Het is niet verboden

Noordwaarts zouden we gaan. Vaarwel zwoele, zuidelijke eilanden, met jullie temperaturen van 12°C en hoger. Tijd om onze borst nat te maken. Bij wijze van spreken dan, want met deze wind had je een verkoudheid zo te pakken. Vandaag Eysturoy, morgen nog verder naar het noorden, naar de Norðuroyggjar. Maar eerst nog wat plekjes op Streymoy bezoeken, voor we over de enige brug over de Atlantische Oceaan zouden rijden. Over hele smalle weggetjes reden we door de langste vallei van de Færøer naar Saksun (Saksunland!). Ingeklemd tussen het meer Saksunarvatn en de lagune Pollurin lag een even schilderachtig als saai dorpje. Nou ja, misschien nèt iets schilderachtiger dan saai, maar dat het museum met de karakteristieke uit zwerfkeien opgebouwde huisjes gesloten was, hielp niet. Vanaf het witte kerkje was te zien hoe een rivier zich in de lagune stortte en hoe hoge rotswanden Saksun aan alle kanten omsloten. Zo, dat hadden we ook weer gehad.

Tjørnuvík (EH)

We hadden een fikse wandeling gepland, dwars over de bergrug die Saksun van de noordelijke kust van Streymoy scheidde. Het was bewolkt, windstil was het uiteraard niet en het rotsachtige pad omhoog was niet gemarkeerd. Eva en ik hadden er zin in. Op een plateau hoog boven Saksun meanderde de Gellingará over een kale, grijsgroene vlakte. De cairns die we inmiddels weer hadden gevonden liepen recht op een muur van gruis af. Achter deze bergpas wachtte een steile afdaling. Volgens onze kaart hadden we in Tjørnuvík uit moeten komen, maar we waren er niet zeker van of we überhaupt nog wel op de Færøer waren. Wat was dit ineens? In de stralende zon liepen we door een vallei waar de bloemen kniehoog stonden. De paarse, gele en witte bloemenpracht werd slechts onderbroken door lieflijke watervalletjes. In de verte zagen we een helderblauwe zee in een heerlijk beschutte baai. Kinderen renden met hun ouders in de wit schuimende branding. Hooi hing te drogen over droogrekken langs een kalm door het dorp kabbelende beek.

Een duikje in de Atlantische Oceaan met uitzicht op Rísin en Kellingin (EH)

Er kwamen geen vrouwen in bikini’s met zebramotief om me te vertellen dat ik droomde, dus dit zou wel echt Tjørnuvík zijn. Het mooiste dorp op de Færøer, dacht ik met een glimlach. Zelfs zonder vrouwen in bikini’s met zebramotief. En als anderen hier zwommen (nou ja, de vader ging bijna kopje onder terwijl de rest het prima vond dat het water tot de kuiten reikte), dan kon ik het ook. Beneden in het dorp, waar de ijsjes in noodtempo over de toonbank vlogen, stonden Rineke en oma pas net te wachten. Uit met die broek en de Atlantische Oceaan in! De branding was geweldig: hoge golven stortten zich met veel geruis op het van guano doordrenkte strandje. Ja, het was koud, maar minder koud dan ik had gevreesd. Met uitzicht op de rotsformaties Risin en Kellingin, twee reuzen die de Færøer naar IJsland wilden slepen, zwom ik een stukje de baai in. Ontelbare stukjes groen zeewier dreven overal. De pret was van korte duur, maar geen tropisch zwemparadijs dat kan wedijveren met de golven van meer dan een meter hoog die me af en toe omhoog tilden en dan weer overspoelden. Het water uit de tuinslang waar ik me vervolgens mee schoon spoelde leek in vergelijking met de oceaan heerlijk warm.

