Het heiligste van het heiligste eens duchtig ontheiligen

Hoewel nog kleurecht begonnen de tourshirts steeds authentieker te geuren. “De kleur van de t-shirts is binnen best donker,” maakte Gijs zich vooraf zorgen over de mogelijkheid tot bedrukken. “We zijn veel binnen op vakantie,” deelde ik zijn zorgen. “Maar we kunnen wel een raampje open draaien.” Het was hoog tijd Gijs’ oplossing in praktijk te brengen. De boeren en scheten waren niet van de lucht. We zouden eigenlijk zo’n boompje voor aan de spiegel moeten vinden om dit odeur te neutraliseren. De auto was inmiddels aardig gevuld met allerhande kruimels, gft-afval en fastfoodverpakkingen. Misschien waren we in Monaco niet langer op onze plek.

Enkele lege koffiebekers op de vloer later reden we al door Italië. Hier zat ergens een Klein Verrassingsland verstopt: Seborga. De inwoners van Seborga waren er bij het napluizen van de archieven achter gekomen dat ze het unificatieverdrag met Italië nooit ondertekend hadden. Heel Italië was één geworden, maar Seborga was over het hoofd gezien. Reden genoeg voor de dikke, baarddragende (doch not nearly zo stoer als wij) Giorgio Carbone, ooit hoofd van het lokale bloemisterijgilde, om zich tot prins van onafhankelijk Seborga uit te roepen. In een referendum mocht hij rekenen op steun van 304 van de 308 plaatselijke stemgerechtigden. Rome kan zich er niet druk om maken. Seborga heeft een eigen vlag en een grenshokje, maar op een dag is de grap er vast af.

Fier wapperend boven de 362 inwoners (JS)

Die dag was nog niet gekomen en aangezien afslag Seborga precies op onze route lag, besloten we even poolshoogte te nemen. We reden een heuvel op en passeerden een blauw bord met de woorden ‘Benvenuti nell’antico Principato di Seborga’. Een en ander vertoonde toch wel wat overeenkomsten met Monaco, hier nog geen half uur gaans vandaan. In Seborga echter geen luxe jachten, casino’s of poepjedure automobielen. Seborga ontwaakte net. Een gekko kroop slaperig vanonder een marmeren plaat. Een ondernemende Italiaan zette juist zijn souvenirhandel in mandjes aan de straat. Nauwe steegjes leidden ons naar het aardige dorpspleintje van vijf bij vijf meter. Bloemen voor de vensterbanken, de vlag van Seborga aan elke gevel. Leuk, maar hier viel dus echt niets te beleven.

De als een slang kronkelende en van tunnels vergeven weg tussen Monaco en La Spézia in Ligurië was wat mij betreft de zwaarste etappe van de hele tour. Ik verwachtte eenvoudig langs de Golf van Genua te mogen cruisen, met stralende vergezichten over de Italiaanse rivièra, maar het bleek lastig laveren over de niet al te brede snelwegen. Het ergste was het volkomen gebrek aan rijvaardigheden bij de pastapipo’s die de weg volpropten in de ochtendspits; niet ingecalculeerde regenbuien, hoogtewisselingen en scherpe bochten maakten dat het allemaal niet bijster opschoot. Pas bij het in de verte zien van de Toren van Pisa konden we weer tempo maken. De pret was van korte duur, want bijrijder Daan realiseerde zich dat we die toren helemaal niet hadden moeten zien. “Geen nood, ik weet een shortcut,” zei hij na bestuderen van de kaart – en hij meende het oprecht. Shortcut met de nadruk op kut dan toch, maar via allerlei achterafweggetjes bereikten we Firenze.

Van Firenze naar Rome over de A1 was niet meer dan een formaliteit. Een bijzonder langdurige formaliteit, dat wel, maar toen het gehalte scooters schrikbarende hoogtes aannam, het getoeter niet meer afliet en rechts inhalen en bumperkleven de norm werden was het ons duidelijk: we naderden Rome! In de zinderende namiddagzon ging het met een slakkengangetje verder naar metrostation Anagnina, aan de ringweg om de Italiaanse hoofdstad en op een kilometer of tien van het centrum. Het broodnodige (tandenborstel, fotocamera, fles 96% alcohol) werd in kleine rugzakjes gepropt. De rest van onze bezittingen lieten we vol vertrouwen achter op de onbewaakte parkeerplaats bij het metrostation. Eén euro later zaten we al in de metro. Ah, de metro. Geïntrigeerde blikken waren ons deel; links en rechts werd er over ons geroezemoesd. De Italianen tegenover ons hadden tien, twintig centimeter tussenruimte op hun krappe stoeltjes. Wij zaten schouder aan schouder opeen gepakt, met geen mogelijkheid in staat ons te verroeren. Halte Ottaviano was de onze en bij het opstaan werden helemaal grote ogen opgezet. Bukkend verlieten we gevieren de metro, nagestaard door de horde een kop kleinere Italianen.

