlijke slok. Ook Marijn had drie slokken nodig om te constateren wat ons vrij voor de hand liggend leek.

Het was dus Feest vandaag, want zelfs het metalmatinee van Yggdrasil (niet gevallen), Alkonost (uit Tatarstan, met een helaas daar niet geroofde vrouw in de gelederen) en Fejd viel alleszins mee. Het echte werk moest nog beginnen, met mijn favoriete drie Ragnarökbands van dit jaar nog voor de boeg. Eerst was het Estse Metsatöll aan de beurt. Spleet Alestorm het publiek een dag eerder nog als een levende zee in tweeën om met bulderend geraas weer op elkaar te laten storten, nu berustte de scheiding op geslacht. Metsatöll had namelijk twee vraagjes. Eerst één voor de meisjes: “Hoe geil zijn jullie?!” Nelleke en met haar vele anderen die boven dit soort platvloersheid stonden hielden de armen stijf over elkaar. Judith en met haar vele anderen gilden de longen uit hun lijf. “En nu de mannen – hoe geil zijn jullie?!” Hier geen tweespalt en het dak ging eraf voor ‘Iivakivi’, de ‘Vruchtbaarheidssteen’. Dat het vrolijke mannenkoor het hele vruchtbaarheidsgebeuren serieus nam werd kracht bijgezet door het meegenomen assortiment kinderkleding. De Duitse meisjes van de merchandisestand die het Metsatöll rompertje aan me verkochten vielen bijkans in zwijm bij het zien van zoiets vertederends. “Ooooh, wie Süß!” Jonge vaders liggen geloof ik goed in de markt, want ongevraagd kreeg ik Charlottes e-mailadres, wat ik meer kon waarderen dan Antoine.

Fjoergyn is altijd goed, maar Gijs en ik hadden er een orkest bij verwacht. De cd-presentatie werd visueel gelukkig ondersteund door heel veel vuur, waarna Judith graag met ons naar Rammstein zou gaan. Dat lijkt me suf. Dark Fortress leek me nog suffer en eindelijk, tijdens ons vierde bezoek aan Lichtenfels, durfden we bij het Kroateninsel naar binnen te gaan. De rij bij de dürümtent was Antoine, Daan en mij te lang. Het was er een gezellige bedoening. Kroatische Schnapps hadden ze niet, want er was niets Kroatisch aan de tent. Ze waren Duits, het eten was Duits en de naam hadden ze erbij gekregen toen ze het etablissement kochten. “Eigenlijk moesten we het Kaoteninsel noemen,” snoof de serveerster. Daar had ze een punt. Aan de stamtafel dronken oude mannetjes pullen bier, er werd aan armworstelen gedaan, Rammstein en Nederlandstalige techno werden met elkaar afgewisseld en ook de serveerster was best black. Haar ondergoed bewonderend moesten we haar gelijk geven, waarna we ons bord vol vlees kregen. Antoine moest zijn allerbeminnelijkste glimlach inzetten om nog bier te krijgen, maar rechtop op de bank zitten lukte hem al niet meer. Met de hele kroeg zongen we de liedjes van Rammstein mee (toch niet zo suf) en aangesterkt sloegen we bij het verlaten van de kroeg naar Beiers gebruik met de knokkels van onze hand zo hard mogelijk op elke tafel met gasten. Antoine sloeg nog een keer op zijn hardst op de ruiten, want als de serveerster zich niet zoals ze beweerde elk gezicht herinnerde, dan moest dit de truc toch doen.

Met snollenmagneet Antoine verveel je je nooit

Nu werd het pas echt leuk met Antoine. Daan, Marijn en ik trokken hem mee naar voren, waar we zijn shirt uittrokken. Dit tot groot vermaak van de aanwezige meisjes, zeker na onze uitdagende dansjes met de blonde Adonis. Toen we hem zijn shirt eindelijk teruggaven, resulterend in een worsteling met het kledingstuk waardoor hij een halve minuut lang niets zag, trokken we snel onze eigen t-shirts uit. Antoine boos, meisjes nog meer giechelen en had ik al gezegd dat het vandaag Feest was? Als uitzinnige derwisjen draaiden we rond op de Mesopotamische metal van Melechesh. Arabische riedeltjes, strakke riffs en een drummer op speed. En wij maar rondbeuken met onze goed geproportioneerde lichamen. Een en al grijns moesten we vernemen dat de rest Melechesh maar zo zo had gevonden, maar wat ons betreft zou Thyrfing er een harde dobber aan hebben zich hiermee te mogen meten.

Petje af voor Thyrfing dus dat we dit alle acht vet vonden. Vorige keer, op Heidenfest in Dortmund, vond ik de bij mij toch hoog in het vaandel staande band tegenvallen. Nu waren mijn verwachtingen laaggespannen, maar wat een optreden! De Duitser die we gisteren hadden leren kennen voegde zich bij ons (“Fiepke!” – Huh, had ik me dan voorgesteld?) met zijn vrienden. Bier, headbangen, uitgelaten Duitsers en meebrullen terwijl je de tekst niet kent – wat kon ik me nog meer wensen? Op die vraag was vandaag, Feestdag in het Extreme, maar één antwoord mogelijk en dit antwoord dient in hoofdletters te worden geschreven:

(tromgeroffel, luid trompetgeschal)

EINHERJER

Einherjer was de band die me elf jaar geleden in aanraking deed komen met Vikingmetal. Einherjer was de geniale band die ik geweldig vond, maar die geen van mijn vrienden iets deed. Alleen Eva zag in Einherjer wat ik erin zag. Door Einherjer ging ik naar andere muziek luisteren, in een tijd waarin Viking en pagan metal nog helemaal niet hip waren. Toen maakte Einherjer ineens een nog betere cd – zo ontzettend ongelofelijk goed, dat ze er zelf versteld van stonden. “Ja, dit was wat we jaren geleden voor ogen hadden,” gaven ze te kennen. “Beter kan niet en dus heeft doorgaan geen zin. Houdoe!”

Einherjer hield ermee op, maar nu, zes jaar later, keerde de band terug. Een reünie van mijn favoriete band op mijn favoriete festival. Oftewel: Feest. Het doek ging omhoog, de Einherjermarsjen donderde door de zaal en het leven was goed. Vandaag hadden we vele Duitsers aan de baard gevoeld en rondjes laten draaien, maar nu moesten we springen, dansen en zingen. Einherjer was terug! De terugkeer van de Vikinglegende werd gevierd met spontane rondedansen en ineengehaakte rijen haarzwaaiers, schouder aan schouder. Zelfs walrusvormige dikkerds lieten zich helemaal gaan en vergaten hun beschamende lichaamsbouw bij het vieren van dit Vikingfeest. Van de allereerste mini-cd ‘Aurora Borealis’, de ‘Ballad of the Swords’ van klassieker ‘Dragons of the North’, de oude meezinger ‘Naar Hammeren Heves’ tot het nieuwere, herstel, minder oude werk van ‘Blot’ – alles werd gespeeld en Einherjer had er plezier in. Of het echt zeventig minuten geduurd heeft weet ik niet, want het vloog voorbij: wat een climax van een eens temeer voor herhaling vatbaar zijnd einde der tijden. Wie wil er volgend jaar ergens in april een weekend op ons kindje passen?

Vous roulez, zeggen ze in Kleine Landen
Låt den rätte komma in

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*