Een Groenlandse had me zien zwemmen en vroeg of het niet verschrikkelijk koud was. Ik had nog lang geen genoeg van de kou. Op het gezellige dorpspleintje, tussen vlak bij elkaar gekropen huisjes die de warmte met hun zwarte muren uitstekend vasthielden, had ik wel een ijsco verdiend. Het hele dorp was uitgelopen, iedereen genoot van deze zomerse dag en lachende kindertjes renden tussen hun uitgelaten kletsende ouders door. Rineke vertelde over de nauwe weggetjes met inhaalplekken ernaast, over blinde bochten, afgronden, achteruit bergop rijden en een moord en brand schreeuwende oma naast haar.

Gjógv (EH)

Door Haldarsvík, dat volgens de bewoners toch echt Haldorsvík heette en waar over de tweede ‘a’ op alle plaatsnaamborden met een dikke stift een ‘o’ was geschreven (lekker belongrijk) reden we naar Eysturoy. Vanavond wilden we onze tent in Gjógv opzetten. Dat spreek je dus uit als ‘Djèggv’, liefst zo venijnig mogelijk. Hardrijden was er op de eenbaanswegen niet bij. De tent opzetten ook niet, want het kamperen gedogende hostel was intussen een hotel geworden. Gjógvs belangrijkste claim to fame was wat ons betreft de fabriek. In Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? wordt de weinig initiatief tonende hovenier Mattias opgenomen in een soort van gekkenhuis in een verlaten fabriek in Gjógv. Lekker de hele dag houten schaapjes maken als souvenir voor de toeristen, tot hij op de Færøer aan het tuinieren slaat. Er waren alleen drie fabrieken in het dorp, dus daar werden we niet veel wijzer van. Een parkje met in de watten gelegde maar verschrompelde, kleine boompjes diende als decor voor het plaatselijke monument voor de op zee gestorvenen. Elk dorp kent hier zijn eigen tragedies; daar biedt zelfs een natuurlijke haven als die van Gjógv geen bescherming tegen. Diep in een veilige kloof lagen de bootjes klaar om in het water gelaten te worden. Weer een Færøers woord geleerd: gjógv betekent dus kloof.

Als we dan toch met linguïstische kennis gaan strooien: Slættaratindur betekent ‘platte top’. Erg veel stelt de hoogste berg van de Færøer niet voor met 882 meter, maar het was de dames teveel. Ik werd op een pas aan de voet van de beklimming gedropt, de Golf scheurde weg en daar stond ik dan. Bewolkt, maar helder, zoals dat in dit land blijkbaar kan. Erwin Krol zou afkeurend zijn hoofd schudden. Eva, Rineke en oma gingen op woljacht; ik hoefde maar vijfhonderd meter recht omhoog en ik was er al. “En dat kan best in een half uur,” vertelde de Deense man waar ik me bij aansloot me ongevraagd. ‘t Was dat ie nu met zijn familie meeliep, maar anders was ie al boven geweest. Hij was getrouwd met een Færøerse en liep hier met zijn in Jylland wonende Deens-Færøerse familie, Færøerse neef en nichten en de vriend van zijn Færøerse nichtje. Een jongen uit Almere. De neef uit Sandavágur deed een koffiezetapparaat na om zijn standpunt dat Nederlands zo’n lelijke taal is te illustreren. “Ja maar ho, zo praat ik niet hè,” wilde ik even verduidelijken. “Ik kom uit het zuiden.” Brabant is blijkbaar tot ver overzee bekend. “Aah, you talk met de zachte g!”, riep het vriendinnetje van de Almeerder verheugd uit. Dat vond ze veel mooier klinken.