Gezegende cameravoering uit de losse pols (JS)

Pensione Ottaviano was qua locatie een uitstekend hostel, op luttele meters afstand van het Vaticaan. Qua personeel was het ook onderhoudend. De blonde Joanna kon, net zoals de Italianen zojuist in de metro, haar ogen niet van ons afhouden. Vier knappe, uit de kluiten gewassen kerels in een kleine auto. Wat had ze daar graag tussen gezeten. Dat ze blond was zouden we weten, want het makkelijke meiske grapte heel wat over haar gebrek aan richtingsgevoel. Aangezien de deuren van het hostel geen van alle op slot konden, bestond de kans dat Joanna vannacht zou verdwalen en haar eigen bed niet meer kon vinden. Terwijl ze zich in haar eigen kamer alvast zo sletterig mogelijk ging omkleden, namen wij voor de zekerheid maar een plattegrond van Rome mee voor onderweg. Wij waren wel van plan de nacht in ons net opgemaakte bed door te brengen, al was Daan er nog niet helemaal uit.

Voor het vinden van het vierde Kleine Land van onze tour hadden we geen kaart nodig. Twintig meter van ons hostel lag Piazza Risorgimento, met aan de overzijde daarvan Vaticaanstad. Met een oppervlakte van 0,44 km² het Kleinste Land ter wereld, omgerekend naar inkomen per persoon het rijkste, zonder vrijheid van godsdienst, zonder stemrecht voor de inwoners en ontstaan in 1929 met dank aan Benito Mussolini. Bij voorbaat ons minst favoriete Kleine Land, al had het één grote troef in handen: Vaticaanstad zou het eerste land worden waar we helemaal omheen zouden lopen. Het was een drukte van belang toen we het Sint-Pietersplein betraden, al gaf de paus niet thuis. Zelfs hier waren onze tourshirts een succes. “Dat ben jij,” wees de uitgelaten verkoper van pauselijke prentjes naar Daan. “Dat is die knappe blonde,” herkende hij Jaap, “en dat, ja, dat is HIJ!” besloot de beste man, de handen ten hemel heffend en mij aankijkend. Ook Jezus houdt van Kleine Landen, was de boodschap, waarna we met een ijsco in de hand door het ganse land, pardon, om het ganse land liepen.

Hoe klein Vaticaanstad ook is, met één ijsco red je het niet tot het eind. Nu liepen we ook verkeerd, wat bij dit land minder kwaad kan dan bij de meeste andere. Eenmaal op de goede weg hoefden we slechts de metershoge, dikke muren die het Vaticaan omgeven aan onze rechterhand te houden, op weg naar een prestatie die het Guinness Book of Records waardig was. Omwandelen van een Klein Land naar keuze door louter langharige, bebaarde mannen. Huidig record: 47 minuten. De groepsfoto werd hierna op het Sint-Pietersplein genomen. Voor het betreden van de rest van het land diende betaald te worden en we hielden ons geld liever in de portemonnee dan dat het naar christenen ging. Wel wilden we het heiligste van het heiligste eens duchtig ontheiligen. Hoewel, onze meest provocerende metalshirts lagen thuis nog in de kast, onze vriendinnen zaten eveneens thuis en we waren net naar de wc geweest. Het had dus stukken erger gekund, al waren de politieagenten niet content met onze pose. Grijze wolken pakten samen boven de Sint-Pietersbasiliek, maar ons duivelsaanbidden bleef onbestraft.

Tot het avondmaal dan. Ergens bij Piazza Navona werden ons armetierige porties lasagne voorgeschoteld die we normaal gesproken als derde-bordje-porties opscheppen. Geen wonder dat die pastapipo’s zo klein blijven. Onbevredigd keerden we terug naar Joanna, maar niet voordat we een stuiterende Gijs door nachtelijk Rome hadden gevolgd. De enige positieve herinneringen van Gijs aan het voortgezet onderwijs stamden van een uitwisseling met Rome. Voor ons was het moeilijk zijn enthousiasme te delen. Jawel, die dingen waar ze Rome mee vol hadden gezet waren best mooi – de Engelenburcht, de Trevifontein, het Colosseum en het Forum Romanum, klassiek verlicht in de zwarte nacht – maar Rome is een te drukke, met miljoenen toeristen dichtgeslibde en belachelijk grote stad waar ik niet dood gevonden wil worden.