Op de top werd ik getrakteerd op boterhammen met zalm, schapenspek en brownies. De platte top stond vol cairns en met steentjes uitgespelde namen. Het uitzicht was zoals een kleuter bergen tekent: een eindeloze reeks spitse bergtoppen verrees in de verte, daarachter weer een nieuwe rij en daarachter nog één. De noordelijke eilanden zorgden voor een grillig schouwspel, alsof er een omgekeerde, reusachtige zaag aan de horizon lag. Ook Risin en Kellingin, nu ineens ‘The Giant and the Bitch’, uit de mond van de Færøerse, waren duidelijk te zien. De Færøerse vertelde het verhaal over de versteende reuzen aan haar Nederlandse vriend. “Ze zijn niet echt slim hè, die reuzen en trollen van jullie?”, vroeg ik. “Nee,” beaamde ze. Net als nu wachten op de regenbui die op ons af kwam niet slim zou zijn. Dansend spoedden we ons naar beneden, waar we net voor de bui aankwamen. Na het nog even over de Færøerse Vikingen van metalband Týr (Toejr) gehad te hebben, waarvan het meisje een keer een cd had meegenomen naar volksdansen, moest ik de op wol beluste familieleden maar weer eens gaan zoeken.

Waar die uithingen was een groot raadsel, maar aangezien we ‘s middags door de toltunnel naar het eiland Borðoy zouden rijden, leek het mij een goed plan naar Leirvík te liften, waar de tunnel begint. Liften was hier een eitje. Met huisvrouw en kinderen het eerste stukje, met verlegen man het tweede stuk en daarna verder met een geologiestudent. Ik zwaaide nog naar Eva die de andere kant op reed, maar ze zag het niet. De student keerde, waarna ik aangewezen was op mijn sms-talenten. Inderdaad, dat stemde weinig hoopvol. Ik had Eva’s telefoon meegekregen, maar stond net bij het onmogelijke Undir Gøtueiði. De tweede poging bleek succesvol en tien minuten later zat ik in de Golf, op weg naar Strendur, waar in een roestige, gele barak met geld gesmeten moest worden. Wollen jassen, mutsen en truien – heel aardig allemaal, maar de sexy jassen van leer, wol en schapenvachtjes waren helaas onbetaalbaar.

Achter de ruim zes kilometer lange tunnel van Eysturoy naar Borðoy stond ons een omgekeerde Tjørnuvík-ervaring te wachten. Nu geen mediterrane weersomslag, maar een koude en gure havenstad. Een beetje het Rotterdam van de Færøer. Veel industrie, enorme oceaanschepen en goed geoliede visverwerkingsbedrijven. Mist zorgde ervoor dat Kunoy, aan de overkant van de Haraldssund, bijna aan het oog onttrokken werd. Hier was het vaak drie graden kouder dan in Tórshavn. Een groot verschil, als je al niet veel graden hebt om mee te beginnen. Gelukkig hoefden we hier niet lang te zijn: boodschappen doen (gedroogde stokvis voor Rineke, schelviskeel als avondeten) en biertjes halen bij de Rúsdrekkasølin Landsins. De staatsslijterijen weten je toch altijd een beetje het gevoel te geven dat je iets vies doet. “Wilt u misschien een pornografisch blaadje bij uw biertjes, meneer?” Ach ja, er werd Creedence gedraaid en ik had mijn Green Island Stout. Net doen alsof alcohol iets verdorvens is, maar wel kratten met dertig flessen in plaats van 24 verkopen. Stelletje hypocrieten.

Niet onbelangrijk hier was ook om de sleutel van ons huisje in Mulí op te halen bij de VVV. Kon ik gelijk vragen of we hier ergens papegaaiduiker konden eten. De restaurants kopen alle vogeltjes op, dus in supermarkten en slagerijen zijn ze niet te vinden. Er moeten er heel wat gegeten worden – vorige week hadden drie jongens in twee dagen tijd 3500 papegaaiduikers gevangen. Een prestatie waar iedereen in het hele land vol trots over praatte. Geen probleem, dan moesten we bij een restaurant in Viðareiði zijn. “Mooi, dan combineren we het met een wandeling naar Enniberg.” De medewerkster van het VVV-kantoor keek me lelijk aan. Had ze soms in de smiezen dat we graag bier lustten ofzo? “Dat vinden we niet zo leuk, als toeristen zonder begeleiding Enniberg beklimmen.” Kan wel weez’n, maar Enniberg is toevallig met 754 meter goddorie wel de hoogste kaap van heel Europa! En het dan gek vinden dat toeristen dat wel eens van dichtbij willen zien. “Het is niet verboden,” voegde ze er met merkbare tegenzin aan toe. Nou dan.

Spannender dan een potentieel dodelijke afgrond waren voorlopig toch de vele tunnels waar we door moesten. Tunnels bouwen is de nationale hobby op de Færøer. Het land telt er achttien – waarvan elf enkelbaans. Niet enkelbaans als in één baan voor jou en één voor tegenliggers. Nee, echt enkelbaans. Verkeer in één richting heeft voorrang (goed opletten dus voor je een tunnel in rijdt); tegemoetkomend verkeer stelt zich bij het zien van naderende koplampen verdekt op in één van de hiervoor in de rotswand uitgehouwen plekjes. Om het interessant te houden zijn de tunnels altijd onverlicht, meestal met gaten in de weg en soms met bochten. Er doken heel wat auto’s aan de kant in onze eerste tunnel, waarna we kort boven de grond mochten voor de afrit naar Árnafjørður. Eén bocht later begon de volgende tunnel alweer. De laatste zeven kilometer waren over een grindweggetje naar het verlaten dorpje Mulí. Sinds de komst van de weg stonden de huizen leeg – verhuizen was nog nooit zo gemakkelijk geweest. In ons houten huisje, geheel in jaren ’50-stijl ingericht, hadden we spijt van onze boodschappen. Schelviskeel heeft de consistentie van snot. Tegenover ons aan de overkant van de Hvannasund was Villingadalsfjall, de piek voor Enniberg, in een dichte mist gehuld.

Villingadalsfjall (EH)

Ik had het niet durven hopen, maar de Villingadalsfjall had de volgende ochtend geen muts meer op. Bergen hebben hier altijd een muts op, maar nu was ie ineens weg. Het was weer eens bewolkt, maar helder (sorry, Erwin) en dus moesten we vandaag naar Viðareiði. Thor was met ons, maar gewoon voor de zekerheid kon het geen kwaad vooraf te reserveren bij Matstovan hjá Elisabeth. Zelfs de Russen noemen een restaurant gewoon ресторан, maar de Færøerders moesten er weer een onmogelijk woord voor bedenken: matstovan. En museum wordt savn. Rare eilandbewoners. Op de vraag of we vanavond papegaaiduiker konden eten volgde resoluut een ontkennend antwoord. “Nee, zaterdag pas weer. Of misschien vrijdag al.” Dan zaten we alweer op de boot naar huis. Na wat wikken en wegen werden we het eens: “Ik heb nog wel wat vogeltjes in de vriezer liggen die ik zondag aan gasten wil serveren. Misschien kan ik voor die dag nieuwe laten vangen. Kom vanavond maar eten.” De vrouw gaf ons uitleg over hoe naar Enniberg te lopen, gaf een kaart mee en waarschuwde voor een klif waar we overheen moesten. Over gevaar had ze het niet. Of nauwelijks. Het was tenslotte ook niet verboden.

Eigenlijk kwam het erop neer dat we vanaf Viðareiði 841 meter recht omhoog moesten klimmen over de bergrug, oceaan links en het komdal rechts van ons houdend. Het was meer klauteren dan lopen of klimmen. Elkaar op grote rotsblokken duwend en hijsend naderden we de top. Rineke en oma voeren intussen met de ferry van Hvannasund naar het eiland Svnínoy. Aanleggen bij het dorp was hier onbegonnen zaak. In plaats daarvan werd iedereen op anderhalve kilometer van Svínoy gedropt. Van de boot geduwd, meer. Een aanlegplaats was er niet en springen was hier wel even wat avontuurlijker dan op Mykines, vertelden ze. Vanaf de top zagen wij nu hoe een akelig smalle richel de oceaan in stak. Nog geen honderd meter dalen, maar met de inmiddels gevaarlijk harde rukwinden en angstvallig steile kliffen aan weerszijden vast nog een hele toer. Maar goed dat Eva alleen nog hoogtespanning heeft, want de woorden van de VVV-medewerkster klonken in retrospectief toch wat redelijker.