Hostel met ervaren personeel (JW)

Dan is er nog de kans iemand dood te vinden na het nuttigen van een fles alcohol van 96%, al merkte ik dat die avond nog niet zozeer. In Pensione Ottaviano werd na de nodige biertjes en wijn Daans aanwinst uit Andorra uit de rugzak gehaald. Zowel Argentijnen, Slovenen als blond hostelpersoneel waren onder de indruk. “Gaan jullie met je eigen Vikingschip naar Malta?” vroegen de Slovenen, die zich daarstraks nog lange jongens hadden gewaand hier in Italië. Ja, wij zijn heidense doerakken. Joanna, inmiddels met roze oogschaduw en glitters op het gezicht, was niet meer bij ons weg te slaan. Zelden had de zin “Jag vill stora pattar” zo’n succes. De zaadvragende ogen werden groter, zogenaamd geshockeerd, maar na enkele bekers 96%-vruchtensap vonden Gijs, Jaap en ik het leuk geweest. Morgen moesten we een vlucht naar Malta halen en wel helemaal vanuit Bari. Joanna wilde echter nog niet naar bed (ha, spitsvondig!) en kreeg Daan, behoorlijk kachel, zover dat hij meeging, het Romeinse nachtleven in. Joanne kuste me goedenacht en smeerde hem snel met Daan, de Slovenen en wie weet nog meer, zeer tegen de zin van Gijs, Jaap en mij in. Over vier uur moesten we opstaan en deze keer kwamen we met een paar uur vertraging niet slechts iets later aan, maar zouden we een Klein Land missen.

Om vijf uur komt Daan weer binnengestommeld. In welke staat blijft nog even een verrassing. Als we even later opstaan mompelt hij iets onsamenhangends, gooit een kast tegen de vloer en wekt meepessant het hele hostel. “Daan, waar is dat goed voor?” wil ik weten. “Ik wou mijn tent pakken die in de kast te drogen hangt,” probeert Daan. “Nee, die ligt in de auto.” Het lijkt Daan verstandig hier op bed nog even over na te denken. Jaap en ik zitten hevig aan de paracetamol terwijl het hostelmeisje uit Letland, haar neus ophalend, niet opgedronken mixjes van vruchtensap en 96% alcohol door de gootsteen spoelt. De geur is voldoende om onpasselijk van te worden. Na Daan eens te meer gewekt te hebben, horen we onderweg naar de metro zijn verhaal aan. “Het enige dat ik nog goed onthouden heb van gisterenavond, is dat ik een kast omver heb gegooid,” vertelt Daan over zijn nachtelijke avonturen. Er was iets met een aanhankelijke Joanna, Daan die zich ondanks een zeker surplus aan alcohol wist te beheersen, een taxi terug en een Sloveense tennisfan die vast een plezierig nachtje heeft beleefd.

Wonder boven wonder houdt Daan zijn maaginhoud binnen. Het is vandaag stil in de auto. Na een tijdje kickt de paracetamol in en zingen Jaap en ik mee met de Band Zonder Banaan. Extraheren. Penetreren. Oxideren. Anaal titreren. Ik toeter mee in de ochtendspits, draai het raampje open, gooi er nog een pagliaccio di pasta uit en doe zo goed als ik kan mee met de Romeinse ochtendspits. When in Rome… Twee bijna-aanrijdingen en een fikse omweg later zitten we op de A1 richting Napoli. Hier, in Zuid-Italië, wordt het pas echt heet. Daar heeft Daan, in comateuze toestand boven de versnellingspook hangend, in ieder geval geen last van. Ons gastgezin in Malta misschien des te meer. Het is dan wel Koninginnedag, maar wij hebben niks oranjes aan. Voor de zesde dag op rij dragen we onze blitse, edoch aromatisch wat minder geslaagde tourshirts. Wat zullen ze blij met ons zijn in het vliegtuig.

Heb je niks sterkers dan factor 50?
Schandalig rijk en exorbitant rijk, netjes van elkaar gescheiden

Be the first to comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*