Dit zouden ze moeten verbieden (EH)

Als je al zover bent kun je niet meer met goed fatsoen omkeren. Het eerste stuk over de richel was best te doen. Het was wat breder dan van bovenaf had geleken, tot we ineens de in het dorp genoemde kloof bereikten. Onder ons geen mogelijkheid tot afdalen; twintig meter verderop pas weer een pad. We moesten dus terug en omlaag. Nu werd het spannend. Onszelf op het smalle randje tegen de bergwand duwend probeerde Eva niet teveel omlaag te kijken. Bij de hardste windstoten maakten we ons klein en wachtten af. De bergwand waarop we zoveel leunden hield het bij de kloof ineens voor gezien. Een paadje van een halve meter breed; links en rechts ervan enkel afgrond. Om de paar meter een rotsblok om je aan vast te klampen. Met één hand om Eva vast te houden en één arm om mijn evenwicht te bewaren stapten we tijdens een nu zeldzaam windstil moment verder. Halverwege rustten we bij een redding biedende rotsformatie. Het was toch wel een beetje zweten hier. De wind ging weer even liggen, waarna we probeerden omhoog te klauteren. Na een geconcentreerde klimpartij hadden we weer een richel om op te lopen die ons ineens ontzettend breed scheen.

De Enniberg klif, de diepte in (JS)

‘Take extreme care when approaching the cliff edge,’ waarschuwde Bradt. Tijgerend over de rotsen maakte ik me op om over het randje te gluren. Foei, wat was dit diep! Meeuwen cirkelden als witte puntjes ver beneden me; 754 meter lager beukten de golven op het noordelijkste stukje van de Færøer. Niet te duizelig worden was het devies, want de loeiende wind wilde ons maar wat graag over het randje wippen. Ik voelde nu ook wel een beetje hoogtespanning. Erop lettend laag bij de grond te blijven schuifelden we naar veiliger oorden – tijdelijk dan, want het langs de afgrond slingerende paadje moest opnieuw overwonnen worden. Veel later, weer op lieflijkere plekken waar gras en bloemetjes groeiden, rustten we opgelucht uit. Schapen kwamen nieuwsgierig bij ons snuffelen en grazen; een winterkoninkje van de noordelijke ondersoort (Troglodytes troglodytes borealis) was in het geheel niet bang en wipte vrolijk van steen naar steen. Wat was de Færøerse naam voor dit diertje toepasselijk: muizenbroertje. Het winterkoninkje bleef lange tijd bij ons in de buurt, zijn korte staartje komisch in de lucht stekend.

Papagaaiduikers in saus (EH)

Dat ik uiteindelijk met één vogeltje vrienden was geworden, weerhield me er niet van ‘s avonds de bestelde papegaaiduikers gewoon te verorberen. We kregen er allemaal twee. Acht lieve vogeltjes minder, maar gelukkig vliegen er zo’n 1.100.000 rond op deze eilanden. Ik had een soort kip verwacht, maar het vlees was donkerbruin, bijna als een haas. De smaak was sterk, als wild een beetje. Verrassend en lekker, wat beide niet gezegd kon worden van de typisch Færøerse garnering van gekookte aardappelen zonder poespas. In Mulí wachtte ons geen heerlijk naar schapenvlees geurend huis, zoals we hadden gedacht. Ons huis was vandaag verzamelpunt geweest voor schaapscheerders die hier een kudde bijeen zouden drijven. Vanochtend stond er slechts één schurftig schaap met jeuk, nu waren het er drie. Alle ongeschoren. Hard gewerkt, jongens.

Naar huis in een auto vol rottend schaap
Ik hou niet van vogels, vogels houden niet van mij

2 Comments

  1. test bij rosa en marc: dit commentaar is helemaal naar rechts geschoven. er moet een break onder de links naar vorige en volgende verhaal.

Leave a Reply

Your email address will not be published.


*